RECHTBANK NOORD-HOLLAND Handel, Kanton en Insolventie locatie Haarlem Zaaknr./rolnr.: 8244318 \ CV EXPL 19-19962 Uitspraakdatum: 25 november 2020 Vonnis van de kantonrechter in de zaak van: 1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [eiseres 1], gevestigd te [plaats] 2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [eiseres 2], gevestigd te [plaats] 3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [eiseres 3], gevestigd te [plaats] eisers verder gezamenlijk te noemen: [eiseres 1] c.s. en afzonderlijk te noemen: [eiseres 1] , [eiseres 2] en [eiseres 3] gemachtigde: mr. M.G. Spijker tegen 1 [gedaagde 1] , wonende te [plaats] 2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde 2] gevestigd te [plaats] gedaagden verder gezamenlijk te noemen: [gedaagde 1] c.s. en afzonder te noemen: [gedaagde 1] en [gedaagde 2] gemachtigde: mr. J.M. Eisma 1Het procesverloop 1.1. [eiseres 1] c.s. hebben bij dagvaarding van 25 november 2019 een vordering tegen [gedaagde 1] c.s. ingesteld. [gedaagde 1] c.s. hebben schriftelijk geantwoord en daarbij een tegenvordering ingediend. 1.2. [eiseres 1] c.s. hebben hierop schriftelijk gereageerd, waarna [gedaagde 1] c.s. een schriftelijke reactie hebben gegeven. [eiseres 1] c.s. hebben vervolgens nog schriftelijk gereageerd in de zaak van de tegenvordering. 2De feiten 2.1. [eiseres 1] verricht wereldwijd werkzaamheden in het goederenvervoer. 2.2. [eiseres 1] is bij akte van oprichting van 24 januari 2018 (hierna: de Oprichtingsakte) opgericht door drie B.V’s: [gedaagde 2] , [eiseres 2] en [eiseres 3] . Bij de oprichting van [eiseres 1] zijn 1500 aandelen geplaatst. [gedaagde 2] , [eiseres 2] en [eiseres 3] bezitten ieder 500 aandelen. 2.3. [gedaagde 1] is algemeen directeur, enig aandeelhouder en zelfstandig bevoegd bestuurder van [gedaagde 2] . [bestuurder eiseres 2] (hierna: [bestuurder eiseres 2] ) is enig aandeelhouder en zelfstandig bevoegd bestuurder van [eiseres 2] . [bestuurder eiseres 3] (hierna: [bestuurder eiseres 3] ) is enig aandeelhouder en zelfstandig bevoegd bestuurder van [eiseres 3] . 2.4. In de Oprichtingsakte is opgenomen dat [gedaagde 2] voor de eerste maal bestuurder is van [eiseres 1] Verder staat in de Oprichtingsakte onder meer: ‘(…) Bestuur Artikel 16 (…) 2. Bestuurders worden door de algemene vergadering benoemd en kunnen te allen tijde door de algemene vergadering worden geschorst en ontslagen. (…) Vertegenwoordiging Artikel 17 Het bestuur vertegenwoordigt de vennootschap. De bevoegdheid tot vertegenwoordiging komt slechts toe aan: a. iedere bestuurder met de titel algemeen directeur afzonderlijk; b. twee gezamenlijk handelende bestuurders. (…) Bijzondere besluiten Artikel 27 1. Besluiten tot wijziging van deze statuten of tot ontbinding van de vennootschap kunnen slechts worden genomen in een algemene vergadering, waarin ten minste twee derden van het geplaatste kapitaal vertegenwoordigd is, met een meerderheid van ten minste drie vierden van de uitgebrachte stemmen. (…) Ontbinding Artikel 29 1. Na ontbinding van de vennootschap geschiedt de vereffening door de bestuurders, tenzij de algemene vergadering anders bepaalt. (…) 3. Hetgeen na de voldoening van de schuldeisers van het vermogen van de ontbonden vennootschap is overgebleven wordt uitgekeerd aan de aandeelhouders in verhouding tot ieders bezit in aandelen. 4. De vennootschap blijft na haar ontbinding voortbestaan voor zover dit tot vereffening van haar vermogen nodig is. (…)’ 2.5. Op een e-mail van [bestuurder eiseres 2] van 26 maart 2018 aan de accountant van [eiseres 1] , [accountant] (hierna: de Accountant), met [gedaagde 1] in de cc, waarin wordt verzocht om een uitleg ‘hoe het geregeld moet worden met de salaris of fee uitbetaling aan [gedaagde 1] . Hij heeft momenteel geld nodig omdat zijn kosten uiteraard gewoon doorlopen’ heeft de Accountant gereageerd: ‘(…) Bedrag overmaken naar [gedaagde 1] onder noemer voorschot fee. Ik begreep dat een maandbedrag van ca. € 2.500 nodig is op dit moment. Dit mag naar zijn privé rekening. Verzoek echter zsm zakelijke rekening voor BV te openen. Daar wordt dan maandelijkse fee vanuit [eiseres 1] bedrag naar overgemaakt en ook weer netto-salaris uitbetaald aan [gedaagde 1] privé. Het is zaak om, in overleg, de hoogte van de fee en het salaris te bepalen. (…)’ 2.6. Bij e-mail van 5 juni 2019 heeft de Accountant aan [bestuurder eiseres 2] , [bestuurder eiseres 3] en [gedaagde 1] geschreven: ‘(…) Er worden door [gedaagde 1] cq [gedaagde 2] (…) bedragen opgenomen vanaf maart 2018 ter grootte van € 2.500 per maand. Tot heden is er € 37.500 opgenomen. Deze bedragen zijn geboekt in de rekening-courant [gedaagde 2] (…) en betreffen dus nu feitelijk een vordering van [eiseres 1] op [gedaagde 2] (…). Om deze als managementfee ten laste van het resultaat te brengen zullen deze bedragen door [gedaagde 2] (…) gefactureerd moeten worden aan [eiseres 1] . Daarbij komt ook de omzetbelasting om de hoek. Over deze fee zal door [gedaagde 2] (…) BTW afgedragen moeten worden. (…) Met het sturen van de facturen kan dan de vordering op [gedaagde 2] (…) worden weggewerkt. [gedaagde 1] dient er daarbij wel rekening mee te houden dat er (tot heden) € 6.508 BTW moet worden afgedragen. (…)’ 2.7. Bij brief van 26 juni 2019 is [gedaagde 2] namens [eiseres 2] en [eiseres 3] uitgenodigd voor een algemene vergadering van aandeelhouders (hierna: AVA) op 5 augustus 2019 met als agendapunten: - het schorsen en ontslaan van [gedaagde 2] als bestuurder van [eiseres 1] ; - de beëindiging c.q. ontbinding van [eiseres 1] Deze AVA heeft uiteindelijk geen doorgang gevonden. 2.8. Op 3 juli 2019 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen alle aandeelhouders van [eiseres 1] en de Accountant om afspraken te maken over de beëindiging van [eiseres 1] In dit gesprek heeft [gedaagde 1] aangegeven de activiteiten van [eiseres 1] voort te willen zetten met andere partijen en de mogelijkheden daartoe te willen verkennen. 2.9. Op 24 juli 2019 stond een vervolggesprek gepland tussen de aandeelhouders en de Accountant, welk gesprek [gedaagde 1] heeft geannuleerd. Uit de verslaglegging van de bijeenkomst van 24 juli 2019, welke diezelfde dag per e-mail aan [gedaagde 1] is toegestuurd, staat onder meer: [gedaagde 1] dient nog facturen voor zijn ontvangen voorschotten aan fee’s ad €38.750 te versturen naar de BV. Daarmee komt het resultaat vanaf aanvang activiteiten tot heden ca. op €0,-- uit. De BV heeft dan nog o.a. openstaande facturen (declaraties) naar [gedaagde 1] ad. €2.233,32 en een openstaande schuld naar [rechtspersoon X] ad. € 5.738,61. Zoals genoemd er zijn geen liquiditeiten beschikbaar voor betalingen. Dit geldt ook voor de fee over de maand juli. Op grond hiervan is het voorstel gedaan om de huurauto per 1 augustus 2019 in te leveren. Dit geldt ook voor de brandstofpas. Dringend advies aan alle partijen om geen gelden te onttrekken aan de onderneming om een faillissement te voorkomen. Zodra [gedaagde 1] meer weet over vervolg afspraak inplannen voor verdere afwikkeling. (…)’ 2.10. [gedaagde 1] heeft daarop bij e-mail van 31 juli 2019 gereageerd: ‘(…) na het gesprek in july ben ik in paniek geraakt niet wetende wat zo snel te doen. Ik ben in gesprek met een aantal gegadigden gegaan om samen door te gaan (…). Deze week afgereist naar uk en daar een gesprek en bezig met een busnissplan te maken. En daarvoor al in italie gesproken met een mogelijke kandidaat en heb nog een tweetal die geinteresseerd zijn! Ik zou (…) graag wel door willen gaan maar weet nog niet in welke vorm dat zal ik komende weken laten weten (…) Maar in september zijn er redelijk wat dingen te doen en zou daarmee redelijk wat geld kunnen verdienen (…) Dus ik zou willen vragen mij respijt te geven t/m september (totdat de notas betaald zijn) om zoveel mogelijk te regelen en af te handelen en samen tot een goede oplossing te komen om of [eiseres 1] over te nemen of geheel af te sluiten. (…)’ 2.11. Bij e-mail van 31 juli 2019 heeft de gemachtigde van [eiseres 1] c.s. aan [gedaagde 1] , [bestuurder eiseres 2] , [bestuurder eiseres 3] en de Accountant geschreven: ‘(…) [gedaagde 1] heeft (…) aangegeven te willen meewerken met de afwikkeling van [eiseres 1] (…) [gedaagde 1] gaat akkoord met de door de heren [bestuurder eiseres 3] en [bestuurder eiseres 2] voorgestelde punten van afwikkeling van [eiseres 1] dat: - Hij bij de te plannen AVA zal instemmen met ontbinding van [eiseres 1] of dat hij de aandelen van [bestuurder eiseres 3] en [bestuurder eiseres 2] zal overnemen tegen € 1,- per partij; - Hij zal meewerken aan vereffening van de schulden en gelijkmatige verdeling van het restant onder de aandeelhouders (bij positief eindsaldo zal dat een uitbetaling inhouden en bij negatief saldo moet er worden bijgestort); - De kosten voor gebruik van de auto en de tankpas vanaf 1 augustus 2019 voor rekening van de heer [gedaagde 1] komen; - Het gebruik van de bankrekening beperkt is tot de gebruikelijke bedrijfsvoering. Als één der aandeelhouders/bestuurders ongeoorloofde onttrekkingen doet van de gezamenlijke bankrekening, dan is hij daarvoor in beginsel persoonlijk aansprakelijk; - Er een nieuwe AVA zal worden uitgeroepen, waarbij [gedaagde 1] zal instemmen met bovenstaande punten. Zoals gezegd verzoek ik de heer [gedaagde 1] om zich per e-mail uitdrukkelijk akkoord te verklaren met bovenstaande punten. (…)’ 2.12. Als reactie op voorgaande e-mail heeft [gedaagde 1] bij e-mail van 2 augustus 2019 geschreven: ‘(…) Ik ga accoord zoals met de afwikkeling van [eiseres 1] zoals gemeld maar heb wel nog wat punten waar ik met derden mee bezig ben wat betreft overname en vorm etc, zoals in mijn mail aan de heren heb gemeld. (…)’ 2.13. Op 28 augustus 2019 heeft een AVA plaatsgevonden. In de naar aanleiding daarvan opgemaakte, niet ondertekende, notulen staat onder meer: ‘(…) Met algemene stemmen wordt besloten om: De aandelen van [eiseres 2] (…) en [eiseres 3] (…) per 1 oktober 2019, elk voor € 1,-- (…) over te dragen aan [gedaagde 2] (…). Met ingang van 1 oktober 2019 zal als enig bestuurder optreden [gedaagde 2] (…). Hiertoe zal een eindbalans worden opgemaakt per 30 september 2019. De verplichtingen hieruit, alsmede de nieuwe verplichtingen per 1 oktober 2019 komen voor rekening van [gedaagde 2] (…). Partijen hebben afgesproken tot 1 oktober 2019 geen langlopende verplichtingen aan te gaan. (…)’ 2.14. Bij e-mail van 23 september 2019 heeft [bestuurder eiseres 2] aan (onder andere) [gedaagde 1] geschreven: ‘(…) In de laatste AvA heb jij nogmaals duidelijk gemaakt dat jij de aandelen (…) over te willen nemen. Toen is er door mij zéér duidelijk gemaakt dat de hele overname geregeld moest zijn voordat ik naar Roemenië zou vetrekken, dan hebben we vanaf nu nog precies 4 uur de tijd. Hoe lang moet dit nog gerekt worden? (…)’ 2.15. Bij e-mail van 24 september 2019 heeft [gedaagde 1] aan [bestuurder eiseres 2] , [bestuurder eiseres 3] en de Accountant geschreven: ‘(…) In de laatste AVA heb ik alleen gezegd dat ik overweeg om de aandelen over te nemen en meer niet. Daarbij is van belang een eerlijke en evenredige kostenverdeling. (…)’ 2.16. Bij e-mail van 27 september 2019 heeft [gedaagde 1] aan [eiseres 1] c.s. geschreven: ‘(…) Er is gesproken over een mogelijke overname van de aandelen (…) en een mogelijke overnametermijn, maar er is niets concreets afgesproken over een aandelenovername of afwikkeling. Waarschijnlijk waren de gesprekken hierover niet duidelijk en is er een misverstand ontstaan. (…) De door jullie opgestelde concept-notulen van de algemene vergadering (…) van 28 augustus 2019 zijn dan ook onjuist. Ik was en ben niet akkoord met deze concept-notulen die niet rechtsgeldig zijn ondertekend. (…)’ 2.17. Bij e-mail van 29 september 2019 heeft [gedaagde 1] aan [bestuurder eiseres 2] , [bestuurder eiseres 3] en de Accountant geschreven – samengevat – dat van een rechtsgeldig aandeelhoudersbesluit op 28 augustus 2019 geen sprake is. Daarbij heeft [gedaagde 1] de concept jaarrekening van [eiseres 1] voor het boekjaar 2018 en een concept tussentijdse jaarrekening van [eiseres 1] voor het boekjaar 2019 tot en met 30 september 2019 opgevraagd, om ‘te beoordelen of een mogelijke aandelenovername voor mij interessant is (…)’. 2.18. Bij e-mail van 30 september 2019 heeft de Accountant aan [gedaagde 1] geschreven: ‘(…) Bijgaand zoals zojuist besproken de auditfiles 2018 en 2019 tot heden. Zoals aangegeven, er is sprake van een verlengd boekjaar, waardoor er pas in 2020 een jaarrekening gemaakt zou worden over jaar 2018/2019. In verband met de besparing van kosten is het derhalve niet raadzaam een tussentijdse jaarrekening op te maken. Uiteraard zal er een interne overnamebalans worden opgemaakt aan de hand van de bijgaande administratie, waardoor de posities voor eenieder helder zijn. (…)’ 2.19. Op 9 oktober 2019 heeft een AVA plaatsgevonden. In de naar aanleiding daarvan opgemaakte, niet ondertekende, notulen staat onder meer: ‘(…) Door [eiseres 2] (…) en [eiseres 3] zijn de aandelen aangeboden voor € 1,-- per partij. Door (…) [gedaagde 1] van [gedaagde 2] (…) wordt aangegeven dit aanbod niet te accepteren. (…) komt de ontbinding van de vennootschap aan de orde. Op grond van artikel 27 van de statuten is hiervoor een drie vierden meerderheid van de stemmen nodig. (…) [eiseres 2] (…) en [eiseres 3] (…) stemmen voor ontbinding, (…) [gedaagde 2] (…) stemt tegen ontbinding. Hiermee wordt niet voldaan aan de voorwaarden van artikel 27. Er wordt gestemd over het schorsen en ontslaan van [gedaagde 2] (…) als bestuurder. [eiseres 2] (…) en [eiseres 3] (…) stemmen hier voor. [gedaagde 2] (…) stemt tegen. De volgens de statuten vereiste meerderheid is voor, waarmee dit voorstel ten uitvoer wordt gebracht en [gedaagde 2] (…) per direct wordt ontslagen als bestuurder. (…)’ 2.20. Bij e-mail van 13 oktober 2019 heeft [gedaagde 1] aan de Accountant en [bestuurder eiseres 2] geschreven: ‘(…) [gedaagde 2] (…) niet ingestemd met het ongegronde besluit om haar te ontslaan als bestuurder (…). ik sinds 1 maart 2019 (…) op grond van een (mondelinge) arbeidsovereenkomst als werknemer in loondienst ben en blijf bij [eiseres 1] (…) Ik ben en blijf bereid en beschikbaar om arbeid te verrichten voor [eiseres 1] BV. Daarom verzoek ik jullie – en voor zover nodig sommeer ik jullie (…) – om vanaf 1 november 2019 elke maand mijn gebruikelijke maandelijkse loon uit te betalen. (…)’ 2.21. Bij beschikking van 28 oktober 2019 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland aan [eiseres 1] verlof verleend voor het leggen van conservatoir beslag ten laste van de woning en de auto’s van [gedaagde 1] . 2.22. Namens [gedaagde 1] is bij brief van 8 november 2019 onder meer aan de gemachtigde van [eiseres 1] c.s. geschreven: ‘(…) Op grond van de onduidelijke financiële situatie van [eiseres 1] (…), de belastingschulden van [eiseres 1] (…) en andere mogelijke niet-betaalde vorderingen op [eiseres 1] (…) heeft mijn cliënt onlangs besloten om [eiseres 1] (…) niet over te nemen. (…)’ 3De vordering 3.1. [eiseres 1] c.s. vorderen – na vermeerdering van de eis – dat de kantonrechter: I. [gedaagde 2] veroordeelt tot nakoming van de overeenkomst tussen partijen om haar volledige en onvoorwaardelijke medewerking te verlenen aan ontbinding van [eiseres 1] binnen 14 dagen na het te wijzen vonnis, op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag dat [gedaagde 2] in gebreke blijft om mee te werken aan deze ontbinding door: - het meewerken aan het nemen van het ontbindingsbesluit bij AVA; - het meewerken aan afwikkeling en beëindiging van lopende contracten; - het meewerken aan vereffening van de schulden en gelijkmatige verdeling van het restant onder de aandeelhouders (bij positief eindsaldo zal dat een uitbetaling inhouden en bij negatief saldo moet er worden bijgestort;) - het doen van een slotaangifte bij de Belastingdienst; - het uitschrijven van [eiseres 1] bij de Kamer van Koophandel (KvK); Indien [gedaagde 2] weigert haar medewerking te verlenen aan de ontbinding, verzoeken [eiseres 1] c.s. de kantonrechter om te bepalen dat het te wijzen vonnis in de plaats treedt van de rechtshandelingen die [gedaagde 2] moet verrichten om tot ontbinding, afwikkeling van contracten en uitschrijving van [eiseres 1] bij de KvK over te gaan, zodat zij de noodzakelijke handelingen kan verrichten; II. [gedaagde 2] veroordeelt tot het verstrekken van deugdelijke facturen aan [eiseres 1] , binnen 14 dagen na het te wijzen vonnis, voor de door haar ontvangen maandelijkse managementfee ad € 2.066,12 exclusief btw, derhalve € 2.500,00 inclusief btw, per maand over de maanden maart 2018 tot en met juni 2019, subsidiair tot 9 oktober 2019, op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag dat [gedaagde 2] in gebreke blijft om dergelijke facturen te verstrekken; III. [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] veroordeelt om aan [eiseres 1] te betalen een bedrag van € 22.837,64 ter zake van ten onrechte aan [eiseres 1] onttrokken gelden, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag dat de gelden zijn overgeboekt; IV. [gedaagde 1] veroordeelt tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van € 1.083,31; V. [gedaagde 1] veroordeelt in de kosten voor het conservatoire beslag van € 570,21 alsmede (in geval van niet verrekening) € 639,00 aan griffierechten; VI. [gedaagde 1] c.s. hoofdelijk veroordeelt in de proces- en nakosten. 3.2. [eiseres 1] c.s. leggen aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat [gedaagde 2] , vertegenwoordigd door [gedaagde 1] , akkoord is gegaan met het voorstel van de andere aandeelhouders om [eiseres 1] te ontbinden, dan wel dat [gedaagde 2] de aandelen van [eiseres 2] en [eiseres 3] zou overnemen tegen betaling van € 1,00 per partij. Van meet af aan heeft [gedaagde 1] kenbaar gemaakt hieraan medewerking te zullen verlenen. Op 8 november 2019 maakt [gedaagde 1] duidelijk dat hij [eiseres 1] niet wenst over te nemen. Gelet op de tussen partijen gemaakte afspraken is [gedaagde 1] c.q. [gedaagde 2] gehouden om medewerking te verlenen aan de ontbinding van [eiseres 1] [gedaagde 1] heeft een bedrag van € 22.837,64 op oneigenlijke gronden uit [eiseres 1] onttrokken. Iedere rechtsgrond voor de door [gedaagde 1] verrichte overboekingen ontbreekt, zodat sprake is van onverschuldigde betaling van [eiseres 1] aan [gedaagde 1] . Daarbij zijn de betalingen verricht nadat tussen de aandeelhouders op 3 juli 2019 gezamenlijk is afgesproken dat er geen verdere kosten door [eiseres 1] zullen worden gemaakt met het oog op de aanstaande beëindiging van de onderneming. Indien geoordeeld wordt dat voornoemde afspraak niet is gemaakt, dan heeft te gelden dat [gedaagde 1] er per e-mail van 2 augustus 2019 mee heeft ingestemd dat de kosten voor gebruik van de auto en tankpas vanaf 1 augustus 2019 voor zijn rekening komen. [gedaagde 1] is op grond van de tussen partijen gemaakte afspraken persoonlijk aansprakelijk voor ongeoorloofde onttrekkingen van de gezamenlijke bankrekening. De maandelijkse overboekingen van € 2.500,00 aan [gedaagde 1] , althans [gedaagde 2] , betreffen managementfee’s waarvan btw moet worden afgedragen door [gedaagde 2] . 4Het verweer en het tegenverzoek 4.1. [gedaagde 1] c.s. betwisten de vordering. Zij voeren daartoe – samengevat – aan dat tussen partijen geen sprake is geweest van een managementovereenkomst, maar van een arbeids- overeenkomst tussen [eiseres 1] en [gedaagde 1] , en evenmin van het verrichten van onrechtmatige betalingen door [gedaagde 1] c.s. vanuit [eiseres 1] De bedragen die vanuit [eiseres 1] aan [gedaagde 1] zijn overgemaakt hebben betrekking op de maandelijkse salarisbetalingen. [eiseres 1] c.s. zijn in gebreke te voldoen aan de wettelijke verplichting tot vaststelling en openbaarmaking van de jaarrekeningen 2018 en 2019 en die voor goedkeuring aan de AVA voor te leggen. [gedaagde 1] c.s. kunnen slechts meewerken aan ontbinding van [eiseres 1] indien uit de jaarstukken 2018 en 2019 blijkt dat geen benadeling van schuldeisers heeft plaatsgevonden. Van een ontbindingsbesluit is geen sprake. 4.2. [gedaagde 1] c.s. vorderen – na wijziging van de eis – bij wijze van tegenvordering dat de kantonrechter [eiseres 1] c.s., hoofdelijk, veroordeelt tot: I. medewerking aan het opstellen en deponeren van de jaarstukken 2018 en 2019, op straffe van een opeisbare boete van € 1.000,00 per dag voor elke dag dat [eiseres 1] c.s. daarmee in gebreke blijven; II. betaling aan [gedaagde 1] van € 5.650,00 netto aan salaris, III. betaling van de wettelijke vakantietoeslag en de wettelijke niet genoten vakantiedagen vanaf maart 2018 tot 1 december 2019; IV. betaling van de wettelijke verhoging over II en III; V. betaling en afdracht van de verplichte werknemerspremies en verzekeringen uit hoofde van de arbeidsovereenkomst met [gedaagde 1] aan de daartoe bevoegde autoriteiten; VI. betaling van de wettelijke rente over voornoemde bedragen vanaf het moment van opeisbaarheid tot aan de dag der algehele voldoening; VII. betaling van de proceskosten. 4.3. [gedaagde 1] c.s. leggen aan de tegenvordering ten grondslag – kort weergegeven – dat [gedaagde 1] vanaf maart 2018 werkzaamheden voor [eiseres 1] heeft verricht op basis van een arbeidsovereenkomst, tegen een vast netto maandsalaris van € 2.500,00 exclusief vakantie- toeslag en overige emolumenten. Het ontslag van [gedaagde 2] als bestuurder van [eiseres 1] op 9 oktober 2019 laat de arbeidsovereenkomst tussen [gedaagde 1] en [eiseres 1] onverlet. Desondanks is [gedaagde 1] bereid in te stemmen met zijn ontslag per 1 december 2019, gelet op de wettelijke opzeg- termijn van een maand. Vanaf maart 2018 tot 1 december 2019 heeft [gedaagde 1] een bedrag van € 5.650,00 netto te weinig uitbetaald gekregen, exclusief vakantiegeld en vakantiedagen. [eiseres 1] c.s. zijn – ondanks herhaaldelijk verzoek – in gebreke gebleven over te gaan tot overlegging van de jaarrekeningen van 2018 en 2019. 4.4. [eiseres 1] c.s. betwisten de tegenvordering en verzoeken de kantonrechter om [gedaagde 1] c.s. niet-ontvankelijk te verklaren in de vorderingen, dan wel deze af te wijzen, met veroordeling van [gedaagde 1] c.s. (hoofdelijk) in de proces- en nakosten. Daartoe voeren zij – samengevat – aan dat nooit sprake is geweest van een arbeidsovereenkomst tussen [eiseres 1] en [gedaagde 1] . Voor zover geoordeeld wordt dat een dergelijke arbeidsovereenkomst wel heeft bestaan, is deze in ieder geval op 9 oktober 2019 rechtsgeldig geëindigd in verband met het ontslag van [gedaagde 2] als bestuurder van [eiseres 1] Na 9 oktober 2019 heeft [gedaagde 1] in ieder geval ook geen werkzaam- heden meer verricht voor [eiseres 1] en is hij niet beschikbaar geweest om werkzaamheden te verrichten. 4.5. Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover van belang, nader worden ingegaan. 5De beoordeling De tegenvordering 5.1. De kantonrechter ziet aanleiding allereerst een beoordeling te geven omtrent de tegenvordering. Jaarstukken 2018 en 2019 5.2. [gedaagde 1] c.s. vorderen veroordeling van [eiseres 1] c.s. tot medewerking aan het opstellen en deponeren van de jaarstukken van 2018 en 2019. Volgens [eiseres 1] c.s. hoeven deze stukken thans nog niet te worden opgemaakt en kunnen derhalve nog niet worden verstrekt aan [gedaagde 1] c.s. Vast staat dat [eiseres 1] lopende het boekjaar 2018 is opgericht en dat daardoor sprake is van een verlengd boekjaar, waardoor [eiseres 1] haar financiële jaarverslag over het boekjaar 2018 bij het boekjaar 2019 mag voegen. Verder staat als onweersproken vast dat [eiseres 1] voor het indienen van de jaarcijfers over 2019 uitstel heeft gekregen, waardoor het jaarverslag pas tegen het einde van 2020 gereed hoeft te zijn. Dit heeft de Accountant bij e-mail van 30 september 2019 ook aan [gedaagde 1] kenbaar gemaakt. Het is de kantonrechter niet gebleken dat [eiseres 1] c.s. de stukken niet zullen opstellen en deponeren, zodat de vordering van [gedaagde 1] c.s. tot het veroordelen van [eiseres 1] c.s. om hieraan medewerking te verlenen zal worden afgewezen. Kwalificatie van de overeenkomst 5.3. Aan de overige tegenvorderingen, genoemd onder 4.2.II t/m VI, hebben [gedaagde 1] c.s. ten grondslag gelegd dat van maart 2018 tot 1 december 2019 sprake is geweest van een arbeids- overeenkomst tussen [eiseres 1] en [gedaagde 1] . [eiseres 1] c.s. betwisten dat een arbeidsovereenkomst heeft bestaan en stellen zich op het standpunt dat de werkzaamheden op basis van een managementovereenkomst zijn verricht. De kantonrechter overweegt daaromtrent als volgt. 5.4. Bij de beoordeling van de vraag of een arbeidsovereenkomst tussen partijen is overeengekomen speelt de daadwerkelijke bedoeling van partijen geen rol (Hoge Raad 6 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1746). De kwalificatie vindt plaats aan de hand van hetgeen is bepaald in artikel 7:610 BW. Uit dat wetsartikel volgt dat er sprake is van een arbeidsovereenkomst als er gedurende zekere tijd (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.