RECHTBANK NOORD-HOLLAND Handel, Kanton en Insolventie locatie Haarlem Zaaknr./rolnr.: 8326171 \ CV EXPL 20-1678 Uitspraakdatum: 4 november 2020 Vonnis van de kantonrechter in de zaak van: [eiser] wonende te [woonplaats] eiser verder te noemen: [eiser] gemachtigde: mr. F.A.J.H. de Lugt tegen de besloten vennootschap The Amsterdam Boathouse B.V. gevestigd te Heemstede gedaagde verder te noemen: The Amsterdam Boathouse procederend bij [naam]. 1Het procesverloop 1.1. [eiser] heeft bij dagvaarding van 10 februari 2020 een vordering tegen The Amsterdam Boathouse ingesteld. The Amsterdam Boathouse heeft schriftelijk geantwoord. 1.2. [eiser] heeft hierop schriftelijk gereageerd, waarna The Amsterdam Boathouse een schriftelijke reactie heeft gegeven, mede onder overlegging van nadere stukken. Daarop heeft [eiser] vervolgens nog schriftelijk gereageerd. 2De feiten 2.1. The Amsterdam Boathouse verricht reparatie- en onderhoudsdiensten aan schepen. 2.2. [eiser] is op 1 augustus 2016 in dienst getreden bij The Amsterdam Boathouse in de functie van technisch medewerker, tegen een salaris van € 1.640,00 bruto per maand exclusief vakantiegeld. 2.3. De arbeidsovereenkomst is door middel van een op 14 oktober 2019 door partijen ondertekende vaststellingsovereenkomst met wederzijds goedvinden beëindigd per 31 oktober 2019 (hierna: de vaststellingsovereenkomst). In de vaststellingsovereenkomst staat onder meer opgenomen: ‘(…) De af te rekenen bedragen zullen per einde van de maand oktober 2019 voldaan worden bij gebreke waarvan The Amsterdam Boathoase BV 1% boeterente per maand betaald. De bedragen zijn: Salaris over oktober; Resterend vakantiegeld wordt uitgekeerd; 4 vakantiedagen worden uitgekeerd; Transitievergoeding van € 1.771 euro bruto; De inhouding van € 990 wordt teruggedraaid. Werkgever en Werknemer verklaren over en weer tot finale en volledige kwijting te zijn gekomen op basis van deze vaststellingsovereenkomst. (…)’ 2.4. Bij e-mail van 7 november 2019 heeft [eiser] aan The Amsterdam Boathouse geschreven: ‘(…) afgesproken dat er per het einde van de maand oktober 2019 de af te rekenen bedragen zullen worden voldaan (…). Tot op heden heeft u helaas verzuimd om conform bovenstaande afspraken verschuldigde bedragen geheel uit te keren. Daarom verzoek ik u binnen zeven dagen na dagtekening van deze brief over te gaan tot betaling. Tevens zie ik mij genoodzaakt het recht op wettelijke verhoging en rente aan te zeggen (…)’ 2.5. Bij brief van 30 december 2019 is namens [eiser] aan The Amsterdam Boathouse geschreven: ‘(…) Op 28 oktober 2019 ontving cliënt het salaris over oktober 2019 ad € 1.714,25 o.v.v. “salaris october 2019”. Eerst pas op 7 november 2019, aldus te laat, ontving cliënt een bedrag € 990,00 o.v.v. “volgens afspraak in contractje”. Vervolgens ontving cliënt op 26 november 2019 – wederom te laat – een bedrag ad € 1.281,77 o.v.v. “finale betaling – hiermee is alles betaald wat is overeengekomen”. The Amsterdam Boathouse heeft na het ondertekenen van de vaststellingsovereenkomst aldus een bedrag ad € 3.986,02 cliënt overgemaakt. (…) (…). Nu cliënt tot op heden geen eindspecificaties van u heeft mogen ontvangen, blijft het onduidelijk of The Amsterdam Boathouse volledig aan haar verplichtingen op basis van de vaststellingsovereenkomst heeft voldaan. (…) vermoedt dat dit niet het geval is. (…) verzoek ik u (…) aan de hand van een deugdelijke specificatie de eindafrekening op te maken en deze met mij te delen. (…) vervolgens worden nagegaan of zij zoals wordt gesteld volledig aan haar financiële verplichtingen op basis van de vaststellingsovereenkomst (…) heeft voldaan. (…) De verzochte specificatie zie ik graag voor 7 januari 2020 per e-mail tegemoet (…)’ 2.6. Bij brief van 21 januari 2020 is namens [eiser] aan The Amsterdam Boathouse geschreven: ‘(…) hebt u vorige week telefonisch contact opgenomen met mijn cliënt. (…) verzocht om aan te geven wat The Amsterdam Boathouse hem thans nog verschuldigd is. (…) het aan uw organisatie als ex-werkgever is om een gedegen financiële administratie erop na te houden. (…) heeft cliënt mij verzocht te berekenen wat hij (…) kan vorderen. Thans bedraagt zijn vordering een bedrag ad € 1.767,87, inclusief de wettelijke verhoging, wettelijke rente, contractuele boeterente en de kosten rechtsbijstand ten bedrage van de betaalde eigen bijdrage ad € 468,00 (…).’ In de brief is The Amsterdam Boathouse gesommeerd om ‘binnen drie dagen na heden’ het bedrag van € 1.767,87 te betalen. 2.7. Bij e-mail van 21 januari 2020 heeft The Amsterdam Boathouse aan de gemachtigde van [eiser] geschreven: ‘(…) Hieronder de betalingen die aan de heer [eiser] gedaan zijn. (…) Wat The Amsterdam Boathouse betreft is hiermee de kous af. (…) 26 november 2019 (…) 1.281,77 (…) 7 november 2019 (…) 990 (…) 28 oktober 2019 (…) 1.714,25 (…)’ 2.8. Bij e-mail van 26 januari 2020 heeft The Amsterdam Boathouse aan de gemachtigde van [eiser] geschreven: ‘(…) Het lijkt dat er inderdaad een foutje van 355 euro netto gemaakt is. (…)’ Op 2 februari 2020 heeft The Amsterdam Boathouse € 350,00 aan [eiser] betaald. 2.9. Bij e-mail van 4 februari 2020 is namens [eiser] aan The Amsterdam Boathouse geschreven: ‘(…) hetgeen mijn cliënt op basis van de vaststellingsovereenkomst toekomt: Afspraken in vaststellingsovereenkomst: Bruto (netto) Salaris oktober 2019 (bruto) € 1.640.00 (excl. 8% vakantiegeld) (€ 1.498,75 nett) Reiskosten € 215,50 Resterend vakantiegeld (…) € 656,00 (…) (€ 415,58 netto) 4 vakantiedagen € 285,22 (€ 177,68 netto) Transitievergoeding € 1.771,00 bruto (…) (€ 1.096,26 netto) Inhouding € 990,00 + Totaal te ontvangen € 5.557,72 bruto (€ 4.393,77 netto) (…) Totaal ontvangen € 4.336,02 (…) resteert thans nog € 57,75 netto (…) op basis van de vaststellingsovereenkomst (…). Nu The Amsterdam Boathouse niet tijdig aan haar betalingsverplichtingen heeft voldaan maakt mijn cliënt (…) tevens aanspraak op de wettelijke verhoging wegens vertraging over het niet tijdig uitgekeerde bedrag. (…) € 844,76. (…) wettelijke rente ad € 31,44 en de contractuele boeterente ad € 12,85 (…). rechtsbijstand moeten inschakelen (…) € 468,00 (…).’ The Amsterdam Boathouse is in de gelegenheid gesteld om betaling van het bedrag van € 1.414,80 uiterlijk op 6 februari 2020 te aanvaarden, met betaling kort daarop volgend. 2.10. Bij e-mail van 4 februari 2020 heeft The Amsterdam Boathouse daarop gereageerd: ‘(…) De 4 vakantiedagen waren bij elkaar 185,22 (…) Wat in deze bedragen niet zit is het vakantiegeld. Per 31/8 was er 148,92 verschuldigd (…) De laatste 2 maanden zijn blijkbaar niet berekend. (…) ongeveer 166 euro (en u zit te hoog!). Deze twee bedragen zijn betaald middels de 350 euro die ik alsnog heb overgemaakt (…).’ 3De vordering 3.1. [eiser] vordert dat de kantonrechter The Amsterdam Boathouse veroordeelt tot betaling van: I. € 57,75 netto aan openstaande loonbestanddelen; II. € 844,76 aan wettelijke verhoging; III. 1% boeterente over het onder I genoemde bedrag vanaf 1 november 2019 tot aan de dag der algehele voldoening; IV. de wettelijke rente over de onder I t/m III genoemde bedragen, met ingang van 1 november 2019, dan wel 7 november 2019, tot aan de dag der algehele voldoening; V. € 135,30 aan buitengerechtelijke incassokosten; VI. de proceskosten, de kosten rechtsbijstand en de kosten betreffende het aanvragen van het uittreksel bij de Kamer van Koophandel ad € 2,30. Daarbij vordert [eiser] afgifte van deugdelijke salarisspecificaties over de periode van 1 augustus 2019 tot en met 31 oktober 2019 binnen 14 dagen na betekening van het vonnis, op straffe van een dwangsom van € 250,00 per dag of dagdeel dat The Amsterdam Boathouse in gebreke blijft om aan dit onderdeel van het vonnis te voldoen. 3.2. [eiser] legt aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat The Amsterdam Boathouse tekort is geschoten in de nakoming van de vaststellingsovereenkomst door een te laag totaalbedrag aan [eiser] te voldoen. The Amsterdam Boathouse moet de vaststellings- overeenkomst nog steeds nakomen en daarbij de wettelijke verhoging, boeterente, wettelijke rente en overige bijkomende kosten aan [eiser] betalen. 4Het verweer 4.1. The Amsterdam Boathouse betwist de vordering (gedeeltelijk). Zij voert aan – samengevat – dat de vaststellingsovereenkomst is nagekomen. Er is zelfs teveel betaald aan [eiser] . De 1% boeterente in de vaststellingsovereenkomst is overeengekomen omdat de cashflow van The Amsterdam Boathouse op dat moment minimaal was, mede veroorzaakt door [eiser] . Eind oktober 2019 was The Amsterdam Boathouse niet in staat om [eiser] volledig uit te betalen. De overige betalingen zijn gedaan in november 2019. Een gedeelte is, in onderling overleg, verrekend met twee verkeersboetes van [eiser] . [eiser] heeft niet aangetoond dat hij de gevorderde juridische kosten heeft gemaakt. 5De beoordeling 5.1. Niet in geschil is dat The Amsterdam Boathouse de vaststellingsovereenkomst moet nakomen. Tussen partijen bestaat echter discussie over de vraag of The Amsterdam Boathouse de vaststellingsovereenkomst volledig is nagekomen. 5.2. De kantonrechter stelt voorop dat de redenen die aan het sluiten van de vaststellings- overeenkomst ten grondslag liggen niet ter zake doen, zoals The Amsterdam Boathouse meent te doen bepleiten. Feit is dat partijen de vaststellingsovereenkomst hebben gesloten, zodat zij tot nakoming daarvan gehouden zijn. 5.3. Voor zover The Amsterdam Boathouse met haar bij conclusie van dupliek ingenomen standpunt dat zij inmiddels is opgehouden, heeft bedoeld dat zij failliet is, blijkt dat niet uit het openbare insolventieregister, zodat de kantonrechter aan dat standpunt voorbij gaat. 5.4. In de vaststellingsovereenkomst is opgenomen dat The Amsterdam Boathouse aan [eiser] zou betalen: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.