RECHTBANK NOORD-HOLLAND Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummer: HAA 21/2343 V uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 november 2021 op het verzet van [opposant] , te [woonplaats] , opposant Procesverloop Opposant heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerhugowaard van 8 april 2021 inzake een vijftal besluiten met de betrekking tot de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandige ondernemers. Bij uitspraak van 6 augustus 2021 heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Opposant heeft tegen deze uitspraak verzet ingesteld. Opposant heeft verzocht om op een zitting te worden gehoord. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 oktober
- Opposant is verschenen. Overwegingen
- De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt die mogelijkheid als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk niet-ontvankelijk geacht. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat opposant heeft verzuimd het griffierecht tijdig te voldoen.
- In deze verzetzaak beoordeelt de rechtbank uitsluitend of zij in de buiten-zittinguitspraak terecht heeft geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep niet-ontvankelijk is. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.
- Op grond van artikel 8:41, eerste lid, van de Awb wordt van de indiener van het beroepschrift door de griffier een griffierecht geheven. Ingevolge artikel 8:41, tweede lid, van de Awb wordt een beroep niet-ontvankelijk verklaard indien storting of bijschrijving van het griffierecht niet heeft plaatsgevonden binnen twee weken na de dag van verzending van de mededeling waarin de indiener van het beroepschrift is gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat eiser in verzuim is geweest.
- Ter zitting heeft opposant erkend dat hij het griffierecht niet heeft voldaan. Dit verbaast hem. In de periode dat het griffierecht moest worden betaald was opposant druk bezig met werk zoeken en had hij last van stress. Opposant had gedurende de betalingsperiode weinig geld omdat het Uwv zijn uitkering had beëindigd. In die tijd heeft opposant meerdere enveloppen niet opengemaakt omdat hij moeite had met rekeningen te betalen.
- De rechtbank overweegt dat artikel 8:41 van de Awb dwingend voorschrijft dat binnen de gestelde termijn het griffierecht moet worden voldaan. De rechtbank kan dit niet passeren. Dat laat onverlet dat de rechtbank zich wel kan voorstellen dat een brief onbeantwoord blijft, zeker gezien de omstandigheden waarin opposant verkeerde. Maar het belang van de rechtsgelijkheid maakt dat strikte regels betreffende de eisen waaraan een beroepschrift moet voldoen niet opzij gezet kunnen worden. Het staat de rechtbank ook niet vrij om van wettelijke vereisten - bijvoorbeeld uit coulance - af te wijken.
- Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank in de buiten-zittinguitspraak op goede gronden geoordeeld dat het beroep niet-ontvankelijk is. Het verzet tegen die uitspraak moet daarom ongegrond worden verklaard. Dat betekent dat de buiten-zittinguitspraak in stand blijft.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het verzet ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. W.B. Klaus, rechter, in aanwezigheid van N. Joacim, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.