RECHTBANK NOORD-HOLLAND Team Straf, locatie Alkmaar Meervoudige strafkamer Parketnummer: 15/059644-21 (P) Uitspraakdatum: 19 november 2021 Tegenspraak Vonnis Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 5 november 2021 in de zaak tegen: [verdachte] geboren op [geboortedatum en plaats], thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Vught (afdeling Penitentiair Psychiatrisch Centrum). De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M. Kubbinga en van hetgeen de verdachte en zijn raadsman, mr. P. Scholte, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht. 1Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 3 augustus 2020 te Westzaan, gemeente Zaanstad, in elk geval in Nederland, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten meerdere (eerste en/of tweede graad) brandwonden, heeft toegebracht door een hoeveelheid kokend water, althans heet water, over het hoofd en/of nek en/of schouders en/of rug, althans over het lichaam van die voornoemde [slachtoffer] te gieten; subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 3 augustus 2020 te Westzaan, gemeente Zaanstad ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan W. J. [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet een hoeveelheid kokend water, althans heet water, over het hoofd en/of nek en/of schouders en/of rug, althans het lichaam van die [slachtoffer] heeft gegoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. 2Voorvragen De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. 3Beoordeling van het bewijs 3.1 Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit. 3.2 Standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde feit. Hiertoe heeft hij – kort gezegd – aangevoerd dat op grond van de bewijsmiddelen niet kan worden vastgesteld dat sprake is van zwaar lichamelijk letsel bij het slachtoffer. Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde feit heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. 3.3 Oordeel van de rechtbank 3.3.1 Bewijsmiddelen De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat. 3.3.2 Bewijsmotivering Ten aanzien van de vraag of in het onderhavige geval sprake is van zwaar lichamelijk letsel, overweegt de rechtbank als volgt. Als algemene gezichtspunten voor de beantwoording va de vraag of van zwaar lichamelijk letsel sprake is, kunnen in elk geval worden aangemerkt: de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel. De rechtbank stelt aan de hand van de bewijsmiddelen vast dat door de gedragingen van de verdachte letsel bij het slachtoffer is veroorzaakt, te weten eerste- en tweedegraads brandwonden in het gezicht, op het oor en op het bovenlijf, waarbij ongeveer tien procent van het lichaamsoppervlak is verbrand. Dit letsel was van dien aard dat – zo blijkt uit de bij de vordering van de benadeelde partij gevoegde stukken – medisch ingrijpen noodzakelijk was. Het slachtoffer is een week opgenomen en behandeld in het brandwondencentrum in Beverwijk en is daarna overgebracht naar het Juridisch Centrum voor Somatische Zorg (JCvSZ) in Scheveningen. Uit de ter terechtzitting gegeven verklaring van het slachtoffer leidt de rechtbank af dat hij een week in het JCvSZ is opgenomen. Thans is nog geen uitzicht op (volledig) herstel: op de bij de vordering van het slachtoffer gevoegde foto’s van 28 oktober 2021 is te zien dat op het bovenlijf van het slachtoffer grote witte vlekken zichtbaar zijn omdat daar zijn pigment is verdwenen. Bovendien heeft het slachtoffer ter terechtzitting verklaard dat hij nog altijd last heeft van jeuk en dat sprake is van verdikking van de huid. Blijkens de geneeskundige verklaring in het dossier zal in geval van littekenvorming de littekenontwikkeling ongeveer één of twee jaar duren en zal er daarna sprake zijn van blijvende littekens die in meerdere of mindere mate zichtbaar en/of voelbaar zullen zijn. Op grond van het vorenstaande, in onderlinge samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat dit letsel zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht oplevert en komt daarmee tot een bewezenverklaring van dit onderdeel van de tenlastelegging. 3.4 Bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat hij op 3 augustus 2020 te Westzaan, gemeente Zaanstad, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten meerdere eerste- en tweedegraads brandwonden, heeft toegebracht door een hoeveelheid kokend water, althans heet water, over het hoofd en nek en schouders en rug van die voornoemde [slachtoffer] te gieten. De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging. Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. 4Kwalificatie en strafbaarheid van het feit Het bewezenverklaarde levert op: zware mishandeling. Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar. 5Strafbaarheid van de verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar. 6Motivering van de sanctie 6.1 Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden. Hierbij heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de verdachte – gelet op de persoon van de verdachte en rapportages omtrent zijn persoon die zijn opgemaakt in een eerdere strafzaak – verminderd toerekeningsvatbaar dient te worden geacht. 6.2 Standpunt van de verdediging De raadsman heeft betoogd dat aan de verdachte een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf dient te worden opgelegd, zodat zijn behandeling binnen de in een andere strafzaak opgelegde tbs-maatregel niet bemoeilijkt en/of uitgesteld wordt. 6.3 Oordeel van de rechtbank Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen. Ernst van het feit De verdachte heeft zijn toenmalige celgenoot zwaar mishandeld door een waterkoker met kokend / heet water over zijn hoofd en bovenlichaam leeg te gieten. Voor het slachtoffer kwam dit uit het niets; hij lag op zijn bed in de cel tv te kijken. Hij heeft hierdoor eerste- en tweedegraads brandwonden in zijn gelaat en op zijn lichaam opgelopen. Door op deze wijze te handelen, heeft de verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke en lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Brandwonden zijn bovendien vreselijk pijnlijk en kunnen blijvende huidverkleuringen veroorzaken. Eén en ander volgt ook uit de verklaring van het slachtoffer ter terechtzitting. Hij is nog steeds niet geheel hersteld van zijn verwondingen en wordt iedere dag nog geconfronteerd met de gevolgen. De rechtbank acht het strafverzwarend dat de mishandeling heeft plaatsgevonden in de afgesloten cel die de verdachte en het slachtoffer deelden. De verdachte heeft het slachtoffer onverhoeds aangevallen, terwijl hij nietsvermoedend op zijn rug in bed tv lag te kijken. Het slachtoffer kon geen kant op, had in de cel geen koud water tot zijn beschikking en kon niet anders dan wachten op de penitentiair inrichtingswerkers om hem uit de cel te bevrijden. Oriëntatiepunten De rechtbank heeft acht geslagen op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) aangaande zware mishandeling. Hoewel geen van de genoemde categorieën – gelet op de specifieke aard van de toedracht van het letsel – rechtstreeks op onderhavige zaak van toepassing is, volgt uit de LOVS dat een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf als uitgangspunt dient te worden genomen. Toerekenbaarheid De rechtbank heeft ten aanzien van de toerekenbaarheid van de verdachte acht geslagen op het over de verdachte in een eerdere zaak (parketnummer 13/650420-18) uitgebrachte Pro Justitia rapport van het NIFP, van 21 juni
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.