RECHTBANK NOORD-HOLLAND Handel, Kanton en Bewind locatie Alkmaar Zaaknr./rolnr.: 8707308 \ CV EXPL 20-4044 (BV/WT) Uitspraakdatum: 25 november 2020 Vonnis van de kantonrechter in de zaak van: 1.- [eiseres 1] wonende te [woonplaats] 2.- [eiseres 2] wonende te [woonplaats] eiseressen verder te noemen: [eiseres 1] en [eiseres 2] gemachtigde: mr. W. Matadien, advocaat te Amsterdam tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde] Advies Administratiekantoor B.V. gevestigd te [vestigingsplaats] gedaagde verder in mannelijk enkelvoud te noemen: [gedaagde] verschenen bij haar directeur H. [gedaagde]. 1Het procesverloop 1.
- [eiseres 1] en [eiseres 2] hebben bij dagvaarding met producties van 5 augustus 2020 een vordering tegen [gedaagde] ingesteld. [gedaagde] heeft schriftelijk geantwoord. 1.
- Op 26 oktober 2020 heeft via Skype een zitting plaatsgevonden waar met behulp van een digitale verbinding zijn verschenen: [eiseres 1] (mede namens [eiseres 2]) en haar gemachtigde mr. Matadien, en [gedaagde]. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. De gemachtigde van [eiseres 1] en [eiseres 2] heeft gebruik gemaakt van pleitaantekeningen, die zijn overgelegd. Voorafgaand aan de zitting heeft de gemachtigde van [eiseres 1] en [eiseres 2] bij brief van 13 oktober 2020 nog stukken toegezonden. 2De vordering 2.
- [eiseres 1] en [eiseres 2] vorderen dat de kantonrechter [gedaagde] veroordeelt tot betaling van € 7.578,
- Dit bedrag is opgebouwd uit een hoofdsom van € 6.703,00 en een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten van € 875,
- Ook vorderen [eiseres 1] en [eiseres 2] de door de Belastingdienst gehanteerde rente en veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten en de nakosten. 2.
- [eiseres 1] en [eiseres 2] leggen aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat [gedaagde] in opdracht van [eiseres 2] advies werkzaamheden heeft verricht onder meer met betrekking tot het belastingvrij schenken van een bedrag aan [eiseres 1] als dochter van [eiseres 2], met als doel gebruik te maken van de fiscale mogelijkheden en het voldoen van schenkbelasting te voorkomen. [gedaagde] heeft [eiseres 2] hierover geadviseerd en tevens de aangifte bij de Belastingdienst gedaan. 2.
- Op 19 september 2019 heeft [eiseres 1] een brief ontvangen van de Belastingdienst betreffende een voornemen om af te wijken van de aangifte schenkbelasting voor de schenking van [eiseres 2] aan [eiseres 1]. [eiseres 2] bleek alsnog een bedrag van € 3.225,00 (later verhoogd tot € 6.703,00) aan schenkbelasting verschuldigd te zijn omdat er reeds in 2008 een schenking had plaatsgevonden. Dit is in strijd met de mededelingen en het advies van [gedaagde] die had aangegeven dat [eiseres 2] geen schenkbelasting verschuldigd zou zijn. 2.
- [gedaagde] is hiermee tekortgeschoten in zijn advisering op grond van artikel 6:74 van het Burgerlijk Wetboek dan wel heeft hij onrechtmatig gehandeld jegens [eiseres 2] en/of [eiseres 1] op grond van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek. Nu [gedaagde] al eerder belastingaangiften en advieswerkzaamheden voor [eiseres 2] had verzorgd had hij kunnen weten van de eerdere schenking. Hij had in ieder geval moeten nagaan of er eerdere schenkingen waren. [eiseres 2] acht [gedaagde] dan ook aansprakelijk voor de schade die uit de onjuiste advisering voortvloeit in de vorm van een aanslag schenkbelasting die voor rekening van [gedaagde] moet komen. 2.
- Ondanks herhaalde ingebrekestelling weigert [gedaagde] de verschuldigde bedragen te voldoen. [eiseres 1] en [eiseres 2] hebben hun gemachtigde moeten inschakelen om betaling van [gedaagde] te verkrijgen. Hierdoor is [gedaagde] ook buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd. 3Het verweer 3.
- [gedaagde] betwist de vordering en stelt dat deze moet worden afgewezen. Hij voert aan – kort samengevat – dat [eiseres 2] aan hem kenbaar had moeten maken dat er al een schenking was gedaan in
- [eiseres 2] heeft die informatie niet verstrekt en heeft ook geen kopie van deze schenking verstrekt. [gedaagde] betwist dat hij van de eerdere schenking moest weten, omdat deze vóór 2017 is gebeurd. Er is geen bewaarplicht maar in verband met vragen vanuit de belastingdienst bewaart [gedaagde] de stukken maximaal 5 jaar. Hier ligt er 9 jaar tussen, aldus [gedaagde]. 3.
- [gedaagde] kan daarom niet aansprakelijk worden gesteld voor de onjuiste aangifte. 3.
- Voor zover van belang zal op het verweer van [gedaagde] hierna bij de beoordeling nog nader worden ingegaan. 4De beoordeling 4.
- Vast staat dat tussen [gedaagde] en [eiseres 2] een overeenkomst van opdracht tot stand is gekomen waarbij [gedaagde] fiscaal advies heeft gegeven met betrekking tot het belastingvrij schenken van een bedrag aan [eiseres 1] als dochter van [eiseres 2]. [gedaagde] was bekend met de bedoeling van [eiseres 2] het voldoen van schenkbelasting te voorkomen. 4.
- De vraag die moet worden beantwoord is of [gedaagde] te werk is gegaan zoals een redelijk handelend en redelijk bekwaam adviseur dat zou hebben gedaan. De kantonrechter oordeelt dat dat dat niet het geval is. Zij overweegt als volgt. 4.
- Niet in geschil is dat het verschuldigd zijn van schenkbelasting het gevolg is van de schenking die [eiseres 2] aan haar dochter [eiseres 1] heeft gedaan in
- [gedaagde] heeft hier in de advisering geen rekening mee gehouden. [eiseres 2] is niet deskundig op het gebied van belasting, wist dit niet en hoefde dit niet te weten. Het was aan [gedaagde] om haar op dat vlak deskundig te adviseren. Die advisering houdt niet alleen in het op verzoek invullen van een aangifte, maar ook het actief bevragen van [eiseres 2] over eventueel in het verleden gedane schenkingen aan haar dochter, aangezien die van invloed kunnen zijn op de (vrijstellingen van) de te betalen schenkbelasting. Dat heeft [gedaagde] nagelaten. Het advieswerk van [gedaagde] is onzorgvuldig geweest. Dat niet [gedaagde] maar een fiscaal medewerker van zijn kantoor de aangifte van [eiseres 2] heeft verzorgd, en dat een dergelijke aangifte maar drie keer per jaar voorkomt, zoals [gedaagde] ter zitting stelt, maakt dit niet anders. [gedaagde] is toerekenbaar tekort geschoten in de nakoming van de overeenkomst van opdracht jegens [eiseres 2] en zal de hierdoor door haar geleden schade moeten vergoeden. De kantonrechter is van oordeel dat die schade bestaat uit het door [eiseres 2] te betalen bedrag aan schenkbelasting. Dat dit een bedrag van € 6.703,00 betreft is niet in geschil. Tevens betwist [gedaagde] niet dat dit bedrag door de Belastingdienst nu correct is vastgesteld. De kantonrechter acht voorts de stelling van [eiseres 2] aannemelijk dat indien op voorhand duidelijk was geweest dat de schenkbelasting moest worden betaald, van de schenking was afgezien dan wel dat deze op een andere manier en/of op een ander tijdstip had plaatsgevonden ten einde het voldoen van schenkbelasting te voorkomen. Dit heeft [gedaagde] ook niet gemotiveerd betwist. 4.
- Gelet op het vorenstaande zal de vordering van [eiseres 2] worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde rente als hierna vermeld nu hiertegen geen zelfstandig verweer is gevoerd. 4.
- Ook de buitengerechtelijke incassokosten zullen worden toegewezen, nu uit de overgelegde stukken blijkt van voldoende werkzaamheden die deze kosten rechtvaardigen. De buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen tot een bedrag van € 859,28 volgens het wettelijke tarief dat hoort bij de hoofdsom waartoe [gedaagde] zal worden veroordeeld. 4.
- De proceskosten van [eiseres 2] komen voor de helft voor rekening van [gedaagde], omdat hij jegens [eiseres 2] (en niet jegens [eiseres 1]) ongelijk krijgt. Daarbij wordt [gedaagde] ook veroordeeld tot betaling van € 120,00 aan nasalaris, voor zover daadwerkelijk nakosten door [eiseres 2] worden gemaakt. 4.
- De vordering van [eiseres 1] wordt afgewezen. [eiseres 1] is geen partij bij de overeenkomst van opdracht. [eiseres 1] baseert haar vordering op een onrechtmatige daad. Echter, naar het oordeel van de kantonrechter heeft [eiseres 1] onvoldoende gesteld om te kunnen oordelen dat [gedaagde] jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld en op die grond schadeplichtig is Daar komt bij dat, zoals volgt uit de aangifte schenkbelasting onder 6c, [eiseres 2] de schenkbelasting betaalt. In die zin heeft [eiseres 1] geen schade geleden. 4.
- De proceskosten van [gedaagde] betreffende de vordering van [eiseres 1] komen voor rekening van [eiseres 1]. Niet is echter gebleken dat [gedaagde] proceskosten heeft gemaakt. 5De beslissing De kantonrechter: 5.
- wijst de vordering van [eiseres 1] af; 5.
- veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiseres 2] van € 6.703,00, te vermeerderen met de door de Belastingdienst gehanteerde rente daarover tot aan de dag van de gehele betaling; 5.
- veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiseres 2] van € 859,28 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 augustus 2020 tot aan de dag van algehele betaling; 5.
- veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten van [eiseres 2], die de kantonrechter aan de kant van [eiseres 2] tot en met vandaag vaststelt op: dagvaarding € 50,45 griffierecht € 118,00 salaris gemachtigde € 300,00; 5.
- veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiseres 2] van € 120,00 aan nasalaris, voor zover daadwerkelijk nakosten door [eiseres 2] worden gemaakt. 5.
- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad; 5.
- wijst de vordering van [eiseres 2] voor het overige af. Dit vonnis is gewezen door mr. B. Voogd en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier. De griffier De kantonrechter