← Nederland

ECLI:NL:RBNHO:2021:11261

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Handel, Kanton en Bewind locatie Alkmaar Zaaknummer : 9501454 \ WM VERZ 21-548 CJIB-nummer : 233103494 Uitspraakdatum : 26 november 2021 Uitspraak op een beroep als bedoeld in artikel 9 van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (WAHV) in de zaak van [betrokkene] Het verloop van de procedure Aan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna te noemen: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter. De zaak is behandeld op de zitting van 26 november

  1. Op de zitting is de vertegenwoordiger van de officier van justitie verschenen. Betrokkene is niet verschenen. De kantonrechter heeft op de zitting uitspraak gedaan. Overwegingen De gedraging waarvoor de boete is opgelegd, luidt – kort omschreven – als volgt: als bestuurder met een motorvoertuig of als brom- of snorfiets onnodig geluid veroorzaken. Betrokkene is het niet eens met de beslissing van de officier van justitie en heeft in het beroepschrift de gronden daarvoor aangevoerd. In de toelichting van het zaakoverzicht verklaart de verbalisant onder andere het volgende: “Wij verbalisanten, zagen en hoorden direct achter ons een grijze auto rijden. Ik verbalisant zag en hoorde dat de bestuurder kennelijk het gas onnodig hard indrukte. Dit kon ik namelijk horen, omdat dit het voor mij bekende geluid is van een zeer hoog toerental. Dit geluid kan ik omschrijven als een brullend geluid, ver boven de normale geluidsnormen. (…) tijdens de inhaalactie hoorde ik direct naast mij een claxon af gaan (…) toen het voertuig mij, verbalisant gepasseerd was, zag ik verbalisant de remlichten van het voornoemde voertuig oplichten en plotseling tot stilstand komen. ik verbalisant moest hierdoor een noodremprocedure uitvoeren. Gezien de feiten hiervoor genoemd verbaliseerd voor het onnodig geluid veroorzaken.“ De officier van justitie heeft naar aanleiding van het ingestelde beroep een aanvullend proces-verbaal laten opmaken door de verbalisant, waarbij specifiek gevraagd is om aan te geven waarom er geen staandehouding heeft plaatsgevonden. In dit aanvullend proces-verbaal is het volgende vermeld: “Ten tijde van de overtreding reden wij beiden in een voertuig. Omdat het voertuig van betrokkene rijdend was, en ons dienstvoertuig niet voorzien is van zowel optische als geluidssignalen, dan wel een transparant stopteken, konden wij deze bestuurder niet staande houden. Tezamen met het omschreven rijgedrag van de betrokkene was dit voor ons op dat moment onmogelijk.” De kantonrechter is van oordeel dat uit de stukken die zich in het dossier bevinden – met name uit de uitgebreide en specifieke verklaring van de verbalisant – voldoende blijkt dat de gedraging waarvoor de boete is opgelegd, is verricht. In WAHV-zaken biedt de verklaring van een verbalisant in beginsel voldoende grondslag voor de vaststelling van de gedraging. Dit is anders indien de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van één of meer onderdelen van de verklaring van de verbalisant dan wel uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken. Betrokkene heeft onvoldoende feiten en/of omstandigheden aangevoerd die ertoe aanleiding geven te twijfelen aan de verklaring van de verbalisant. Betrokkene heeft tevens gesteld dat hij had moeten worden staande gehouden. Uit artikel 5 WAHV volgt dat de boete kan worden opgelegd aan degene op wiens naam het kenteken van het voertuig ten tijde van de gedraging in het kentekenregister was ingeschreven, tenzij direct kan worden vastgesteld wie de bestuurder is van het voertuig waarmee de gedraging is verricht. Dit betekent dat als zich een reële mogelijkheid tot staandehouding van die bestuurder voordoet, de boete aan de bestuurder moet worden opgelegd en niet aan de kentekenhouder. In dit geval is, met name uit de aanvullende verklaring van de verbalisant, voldoende gebleken dat zich geen reële mogelijkheid tot staandehouding heeft voorgedaan. De verbalisant reed, blijkens het proces-verbaal, in een dienstvoertuig zonder middelen om een stopteken te geven aan de bestuurder die de gedraging had verricht. De boete is dus terecht opgelegd aan de kentekenhouder. De kantonrechter ziet in hetgeen betrokkene heeft aangevoerd ook geen reden om de boete te matigen. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard. De uitspraak De kantonrechter: ‒ verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Voogd, kantonrechter, bijgestaan door de griffier, en in het openbaar uitgesproken. De griffier De kantonrechter Tegen deze uitspraak kan op grond van artikel 14 WAHV hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, binnen 6 weken na de hieronder vermelde dag van toezending. Hoger beroep is in beginsel alleen mogelijk als de boete in de uitspraak is bepaald op een bedrag van meer dan € 70,
  2. Het beroepschrift moet worden verzonden aan de afdeling Kanton van de rechtbank Noord-Holland, Postbus 251, 1800 BG Alkmaar. De wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure in hoger beroep, tenzij door u bij het beroepschrift uitdrukkelijk om een mondelinge behandeling van de zaak is verzocht. Het instellen van hoger beroep per e-mail is niet mogelijk. Datum toezending:

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.