Rechtbank noord-holland Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummers: HAA 20/786 en HAA 20/787 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 november 2020 in de zaken tussen [X] , wonende te [Z] , eiseres (gemachtigde: mr. H. Beekelaar), en de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Arnhem, verweerder. Procesverloop Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2018 een aanslag met dagtekening 21 juni 2019 (aanslagnummer [# 1] ; hierna: aanslag I) inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd (hierna: ib/pvv), berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 22.482. Verweerder heeft hierbij medegedeeld dat eiseres een bedrag van € 2.875 dient te betalen. Verweerder heeft aan eiseres met dagtekening van eveneens 21 juni 2019 voor het jaar 2018 een aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (aanslagnummer [# 2] ; hierna: aanslag II) opgelegd naar een bijdrage-inkomen van € 460. Bij beslissing op bezwaar van 20 november 2019 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder de tegen de aanslagen I en II door eiseres ingediende bezwaren ongegrond verklaard. Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld. Verweerder heeft voor beide zaken één verweerschrift ingediend. Eiseres heeft bij schrijven gedateerd 30 september 2020 een aanvullend schrijven ingediend. Dit schrijven is in afschrift verstrekt aan verweerder. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 oktober 2020 te Haarlem. De zaken met bovengenoemde rolnummers zijn gelijktijdig behandeld. Eiseres is verschenen en bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. [A] . Overwegingen Feiten 1. Eiseres is geboren op [..] . In 2018 is eiseres ongehuwd. Eiseres is gedurende de periode van [.] 1979 tot en met [.] 2008 gehuwd geweest met [B] (hierna: [B] ). 2. In het echtscheidingsconvenant, opgesteld in augustus 2008 door [B] en eiseres, zijn beiden overeengekomen dat [B] met ingang van de eerste dag van de maand vanaf de datum van ontbinding van het huwelijk indien de samenleving tussen partijen is beëindigd maandelijks bij vooruitbetaling aan de vrouw een bruto partneralimentatie van € 550 per maand betalen. [B] en eiseres zijn ervan op de hoogte dat de alimentatieplicht van [B] volgens de wettelijke bepalingen (maximaal) 12 jaar duurt, te rekenen vanaf de datum van ontbinding van het huwelijk. 3. Bij beschikking van 10 februari 2016 (nr. [# 3] ) heeft de rechtbank bepaald dat de door [B] aan eiseres te betalen partnerbijdrage op nihil wordt gesteld met ingang van 13 mei 2015 voor de duur van de op [B] toepasselijke schuldsanering (hierna: WSNP). 4. In juni 2018 is de schuldsanering van [B] beëindigd. 5. Bij brief van 18 februari 2019 heeft [C] , bewindvoerder van [B] , eiseres medegedeeld dat eiseres over de periode 2010 tot en met 19 mei 2015 een vordering betreffende achterstallige alimentatie heeft van € 13.567,47. In genoemde brief is eiseres medegedeeld dat haar op 28 augustus 2018 een bedrag van € 4.813,74 is uitbetaald. Op de hierna te melden data heeft eiseres vanwege [B] wegens partneralimentatie, telkens een bedrag van € 476 ontvangen: 25 juni 2018, 24 juli 2018, 24 augustus 2018, 24 september 2018, 19 oktober 2018, 24 oktober 2018 en 26 november 2018. Eiseres heeft derhalve in 2018 een totaalbedrag van € 8.145,74 aan partneralimentatie ontvangen. Geschil en standpunten van partijen 6. In geschil is of verweerder voor het jaar 2018 het verzamelinkomen van eiseres niet te hoog heeft vastgesteld. Meer specifiek in geschil is of verweerder het bedrag van € 4.813,74 terecht als in 2018 ontvangen alimentatie heeft aangemerkt. 7. Eiseres heeft het volgende gesteld. De door verweerder aan haar opgelegde aanslagen I en II zijn te hoog vastgesteld. Eiseres heeft verweerder bericht dat zij op 29 augustus 2018 een eenmalige betaling van € 4.813,74 heeft ontvangen. Dit bedrag betreft de betaling van achterstallige alimentatie die plaatsvond in het kader van een slotuitdeling van de wettelijke schuldsaneringsregeling van [B] . Deze betaling heeft betrekking op de periode 2010 tot en met 19 mei 2015. De alimentatievordering van eiseres op [B] bedroeg € 13.567,47 en is per laatstgenoemde datum opgenomen in de schuldsaneringsregeling van [B] . Het bedrag van € 4.813,74 betreft een deelbetaling van het aan haar toekomende recht op alimentatie over de periode 2010 tot en met 19 mei 2015. Het is derhalve niet juist dat laatstgenoemd bedrag volledig aan het jaar 2018 wordt toegerekend. Door de handelwijze van verweerder is eiseres onevenredig benadeeld. Een juiste en redelijke wetstoepassing brengt met zich dat deze betaling evenredig dient te worden toegerekend aan de periode waarop deze betaling betrekking heeft. Het bestreden besluit is dan ook genomen in strijd met het evenredigheidsbeginsel en daarnaast in strijd met de redelijkheid en billijkheid. Eiseres stelt dat verweerder ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan artikel 3.146, eerste lid, onder c, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Wet IB 2001) nu het uitbetaalde bedrag haar al eerder ter beschikking is gesteld, namelijk bij ontvangst daarvan door de bewindvoerder. Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen, vernietiging van het bestreden besluit en de aanslagen. 8. Verweerder heeft het volgende aangevoerd. Aan het eind van het schuldsaneringstraject van [B] is er in augustus 2018 een bedrag van € 4.813,74 aan eiseres uitbetaald. Daarnaast heeft eiseres in 2018 weer alimentatie ontvangen. Deze alimentatie bedroeg € 3.332. Over dit gezamenlijke bedrag van € 8.145 is eiseres inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen en premie ingevolge de Zorgverzekeringswet verschuldigd. Eiseres heeft dit bedrag als inkomen ontvangen. De alimentatie en de nabetaling alimentatie vallen onder de “belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen” van artikel 3.1, tweede lid, onder e, van de Wet IB 2001.Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van de beroepen. 9. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken. Beoordeling van het geschil 10. Op grond van artikel 3.101, eerste lid, onder b, van de Wet IB 2001 zijn aangewezen periodieke uitkeringen en verstrekkingen de periodieke uitkeringen en verstrekkingen die worden ontvangen op grond van een rechtstreeks uit het familierecht voortvloeiende verplichting, tenzij de uitkeringen of verstrekkingen worden ontvangen van bloed- of aanverwanten in de rechte lijn of in de tweede graad van de zijlijn. Op grond van artikel 3.146, eerste lid, van de Wet IB 2001 worden loon, aangewezen periodieke uitkeringen en verstrekkingen, termijnen van lijfrenten en andere periodieke uitkeringen en verstrekkingen uit een inkomensvoorziening, uitkeringen op grond van een buitenlandse voorziening die naar aard en strekking overeenkomt met een inkomensvoorziening, voordelen uit eigen woning, voordelen uit kapitaalverzekeringen eigen woning, voordelen uit spaarrekening eigen woning, voordelen uit beleggingsrecht eigen woning en negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen – voor zover niet anders is bepaald – geacht te zijn genoten op het tijdstip waarop zij zijn (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.