RECHTBANK NOORD-HOLLAND Handel, Kanton en Insolventie locatie Haarlem Zaaknr./rolnr.: 8090653 CV EXPL 19-15012 Uitspraakdatum: 22 juli 2020 Vonnis van de kantonrechter in de zaak van: [eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser, verder te noemen: [eiser] , gemachtigde: mr. M.H.M. Verbeemen, tegen de besloten vennootschap TATA STEEL IJMUIDEN B.V., gevestigd te Velsen-Noord, gedaagde, verder te noemen: Tata Steel, gemachtigde: mr. R.H.J. Wildenburg. 1Het procesverloop 1.1. [eiser] heeft bij dagvaarding van 1 oktober 2019 een vordering tegen Tata Steel ingesteld. Tata Steel heeft op 26 februari 2020 schriftelijk geantwoord. 1.2. Bij tussenvonnis van 11 maart 2020 is een mondelinge behandeling gelast, die op 15 juni 2020 heeft plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. [eiser] heeft een pleitnota overgelegd. Voorafgaand aan de mondelinge behandeling heeft Tata Steel bij brief van 2 juni 2020 nadere stukken ingediend. 1.3. Vervolgens is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. [eiser] , geboren [in 1966] , is van 1984 tot 1 mei 2017 bij Tata Steel in dienst geweest. Hij heeft tijdens zijn dienstverband achtereenvolgens de volgende functies bekleed: - werknemer smelterij 1984-1989- werknemer vertinlijn 1989-2003- heftruckchauffeur 2004-2007- bedieningsman inspectiebaan 2008-2017 2.2. Op 31 maart 2003, 6 november 2003 en 3 januari 2004 is [eiser] (steeds voor een langere periode) uitgevallen met nekklachten (cervicale HNP). 2.3. Op 13 januari 2004 heeft de bedrijfsarts de prognose afgegeven dat [eiser] blijvend aangewezen is op lichtere werkzaamheden. 2.4. Vanaf 17 april 2004 is [eiser] in het kader van zijn re-integratie tewerkgesteld als heftruckchauffeur. Nadat in een periodieke evaluatie op 11 juni 2004 was vastgesteld dat het werk op de heftruck goed ging en er geen aanwijzingen waren dat [eiser] het werk niet blijvend zou kunnen doen, is hij op 4 augustus 2004 definitief in de functie van heftruckchauffeur geplaatst. 2.5. Vervolgens is [eiser] ook in die functie uitgevallen met nekklachten (nekhernia): van 13 september tot 13 december 2005 en vanaf 4 november 2006. 2.6. Na de ziekmelding op 4 november 2006 heeft [eiser] vanaf 24 november 2006 in het kader van zijn re-integratie diverse andere, vervangende werkzaamheden verricht. 2.7. Nadat in 2008 door revalidatie- en re-integratiebureau Heliomare was geconstateerd dat lichaamstrillingen, zoals bij heftruck rijden, een ongunstig effect op de nekbelastbaarheid kunnen hebben, is [eiser] vanaf 2008 tewerkgesteld als bedieningsman Inspectiebaan 11. 2.8. In 2011 is [eiser] uitgevallen met acute schouderklachten. Door [neuroloog] (neuroloog bij het OLVG, hierna: [neuroloog] ) wordt bij brief van 31 januari 2012 vastgesteld dat de pijnklachten in de arm worden veroorzaakt door een amyotrofische schouderneuralgie (zenuwontsteking aan schouder). Deze klachten zijn begin 2013 vrijwel weg. 2.9. Bij brief van 6 oktober 2013 heeft [eiser] Tata Steel aansprakelijk gesteld voor door hem geleden en nog te lijden schade als gevolg van een nekhernia en zenuwontsteking, veroorzaakt door zware werkomstandigheden. 2.10. In opdracht van Tata Steel heeft [veiligheidskundige] , Veiligheidskundige bij Tata Steel, op basis van een intern onderzoek, op 24 december 2013 een rapport uitgebracht, waarin ten aanzien van het anoderegelen en de inpakwerkzaamheden als volgt is geconcludeerd: ‘(…) [eiser] geeft aan dat een anode 60 tot 65 kg per stuk weegt. Dit klopt niet. Het juiste gewicht is 49 kg. Voorstelbaar is, dat er lichamelijke klachten optreden in het belaste deel van het lichaam; de onder- en/of bovenledematen. Dit wordt ook bevestigd door het PMO van sectie 4 en 5 in 2002 en 2005. Het is voor de arbeidsdeskundige niet aannemelijk dat de fysieke belasting kan leiden tot een nekhernia, omdat de nekwervels bij deze werkzaamheden niet extra worden belast. Het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten heeft in 2007 onderzoek gedaan naar werkgerelateerde risicofactoren voor het ontstaan van een nekhernia (cervicale hernia). Uit dat onderzoek is gebleken dat: • Het tillen van zware lasten 50 tot 60 kg op het hoofd, meerdere keren per dag en vijf tot zes dagen in de week, een verhoogd risico geeft op de nekhernia. • Bus-, vrachtwagen-, taxi-, vuilniswagenchauffeurs en chauffeurs werkend in de haven een hoger risico te hebben op een nekhernia. Hieruit kan men afleiden dat het tillen van lasten met de bovenledematen geen extra risicofactor is voor het ontstaan van een nekhernia. (…). Volgens de voormalig leidinggevenden van [eiser] heeft hij de volgende werkzaamheden uitgevoerd: • productiemedewerker van 1998 t/m 2003 aan de schaar en inpakwerkzaamheden aan de Elektrolytische Vertin lijn 11. • heftruckchauffeur van 2004 t/m 2007 • vanaf 2008 bedieningsman lnspectiebaan 11. (bron: voormalig chef van de wacht [voormalig leidinggevende] ). Deze informatie klopt niet met de werkzaamheden, zoals [eiser] die omschrijft. Er vanuit gaande dat de informatie van zijn voormalige leidinggevenden correct is en [eiser] incidenteel tinanodes heeft gewisseld en geregeld, wordt het mijns inziens nog onwaarschijnlijker dat de nekhernia veroorzaakt is door tinanodes wisselen en regelen. In de vijf jaren voordat de nekhernia optrad was [eiser] namelijk werkzaam aan de schaar en de inpakkerij. Hierbij werden kleine enkele houten vlonders verplaatst om de geknipte plaatjes op te stapelen tot pakketten, die vervolgens met in gewicht gebalanceerd gereedschap werd ingepakt en gebundeld. Dit is handmatig werk, waarbij mogelijk overbelasting zou kunnen ontstaan door torderend tillen, maar dit heeft geen invloed op de nek. In de PMO-rapportage wordt niet geklaagd over fysiek zwaar werk.(…) Conclusie veiligheidskundige: Uit dit onderzoek is gebleken dat: • de werkplekken (genoemd in deel 1 en 2) waren ingericht binnen de voorschriften van de Arbowet. • er voorlichting en onderricht is gegeven om de werkzaam heden veilig en binnen de voorschriften van de Arbowet en Packaging uit te kunnen voeren. • het voor de arbeidsdeskundige niet aannemelijk is dat de fysieke belasting kan leiden tot een nekhernia, omdat de nekwervels bij deze werkzaamheden niet extra worden belast. • gezien het onderzoek gedaan door het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten, de genoemde werkzaam heden in deel 1 en 2 geen extra risicofactor vormen voor het ontstaan van een nekhernia. Samengevat Het lijkt niet aannemelijk dat er een relatie is tussen het ontstaan van de nekhernia bij [eiser] en de door hem uitgevoerde werkzaamheden bij Packaging. (…).’ 2.11. Bij brief van 8 april 2014 heeft [neuroloog] vastgesteld dat de (toegenomen) pijnklachten werden veroorzaakt door een wortelcompressie C6. 2.12. Bij brief van 13 mei 2014 heeft Cunningham Lindsey, thans Sedgwick namens Tata Steel de aansprakelijkheid afgewezen. 2.13. Op 9 april 2018 heeft [deskundige] (Prof M Ergonomics) in opdracht van [eiser] een rapportage vooronderzoek uitgebracht, waarin de volgende samenvatting is opgenomen: ‘[eiser] is van 1984 tot 2016 in dienst geweest van Tata Steel (voorheen Hoogovens en Corus Steel). Hij is zijn loopbaan begonnen bij de smelterij. Fysiek zwaar werk onder fysisch zware omstandigheden. Hierbij werd hij blootgesteld aan zware hand-armtrillingen, moest hij werken in ongunstige werkhoudingen en moest hij regelmatig in hitte werken. Van 1989 tot 2003 is [eiser] werkzaam geweest bij de elektrolytische vertinbaan 11, 12 en 13. Hier werkte hij als anoderegelaar en inpakker. Als anoderegelaar moest hij veel en zwaar tillen en dragen, waarbij de NIOSH normering meer dan twee maal werd overschreden. Ook werkte hij hier weer in ongunstige werkhoudingen. Er werd afgewisseld met de functie van inpakker, maar dit was niet volgens een vast rooster. Soms wisselde het per drie dagen, maar het kon ook gebeuren dat [eiser] maanden achtereen op dezelfde werkplek stond. Als inpakker verrichtte hij op vier verschillende stations werkzaamheden, waarbij er elk half uur werd gerouleerd. Het werk had hier een repeterend karakter, met name bij 18 en 28 inpak. Bij pallet en zijkant moest hij nog steeds tillen en zwaar trekken. In deze periode heeft [eiser] een nekhernia ontwikkeld, waarmee hij ook is uitgevallen. Nadat hij hersteld was is hij gere-integreerd in de functie van heftruckchauffeur. Hier heeft hij gewerkt van 2004 tot 2007 en is hij meerdere malen opnieuw uitgevallen met een nekhernia en nekklachten. De werkgever heeft [eiser] laten re-integreren in een functie die niet passend was en heeft hiermee niet adequaat gehandeld en de zorgplicht geschonden. De richtlijnen van het NCvB zijn overschreden en er is sprake van een beroepsziekte. Daarnaast blijkt uit meerdere instrumenten dat de fysieke belasting in zijn functie hoog was, waarbij er sprake is van knelpunten in de functie. De NIOSH-normering is veelvuldig overschreden. De werkgever heeft hiermee de zorgplicht geschonden.’ 2.14. Op 17 september 2018 heeft bedrijfsarts [bedrijfsarts] (hierna [bedrijfsarts] ), in opdracht van [eiser] een medisch advies uitgebracht, waarin – voor zover relevant – de volgende bevindingen zijn weergegeven: ‘- De gezondheidsschade bestaat uit pijnklachten in nek en linkerarm door degeneratieve afwijkingen aan de nek met versmalling van beide neuroforamina C5-C6 en compressie C6. Daarnaast heeft betrokkene in 2011 amyotrofische schouderneuralgie ontwikkeld, met blijvende beperkingen (atrofie) van de musculus infra spinatus. Door deze aandoeningen en beperkingen wordt betrokkene door het UWV volledig arbeidsongeschikt beschouwd. - Degeneratieve afwijkingen aan de nek (slijtage/hernia) worden in de literatuur in verband gebracht met nek belastende arbeidsomstandigheden. - Betrokkene is in zijn werk blootgesteld geweest aan nek belastende arbeidsomstandigheden. De volgende blootstellingscriteria zijn daarbij overschreden: Saltsacriteria registatierichtlijn D022; registratierichtlijn 0009 cervicaal radiculair syndroom; NIOSH til index; - Er is een duidelijke samenhang in tijd. De nek- en schouderklachten zijn ontstaan en toegenomen ten tijde van het dienstverband bij Tata. In april 2004 nemen de nek- en schouderklachten af, nadat hij enige tijd niet meer werkt. In 2006 ontstaan opnieuw toenemende nekklachten na rijden op de heftruck op een slechte vloer. Medio 2007/2008 is betrokkene onnodig blootgesteld geweest aan nek/armbelastende heftruckwerkzaamheden. Ondanks dat de bedrijfsarts had geadviseerd deze werkzaamheden niet meer aan te bieden, heeft de werkgever dit toch gedaan, met toenemende gezondheidsklachten als gevolg. - Andere oorzakelijke of bijdragende factoren zijn niet gedocumenteerd of voldoende uitgesloten. - Volgens de bedrijfsarts en volgens werkgever zijn de nekklachten in 2006 het gevolg van rijden op een slechte/hobbelende vloer. - Toepassing van betreffende NCVB registratierichtlijnen leidt tot de conclusie dat de nek- en schouderklachten en daaruit voortvloeiende beperkingen arbeidsgerelateerd zijn’. 2.15. Op 7 oktober 2019 heeft verzekeringsarts [verzekeringsarts] (hierna [verzekeringsarts] ) van Sedgwick, in opdracht van Tata Steel, een rapport uitgebracht op basis van dossieronderzoek. Daarin is – voor zover relevant – de volgende beschouwing opgenomen: ‘(…). Bedrijfsarts [bedrijfsarts] gaat zonder dat daar een objectief onderzoek aan ten grondslag ligt uit van een overmatige belastbaarheid. Dat wordt louter gebaseerd op een algemene inschat ting van de belasting in de werkzaamheden van betrokkene waaruit geenszins is gebleken dat de arbo-normen zijn overschreden bij de werkgever. Hoogstens kan dus worden geconcludeerd dat er uit de instrumenten van bedrijfsgeneeskundige oorsprong, bedoeld als middelen om preventieve maatregelen in kaart te brengen, blijkt dat de werkgever in samenspraak met de werkgever ingangen heeft te kunnen beoordelen of er mogelijkheden zijn tot risico verlagende maatregelen. Het zijn pertinent geen instrumenten bedoeld om medische causaliteit vast te stellen. Allereerst zal dus objectief moeten worden vastgesteld of en in hoeverre eventuele arbo normen zijn overschreden. Ik heb voor deze conclusie onvoldoende basis vanuit de beschikbaar gestelde informatie. Ook de diverse bedrijfsartsen melden dit niet in hun rapportages. Daar komt bij dat de beschreven afwijkingen aan de halswervelkolom ook niet objectief in medisch causaal verband te brengen zijn met de verrichte werkzaamheden. Niet alleen beschikken wij niet over een compleet medisch dossier inclusief de voorgeschiedenis, maar ook moet worden vastgesteld dat de afwijkingen alsmede klachten ook veelvuldig voorkomen in de algemene bevolking zonder bijvoorbeeld blootgesteld te zijn aan fysieke werkzaamheden. Tevens blijken de klachten met conservatieve maatregelen af te nemen en zelfs zodanig te herstellen dat de optie van re-integratie in werk als heftruckchauffeur mogelijk is gebleken. Betrokkene gaf zelfs aan dat het uitstekend ging. Dat er toch episoden met klachten zich herhaalden en uiteindelijk het minder verstandig werd geacht meer definitief te re integreren in werk als heftruckchauffeur betekent uiteraard niet dat de afwijkingen aan de halswervelkolom door het heftruckwerk zijn verergerd. Het is mij dan ook een raadsel waar mijn collega de stelligheid op baseert dat bedrijfsarts en werkgever het rijden op een hobbelige vloer hiervoor verantwoordelijk hebben gehouden. Men heeft bedoeld dat het rijden op een hobbelige vloer bij klachten van de nek minder verstandig is en daarom is ook uiteindelijk het heftruckwerk als optie weggevallen. De conclusies van de arbeidsdeskundige van het UWV zijn ook veel te gratuit en zijn makkelijk te trekken met de wetenschap van achteraf. (…). Al met al zijn er onvoldoende objectieve medische gronden voor een causaal verband tussen het ontstaan van de degeneratieve afwijkingen en hernia van de halswervelkolom en de werkzaamheden bij de werkgever. Vervolgens treden dan in 2011 klachten aan de schouder op berustend op een amyotrofi- sche schouderneuralgie. Bedrijfsarts [bedrijfsarts] schetst terecht dat de oorzaak van een dergelijk beeld niet met zekerheid is vast te stellen. De diverse mogelijkheden staan los van fysieke belasting en/of werkzaamheden. Dat er een artikel is waarin het beeld wordt beschreven bij fysieke belaste personen is niet alleen geen bewijs voor een causaal verband maar past ook niet eens bij het beloop zoals bij betrokkene daar hij in 2011 reeds langere tijd niet meer duurzaak zwaar fysiek belast werd in het werk. Het is mij dan ook een raadsel op basis waarvan bedrijfsarts [bedrijfsarts] de stelligheid baseert dat er uitgegaan moet worden van een causaal verband met de werkzaamheden. Daarbij maakt mijn collega een denkfout door uit de lijst factoren die vooraf kunnen gaan aan dit ziektebeeld te concluderen dat deze factoren ook de oorzaak zijn. In meer dan 50% van de gevallen wordt zelfs helemaal geen voorafgaande gebeurtenis, ziekte of handeling gevonden. Kortom, er is geen enkele reden om het ziektebeeld te relateren aan de werkzaamheden die betrokkene in 2011 verrichte bij Tata Steel. (…) Voor de volledigheid, ik ben dus van mening dat er onvoldoende medisch objectieve gronden zijn om de werkzaamheden verantwoordelijk te houden voor de ontwikkeling van de afwijkingen bij betrokkene die verklarend zijn voor de klachten door de jaren heen. Dit staat dus zelfs nog los van de ontbrekende stukken uit de voorgeschiedenis en het gegeven dat ook psychosociale factoren los van het werk interfererend hebben gewerkt op het welbevinden van betrokkene. 2.16. Op 11 februari 2020 heeft [naam] van expertise-bureau Adinex, in opdracht van Tata Steel een rapport van bevindingen uitgebracht over de werkomstandigheden bij de vertinlijn (anoderegelen) en als heftruckchauffeur. In het rapport is – voor zover relevant – de volgende conclusie opgenomen: ‘(…). Alle anodes hebben een gewicht van ca. 49 kg. (…). Wij hebben tijdens onze inspectie ter plaatste geconstateerd dat de werkwijze van het anode regelen (behoudens de voornoemde twee wijzigingen) identiek is als in de periode 1987-1009 toen deze werkzaamheden door [eiser] werden uitgevoerd. (…). In de periode 2004-2007 heeft [eiser] werkzaamheden verricht als heftruckchauffeur. (…). Met de heftruck werden werkzaamheden uitgevoerd in de vertinnerij, die is voorzien van goede vloeren. In de vertinnerij kon met de heftruck goed worden gedraaid, zodat achteromkijken werd voorkomen. Nadat [eiser] volledig was hersteld is hij definitief tewerkgesteld als heftruckchauffeur en zijn ook met de heftruck slechts enkele keren werkzaamheden uitgevoerd bij de beitsbaan/koudwals, met een minder goede vloer. Daar bij de beitsbaan/koudwals minder ruimte was om met de heftruck te rijden, moest hier achteruit worden gereden. Na enkele keren hier met de heftruck te hebben gewerkt, heeft [eiser] aangegeven dat dit toch te belastend was zodat de afspraak is gemaakt alleen nog met de heftruck in de vertinnerij te werken. Bij het werk als heftruckchauffeur is dus rekening gehouden dat voor [eiser] bij deze werkzaamheden het achteromkijken werd voorkomen om de belasting op diens nek te minimaliseren. (…). Op basis van onze bevindingen ter plaatse concluderen wij dat de omstandigheden arbeidsomstandigheden voor het anode regelen de destijds geldende NIOSH-normering niet hebben overschreden. Bij de werkzaamheden wordt slechts kortstondig getild met een gewicht van 17,7 kg waarbij de werknemer recht voor het op te tillen uiteinde van de anode staat waarbij bukken tijdens het tillen niet nodig is. De frequentie van deze handeling tijdens de ploegendienst is beperkt tot kortstondig 30 tot 60 keer in 8 uur. Door de lage frequentie en het lage tilgewicht kan dit niet leiden tot nekklachten. Hierbij merken wij nog op dat [eiser] in de periode 1996-2003 het werk van anode regelen niet meer heeft verricht. De toenmalige teamleiders ( [teamleider 1] , [teamleider 2] en [teamleider 3] ) bevestigen het bovenstaande dat vanaf 1996-2003 [eiser] niet meer is ingedeeld bij het anode regelen. 2.17. Op 1 mei 2020 heeft [naam] van expertise-bureau Adinex, in opdracht van Tata Steel een aanvullend rapport van bevindingen uitgebracht over de werkomstandigheden als inpakker. In het rapport is – voor zover relevant – de volgende conclusie opgenomen: ‘(…). Onderdeel van het werk als productiemedewerker van [eiser] was het verrichten van inpakwerkzaamheden, verricht van 1987 tot 2003. Het werk van de inpakker bestond uit verschillende taken en was gecombineerd met de kleine heftruck. Het knipproces werd bewaakt en ingesteld door een schaarman en daarnaast waren en vier werknemers die elkaar van de uit te voeren werkzaamheden regelmatig aflosten. (…) Werkomstandigheden: Het is van belang dat het werk van de inpakker uit verschillende taken bestond die door de vier werknemers werden afgewisseld. Naast het rijden met de kleine heftruck werd per wacht van acht uur ongeveer 6x een half uur een vlonder van de stapel gepakt en op het andere bordes neergelegd en vervolgens in de stapelaar geschoven en werd 6x een half uur het pakket met geknipte platen ingepakt. Hierbij is het eveneens van belang dat per half uur maximaal 10 pakketten met geknipte platen worden geproduceerd (één vlonder per pakket) zodat het aantal vlonders dat per half uur werd getild door de stapelaar maximaal 10 was (één vlonder per drie minuten). De tilbelasting was tijdens deze werkzaamheden beperkt te noemen: enerzijds werd tijdens een wacht van acht uur ongeveer 6x een half uur vlonders getild en anderzijds was het tillen niet frequent, maar ongeveer één vlonder per drie minuten in het half uur als stapelaar. Daarnaast is het gewicht van de vlonders 9,1, 12,6 of 16 kg waarbij de grootste vlonder van ca. 16 kg niet vaak wordt toegepast. Conclusie Op basis van onze bevindingen concluderen wij dat de arbeidsomstandigheden voor de inpakwerkzaamheden de destijds geldende NIOSH-normering niet hebben overschreden’. 3De vordering 3.1. [eiser] vordert dat de kantonrechter, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voor recht verklaart dat Tata Steel ex artikel 7:658 BW aansprakelijk is voor de schade van [eiser] , met veroordeling van Tata Steel tot vergoeding van zijn materiële en immateriële schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, alsmede voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, tot betaling van: 1. een bedrag van € 35.000,- als voorschot op de (materiële en immateriële) schade; 2. de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de nakosten ad € 131,- en de wettelijke rente vanaf 2 weken na vonniswijzing. 3.2. [eiser] legt aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat Tata Steel op grond van artikel 7:658 BW aansprakelijk is voor de schade die hij tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden heeft geleden. Door zware fysiek belastende werkzaamheden in de smelterij en bij de elektrolytische vertinlijn, heeft [eiser] blijvende gezondheidsklachten (nekklachten en nekhernia) gekregen. Tata Steel had dit kunnen voorkomen door de (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.