RECHTBANK NOORD-HOLLAND Handel, Kanton en Insolventie locatie Haarlem Zaaknr./rolnr.: 8345014 \ CV EXPL 20-1994 Uitspraakdatum: 17 november 2021 Vonnis van de kantonrechter in de zaak van: de rechtspersoon naar buitenlands recht Easyjet Airline Company Limited gevestigd te Luton (Verenigd Koninkrijk) eiseres in verzet verweerster in het incident hierna te noemen de vervoerder gemachtigde mr. B. Koolhaas tegen 1 [passagier sub 1]
- [passagier sub 2] beiden wonende te [woonplaats]
- [passagier sub 3] , wonende te [woonplaats]
- [passagier sub 4], wonende te [woonplaats]
- [passagier sub 5]
- [passagier sub 6] beiden wonende te [woonplaats]
- Stichting Achmea Rechtsbijstand, gevestigd te Tilburg gedaagden in verzet eiseres in het incident hierna te noemen de passagiers gemachtigde mr. I.G.B. Maertzdorff (EUclaim B.V.) 1Het procesverloop 1.
- De passagiers hebben bij inleidende dagvaarding van 29 maart 2019 een vordering ingesteld tegen de vervoerder. De vervoerder is niet verschenen, waarna de vervoerder bij verstekvonnis van 11 september 2019 is veroordeeld. Bij dagvaarding van 21 november 2019 is de vervoerder in verzet gekomen tegen dat verstekvonnis. 1.
- De passagiers hebben hierop schriftelijk gereageerd en tevens een incidentele conclusie houdende een beroep op niet-ontvankelijkheid genomen, waarna de vervoerder een schriftelijke reactie heeft gegeven. 2De feiten 2.
- De passagiers hebben met de vervoerder een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan de vervoerder de passagier diende te vervoeren van Glasgow Airport (Verenigd Koninkrijk) naar Amsterdam-Schiphol Airport op 31 december 2017, hierna: de vlucht. 2.
- De vlucht heeft meer dan drie uur vertraging opgelopen. 2.
- De passagiers [passagier 7] en [passagier 8] hebben hun vermeende vorderingsrecht overgedragen aan Stichting Achmea Rechtsbijstand. 2.
- De passagiers hebben compensatie van de vervoerder gevorderd in verband met voornoemde vertraging. 2.
- De vervoerder heeft geweigerd tot betaling over te gaan. 3De vordering in de hoofdzaak 3.
- De passagiers hebben bij inleidende dagvaarding gevorderd dat de vervoerder bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis veroordeeld zal worden tot betaling van:- € 2.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 31 december 2017, althans vanaf datum ingebrekestelling dan wel vanaf datum van betekening van de dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening; - € 363,00 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente;- de proceskosten, de nakosten daaronder begrepen, te vermeerderen met wettelijke rente. 3.
- De passagiers hebben aan de vordering ten grondslag gelegd de Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van de verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: de Verordening) en de daarop betrekking hebbende rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagiers stellen dat de vervoerder vanwege de vertraging van de vlucht gehouden is te compenseren conform artikel 7 van de Verordening tot een bedrag van € 2.000,
- 3.
- De vervoerder is door de kantonrechter bij verstek veroordeeld tot betaling van het gevorderde. 3.
- De vervoerder vordert in de verzetdagvaarding, dat de kantonrechter, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad de vervoerder zal ontheffen van de veroordeling tegen hem uitgesproken bij vonnis van 11 september 2019 (onder zaak-/rolnummer 7957031 CV EXPL 19-11394) en de vordering van de passagiers afwijst met veroordeling van de passagiers in de proceskosten, alsmede de nakosten, van de verzetprocedure. 3.
- Daartoe voert de vervoerder aan – samengevat – dat de vertraging van de vlucht het gevolg is van buitengewone omstandigheden, die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen konden worden. 4De vordering en het verweer in het incident 4.
- De passagiers vorderen in het incident om de vervoerder niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzet dan wel zijn vordering, omdat hij niet tijdig in het verzet is gekomen. 4.
- De vervoerder voert aan dat hij binnen vier weken na de eerste daad van bekendheid in verzet is gekomen en daarmee tijdig in verzet is gekomen. 5De beoordeling van het incident 5.
- Op grond van artikel 143 lid 2 en 3 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) dient – kort samengevat – het verzet te worden gedaan binnen vier weken na betekening van het vonnis aan de veroordeelde in persoon, na het plegen van deze van enige daad waaruit noodzakelijk voortvloeit dat het vonnis of de aangevangen tenuitvoerlegging aan hem bekend is of na de dag waarop het vonnis ten uitvoer is gelegd. 5.
- . . Tussen partijen is niet in geschil dat op 23 oktober 2019 de daad van bekendheid door de vervoerder is verricht. De passagiers stellen dat de termijn op grond van bovenstaande op 20 november 2019 is geëindigd en de verzetdagvaarding daarmee op 21 november 2019, één dag te laat is betekend. De vervoerder voert daartegenover aan dat de termijn van vier weken is begonnen op 24 oktober 2019, te weten de dag na de daad van bekendheid, zodat de verzetdagvaarding tijdig is betekend. De kantonrechter volgt de vervoerder hierin niet. Uit artikel 143 lid 2 Rv volgt dat binnen vier weken na de daad van bekendheid verzet moet zijn ingesteld. De verzettermijn is daarmee op grond van dit artikel op 23 oktober 2019 aangevangen en deze is vier weken later, op 20 november 2019, geëindigd. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vervoerder niet tijdig in verzet is gekomen en dat de incidentele vordering moet worden toegewezen. 6De beoordeling in de hoofdzaak 6.
- Gelet op hetgeen is geoordeeld in het incident omtrent de overschrijding van de verzettermijn, zal de kantonrechter in de hoofdzaak het verzet niet-ontvankelijk verklaren. 6.
- De proceskosten van het incident en de verzetprocedure komen voor rekening van de vervoerder, omdat deze niet-ontvankelijk wordt verklaard. De kosten van de passagiers worden begroot op € 187,00 (1 punt x € 187,00). Ook de nakosten kunnen worden toegewezen, voor zover deze kosten daadwerkelijk door de passagiers worden gemaakt. 7De beslissing De kantonrechter: In het incident 7.
- wijst de incidentele vordering van de passagiers inzake overschrijding van de verzettermijn toe; in de hoofdzaak 7.
- verklaart de vervoerder niet-ontvankelijk in zijn verzet, 7.
- veroordeelt de vervoerder in de proceskosten in de verzetprocedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de passagiers begroot op € 187,00 aan salaris voor de gemachtigde en veroordeelt de vervoerder tot betaling van € 93,50 aan nakosten voor zover deze kosten daadwerkelijk door de passagiers worden gemaakt, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis tot aan de dag van de algehele voldoening; 7.
- verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het meer of anders gevorderde. Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier. De griffier De kantonrechter