vonnis RECHTBANK NOORD-HOLLAND Handel, Kanton en Bewind Zittingsplaats Alkmaar zaaknummer / rolnummer: C/15/312685 / HA ZA 21-53 Vonnis van 10 november 2021 in de zaak van de naamloze vennootschap FRIEDBERG & MAHN ADVOCATEN N.V., gevestigd te Amstelveen, eiseres, advocaat mr. N. Bakker te Amsterdam, tegen 1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid GERECHTSDEURWAARDERSKANTOOR NOORD-HOLLAND NOORD B.V., gevestigd te Alkmaar, 2. [gedaagde 2], wonende te [woonplaats] , gedaagden, advocaat mr. A. Glijnis te Alkmaar. Eiseres zal hierna F&M genoemd worden. Gedaagden zullen verder genoemd worden het gerechtsdeurwaarderskantoor en [gedaagde 2] . Gezamenlijk worden zij aangeduid als [gedaagden] , ook wel als de gerechtsdeurwaarder. De zaak in het kort Deze zaak draait om de vraag of de gerechtsdeurwaarder onrechtmatig jegens F&M heeft gehandeld. In de visie van F&M is er sprake van verschillende gedragingen van de gerechtsdeurwaarder die ertoe leiden dat hij bij de uitvoering van zijn taak niet de zorgvuldigheid in acht heeft genomen die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend ambtgenoot mag worden verwacht. Het kernverwijt van F&M is dat de gerechtsdeurwaarder zonder deugdelijk onderzoek de gemeente Den Helder heeft beschouwd als oudste executoriale beslaglegger (in plaats van F&M) en in haar opdracht de executieverkoop van in beslag genomen roerende zaken heeft aangezegd en deze roerende zaken heeft overgebracht naar een andere bewaarder. De rechtbank oordeelt dat de verwijten aan het adres van [gedaagde 2] niet leiden tot aansprakelijkheid van de gerechtsdeurwaarder op grond van onrechtmatige daad. Bovendien kan het gerechtsdeurwaarderskantoor niet aansprakelijk worden gehouden voor ambtshandelingen van de gerechtsdeurwaarder. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 26 januari 2021 met producties 1-31; - de conclusie van antwoord met producties 1-30; - het tussenvonnis van 14 april 2021; - het bericht van [gedaagden] van 2 september 2021 met producties 31-36; - de mondelinge behandeling op 14 september 2021, waar zijn verschenen namens F&M de heer [nnn] , vergezeld van mr. N. Bakker, en [gedaagde 2] in persoon en namens het gerechtsdeurwaarderskantoor, vergezeld van mr. A. Glijnis. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Mrs. Bakker en Glijnis hebben gebruik gemaakt van spreekaantekeningen, die zij ter zitting aan de rechtbank hebben overgelegd en die daarmee onderdeel zijn van de processtukken. 1.2. Partijen hebben de rechtbank aan het einde van de mondelinge behandeling verzocht om de zaak voor twee weken aan te houden om een minnelijke regeling te beproeven. De rechtbank heeft daarop de zaak verwezen naar de rol van 29 september 2021 voor akte uitlating voortzetting procedure. Partijen hebben de rechtbank op 29 september 2021 verzocht om vonniswijzing. 1.3. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. De gemeente Den Helder (hierna: de gemeente) is in een langdurige juridische strijd verwikkeld met [xxx] (hierna: [xxx] ) over het voormalig postkantoor aan de [adres] in [plaats] (hierna: het pand), waarin [xxx] woonde en een museum hield. Vanaf 2017 tot eind november 2020 behartigden de advocaten van F&M de belangen van [xxx] en zijn gezin. 2.2. Bij arrest van 13 maart 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:782, heeft het gerechtshof Amsterdam [xxx] veroordeeld tot ontruiming van het pand. Het gerechtshof heeft daarbij onder meer bepaald dat [xxx] het pand binnen 30 dagen na betekening van het arrest diende te ontruimen en dat [xxx] verder de ontruimingskosten diende te voldoen voor zover ontruiming door de deurwaarder nodig zou zijn. Het arrest is op 14 maart 2018 aan [xxx] betekend. 2.3. Op 17 april 2018 heeft de gemeente verlof verkregen van de voorzieningenrechter van deze rechtbank om in verband met door haar te maken kosten van ontruiming conservatoir beslag te leggen op roerende zaken in het pand, waaronder kunstvoorwerpen en/of schilderijen. Als gerechtelijk bewaarder is aangesteld Imming Logistics Fine Art B.V. (hierna: Imming). 2.4. [gedaagde 2] , als gerechtsdeurwaarder werkzaam bij gerechtsdeurwaarderskantoor Noord-Holland Noord, is vervolgens direct tot ontruiming overgegaan. Hij heeft conservatoir beslag gelegd op roerende zaken van [xxx] : zijn huisraad, zijn werktuigen en alle in het pand aanwezige kunstvoorwerpen. De roerende zaken zijn in bewaring gegeven aan Imming. 2.5. De ontruimingskosten heeft de gemeente berekend op € 361.340,00. Deze kosten zijn in de op dat moment lopende bodemprocedure tussen de gemeente en [xxx] bij de kantonrechter gevorderd. 2.6. Op 26 juni 2019 heeft F&M executoriaal derdenbeslag laten leggen op alle door de gemeente in conservatoir beslag genomen roerende zaken die zich op dat moment bij Imming bevonden. De grondslag voor dat beslag was een notariële akte, waarin [xxx] erkende een bedrag van € 160.000,00 aan zijn advocaten verschuldigd te zijn. 2.7. Bij vonnis van 18 september 2019, ECLI:NL:RBNHO:2019:7859, heeft de kantonrechter van deze rechtbank [xxx] onder meer veroordeeld tot betaling aan de gemeente van een bedrag van € 361.340,00 aan ontruimingskosten. Dit vonnis is op 23 oktober 2019 aan [xxx] betekend. 2.8. De gemeente heeft op 9 september 2020 executoriaal beslag laten leggen op de roerende zaken van [xxx] aanwezig bij Imming. 2.9. Bij exploten van 11 september 2020 is aan [xxx] de executieveiling aangezegd. Ten behoeve van de executieverkoop heeft de gerechtsdeurwaarder de kunstwerken van [xxx] op of omstreeks 11 september 2020 overgebracht van Imming naar BVA Auctions B.V. (hierna: BVA). 2.10. Bij faxbericht van 14 september 2020 heeft F&M de gerechtsdeurwaarder erop gewezen dat niet de gemeente, maar zij het oudste executoriaal beslag heeft gelegd. 2.11. Op 21 september 2020 heeft de gerechtsdeurwaarder een proces-verbaal van renvooi opgemaakt. 2.12. De voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft het deurwaardersrenvooi op 7 oktober 2020 gelijktijdig behandeld met twee vorderingen in kort geding die door [xxx] en F&M aanhangig waren gemaakt. 2.13. Bij mondeling vonnis van 7 oktober 2020, ECLI:NL:RBNHO:2020:8285, gewezen in de drie procedures, heeft de voorzieningenrechter de door de gemeente aangekondigde executieverkoop geschorst. De voorzieningenrechter heeft, kort gezegd, geoordeeld dat niet de gemeente maar F&M de eerste en oudste executoriale beslaglegger is, waardoor de wijze waarop de executieverkoop is aangezegd en de overgang van de in beslag genomen roerende zaken van Imming naar BVA als onrechtmatig moeten worden beschouwd. 2.14. F&M heeft vervolgens de executie van de beslagen zaken aangezegd. Om meerdere haar moverende redenen heeft F&M de executie gestaakt. Hierop heeft de gemeente de executieveiling (wederom) aangezegd. [xxx] heeft daarna opnieuw een kort gedingprocedure aanhangig gemaakt. 2.15. Bij mondeling deelvonnis van 7 januari 2021, ECLI:NL:RBNHO:2021:312, heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank de vordering van [xxx] tot opheffing van de gelegde beslagen afgewezen en de geplande executieverkoop geschorst tot en met 5 februari 2021 om [xxx] de gelegenheid te geven (een deel van) zijn in beslag genomen kunstwerken door BVA te (laten) verkopen. Dat is [xxx] niet gelukt. 2.16. Bij mondeling deelvonnis van 5 februari 2021, ECLI:NL:RBNHO:2021:2048, heeft de voorzieningenrechter de executieverkoop opnieuw geschorst, dit keer tot en met 2 maart 2021, waarbij is bepaald dat [xxx] uiterlijk tot en met 24 februari 2021 de gelegenheid had om een bod aan de deurwaarder te laten doen op alle roerende zaken ineens. 2.17. Tot en met de mondelinge behandeling op 2 maart 2021 was er geen concreet bod op de kunstcollectie aan de deurwaarder gedaan. Bij vonnis van 16 maart 2021, ECLI:NL:RBNHO:2021:2066, heeft de voorzieningenrechter bepaald dat de gemeente de executieverkoop mag voortzetten op een door de deurwaarder te bepalen wijze waarbij de roerende zaken tot de datum van verkoop blijven opgeslagen bij BVA. 2.18. Er lopen nu nog verschillende hoger beroep procedures bij het gerechtshof Amsterdam, waaronder het hoger beroep van de gemeente tegen het mondeling vonnis van 7 oktober 2020. De executieverkoop is aangehouden. 3Het geschil 3.1. F&M vordert - samengevat - dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,I. voor recht verklaart dat het gerechtsdeurwaarderskantoor en/of [gedaagde 2] onrechtmatig hebben gehandeld jegens F&M door namens de gemeente de executie van de roerende zaken van [xxx] aan te zeggen;II. voor recht verklaart dat het gerechtsdeurwaarderskantoor en/of [gedaagde 2] onrechtmatig hebben gehandeld jegens F&M door de in beslag genomen roerende zaken van [xxx] van Imming naar BVA over te (laten) brengen;III. voor recht verklaart dat het gerechtsdeurwaarderskantoor en/of [gedaagde 2] onrechtmatig hebben gehandeld jegens F&M door te stellen dat het handhaven van het beslag door F&M misbruik van recht zou opleveren, althans dat haar geen beroep op het feit dat zij de oudste executoriaal beslaglegger is toekomt, omdat het doel van het beslag enkel zou zijn het voorkomen dan wel vertragen van de executie; IV. voor recht verklaart dat het gerechtsdeurwaarderskantoor en/of [gedaagde 2] onrechtmatig hebben gehandeld jegens F&M door zich niet als onafhankelijk deurwaarder te hebben gedragen; V. voor recht verklaart dat het gerechtsdeurwaarderskantoor en/of [gedaagde 2] aansprakelijk zijn voor de door F&M geleden en nog te lijden schade als gevolg van het onrechtmatig handelen van het gerechtsdeurwaarderskantoor en/of [gedaagde 2] ; VI. het gerechtsdeurwaarderskantoor en/of [gedaagde 2] hoofdelijk veroordeelt tot vergoeding van de door F&M geleden en nog te lijden schade, nader op te maken bij staat en te vermeerderen met rente; VII. het gerechtsdeurwaarderskantoor en/of [gedaagde 2] hoofdelijk veroordeelt om - ten titel van voorschot op schadevergoeding - aan F&M te voldoen een bedrag van € 50.000,00, althans een door de rechtbank te bepalen bedrag, te vermeerderen met rente; VIII. het gerechtsdeurwaarderskantoor en/of [gedaagde 2] hoofdelijk veroordeelt om - ten titel van voorschot op immateriële schadevergoeding - aan F&M te voldoen een bedrag van € 100,00, althans een door de rechtbank te bepalen bedrag, te vermeerderen met rente; IX. het gerechtsdeurwaarderskantoor en/of [gedaagde 2] hoofdelijk veroordeelt in de (na)kosten van deze procedure, te vermeerderen met rente. 3.2. F&M legt aan haar vorderingen ten grondslag dat [gedaagde 2] , althans toegevoegd deurwaarder [yyy] voor wie [gedaagde 2] verantwoordelijk is, onrechtmatig jegens F&M heeft gehandeld. Hij heeft namelijk niet gehandeld zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend ambtgenoot mag worden verwacht. 3.2.1. F&M verwijst daarvoor allereerst naar het mondeling vonnis van 7 oktober 2020, waarin de voorzieningenrechter zowel de door de gerechtsdeurwaarder aangezegde executie van de in beslag genomen roerende zaken van [xxx] , als de overbrenging van deze zaken van Imming naar BVA onrechtmatig heeft geacht. Het betoog van F&M laat zich verder als volgt samenvatten. 3.2.2. Bij de uitvoering van de aan hem opgedragen taak heeft [gedaagde 2] zich niet gedragen als een onafhankelijk gerechtsdeurwaarder. Hij heeft klakkeloos de opdracht van de gemeente uitgevoerd zonder rekening te houden met de belangen en rechten van F&M. [gedaagde 2] had na eenvoudig onderzoek kunnen vaststellen dat niet de gemeente, maar F&M de oudste executoriaal beslaglegger was. Door toch uitvoering aan de opdracht te geven, heeft hij in strijd gehandeld met de op hem rustende kernwaarde van onafhankelijkheid. 3.2.3. Daarnaast heeft [gedaagde 2] onrechtmatig gehandeld door in zijn proces-verbaal van renvooi op te nemen - en tijdens de mondelinge behandeling op 7 oktober 2020 te verdedigen - dat het handhaven van het beslag door F&M misbruik van recht oplevert, althans dat haar geen beroep op het feit dat zij de oudste executoriaal beslaglegger is toekomt, omdat het doel van het beslag enkel zou zijn het voorkomen dan wel vertragen van de executie. Met die bewoordingen heeft [gedaagde 2] het kantoor van F&M op onrechtmatige wijze weggezet en haar onberispelijke reputatie en eer en goede naam aangetast. 3.2.4. Als gevolg van het onrechtmatig handelen door [gedaagde 2] heeft F&M schade geleden. Hiervoor is [gedaagde 2] aansprakelijk. Het gerechtsdeurwaarderskantoor is op grond van artikel 6:170 Burgerlijk Wetboek (BW) eveneens aansprakelijk. De schade bestaat voornamelijk uit extra advocaatkosten die F&M moest maken in diverse procedures, die niet nodig waren geweest als [gedaagde 2] zijn ‘huiswerk’ had gedaan. Vooralsnog is deze schade berekend op een bedrag van € 123.061,34. Daarnaast heeft F&M nader te inventariseren reputatieschade en immateriële schade geleden. De totale schade kan nog niet worden begroot. F&M vordert daarom een voorschot op de schadevergoeding. 3.3. [gedaagden] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van F&M in haar vorderingen dan wel tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van F&M in de (na)kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente. Het verweer laat zich als volgt samenvatten. 3.3.1. [gedaagde 2] betwist dat hij onrechtmatig heeft gehandeld. Hij stelt dat hij de gemeente wel degelijk terecht als oudste executoriale beslaglegger op de kunstcollectie van [xxx] heeft aangemerkt. Het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 13 maart 2018 levert namelijk een executoriale titel op voor de ontruimingskosten. Het op 17 april 2018 gelegde conservatoire beslag van de gemeente is kort daarna, op het moment dat de ontruimingskosten daadwerkelijk gemaakt werden, executoriaal geworden. Het beslag van F&M is op 26 juni 2019 gelegd en daarmee van latere datum. De gemeente is dus de oudste executoriale beslaglegger. [gedaagde 2] was om die reden gerechtigd en gelet op zijn ministerieplicht zelfs verplicht om de opdracht van de gemeente tot het opstarten van de executie aan te nemen en tot aanzegging van de executie over te gaan. Daarbij was hij ook gerechtigd om de roerende zaken in het kader van de executieverkoop naar BVA te laten verplaatsen. 3.3.2. Zelfs als de gemeente niet de oudste executoriale beslaglegger zou zijn, is de executie niet onrechtmatig. F&M heeft op 13 oktober 2020 als oudste executoriale beslaglegger aangegeven dat zij de in gang gezette executie overneemt. De tot dan toe door de gemeente verrichte executiehandelingen blijven geldig. 3.3.3. Zelfs als de gemeente niet de oudste executoriale beslaglegger zou zijn en de gemeente niet gerechtigd was om de executie op te starten, geldt dat [gedaagde 2] niet onrechtmatig heeft gehandeld jegens F&M. Hij heeft getoetst of hij de opdracht van de (advocaat van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.