RECHTBANK NOORD-HOLLAND Handel, Kanton en Insolventie Zittingsplaats Haarlem insolventienummer: C/15/16/666 R vonnis van 28 januari 2020 in de zaak van: [schuldenaar], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats], wonende te [woonplaats], schuldenaar. 1De procedure 1.
- Bij vonnis van 25 oktober 2016 is de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken ten aanzien van schuldenaar. 1.
- De rechter-commissaris noch de rechtbank heeft aanleiding gezien om de wettelijke looptijd van de schuldsanering te wijzigen. De looptijd van de regeling bedraagt derhalve drie jaar, te rekenen vanaf de dag van de uitspraak van de schuldsaneringsregeling, die dag daaronder begrepen. 1.
- De bewindvoerder heeft schriftelijk verslag gedaan over de wijze waarop schuldenaar aan zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen heeft voldaan. Vanwege het verstrijken van de termijn was de behandeling van de beëindiging van de schuldsaneringsregeling door de rechtbank aanvankelijk pro forma gepland ter zitting van 5 november
- 1.
- Schuldenaar heeft bij schrijven van 1 november 2019 de rechtbank verzocht de behandeling van de beëindiging van de schuldsaneringsregeling aan te houden, opdat er een mondelinge behandeling kan plaatsvinden. 1.
- Naar aanleiding van voormeld verzoek van schuldenaar heeft de rechtbank de behandeling van de beëindiging van de schuldsanering bepaald op 21 januari
- Van deze behandeling is proces-verbaal opgemaakt, waarvan de inhoud als hier ingelast dient te worden beschouwd. 2De beoordeling 2.
- Schuldenaar heeft verzocht de beëindiging van de schuldsaneringsregeling aan te houden in afwachting van diverse thans lopende (klacht)procedures – waaronder (onder veel meer) klachten tegen de bewindvoerder en de rechter-commissaris alsook (klacht)procedures met betrekking tot faillissementen waarbij schuldenaar betrokken is – en in afwachting van (klacht)procedures die schuldenaar voornemens is aanhangig te maken. 2.
- Het verzoek van schuldenaar om de schuldsaneringsregeling nog niet te beëindigen, wordt door de rechtbank gepasseerd. Immers, het gaat in deze procedure – die op de artikelen 352-354 Fw is gegrond – uitsluitend om de beantwoording van de vraag of de schuldenaar in de nakoming van een of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen is tekortgeschoten en, indien er sprake is van een tekortkoming, of deze aan schuldenaar kan worden toegerekend. Indien hiervan geen sprake is dient aan de schuldenaar aan het einde van de toepassing van de schuldsaneringsregeling een ‘schone lei’ te worden verleend, met het in artikel 358 lid 1 Fw vermelde gevolg. Het belang dat schuldenaar stelt, zoals hiervoor onder 2.
- weergegeven, is geen zelfstandige grond voor verlenging van de schuldsaneringstermijn (waar het verzoek tot aanhouding in feite op neerkomt). In deze procedure kan niet worden opgekomen tegen beslissingen in andere (klacht)procedures. Dit laat onverlet dat schuldenaar (klacht)procedures kan voortzetten/aanhangig kan maken, nadat de schuldsaneringsregeling is geëindigd. 2.
- De bewindvoerder heeft geconcludeerd dat schuldenaar zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen is nagekomen. De rechter-commissaris heeft zich bij dat oordeel aangesloten. Geen van de schuldeisers heeft redenen aangevoerd om tot een ander oordeel te komen. Zodanige redenen zijn overigens ook niet gebleken. 2.
- Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat schuldenaar niet is tekortgeschoten in de nakoming van één of meerdere uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen. Daarom zal aan schuldenaar de schone lei worden toegekend. 2.
- De schuldsaneringsregeling zal zijn beëindigd op het moment dat dit vonnis in kracht van gewijsde is gegaan. 2.
- De rechtbank zal het salaris van de bewindvoerder en de door deze gemaakte kosten vaststellen. De vergoeding voor de bewindvoerder is berekend op € 3.215,90 (inclusief onkostenvergoeding en omzetbelasting). 2.
- De rechtbank zal de in de schuldsaneringsregeling gevallen kosten van het onderzoek door de arbeidsdeskundige vaststellen en bepalen dat deze, voor zover deze niet uit de boedel kunnen worden voldaan, ten laste van de Staat komen. 3De beslissing De rechtbank: 3.
- stelt vast dat schuldenaar niet in de nakoming van één of meerdere uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen is tekort geschoten; 3.
- verstaat dat de toepassing van de schuldsaneringsregeling eindigt op het moment dat dit vonnis in kracht van gewijsde is gegaan; 3.
- verstaat dat door de beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling de vorderingen ten aanzien waarvan de schuldsaneringsregeling werkt, voor zover deze onvoldaan zijn gebleven, niet langer afdwingbaar zijn; 3.
- stelt het salaris van de bewindvoerder (inclusief onkosten en omzetbelasting) vast op het totaal van het aanwezige actief groot € 2.815,02 te vermeerderen tot ten hoogste € 3.215,90 met de door de bewindvoerder mogelijk nog (te) ontvangen inkomsten op de boedelrekening; 3.
- beveelt dat de in de schuldsaneringsregeling bevolen kosten van het onderzoek door de arbeidsdeskundige ad € 203,89 voor zover deze niet uit de boedel kunnen worden betaald, ten laste van de Staat komen. Dit vonnis is gewezen door mr. E.J. Bellaart en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier op 28 januari
- Tegen dit vonnis kan degene, aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, uitsluitend door een advocaat, binnen acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.