RECHTBANK NOORD-HOLLAND Team Straf, locatie Alkmaar Meervoudige strafkamer Parketnummers: 15/223064-21 en 15/326614-20 (TUL) (P) Uitspraakdatum: 9 december 2021 Tegenspraak (art. 279 Sv) Vonnis Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 25 november 2021 in de zaak tegen: [verdachte] , geboren op [geboortedatum- plaats] , ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres 1] nu gedetineerd in P.I. Haaglanden, PPC te Den Haag. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. D.C. Smits en van hetgeen mr. M.S. Rozenbeek, advocaat te Bloemendaal, die waarnam voor de raadsvrouw van de verdachte, naar voren hebben gebracht. 1Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 18 augustus 2021 te Zaandam, gemeente Zaanstad in/uit een winkel (gelegen aan [adres 2] ) een (flesje/blikje) bier (van het merk Leffe), althans drank, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen. 2Voorvragen De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. 3Beoordeling van het bewijs 3.1 Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit. 3.2 Standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde feit, gelet op de bij de politie afgelegde verklaring van de verdachte dat hij niet gestolen heeft. 3.3 Oordeel van de rechtbank en bewijsmiddelen De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat. 3.4 Bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat hij op 18 augustus 2021 te Zaandam, gemeente Zaanstad, uit een winkel gelegen aan [adres 2] een flesje bier van het merk Leffe, dat aan [slachtoffer] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen. Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. 4Kwalificatie en strafbaarheid van het feit Het bewezen verklaarde levert op: diefstal. Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezen verklaarde zou ontbreken. Het bewezen verklaarde is derhalve strafbaar. 5Strafbaarheid van de verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar. 6Motivering van de maatregel 6.1 Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte onvoorwaardelijk zal worden veroordeeld tot de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) voor de duur van twee jaren. 6.2 Standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat een rechterlijk pardon zoals omschreven in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht dient te volgen. De verdachte heeft op dit moment een zorgmachtiging op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (hierna: Wvggz), op basis waarvan hij gesloten kan worden opgenomen in een psychiatrische instelling en gedwongen kan worden medicatie te nemen. Verdachte heeft zijn raadsvrouw verteld dat hij na zijn huidige detentie graag terug wil naar de psychiatrische inrichting te Castricum, waar hij recent verbleef. Gelet op deze omstandigheden is een straf of maatregel niet passend en geboden. 6.3 Oordeel van de rechtbank Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen. Ernst van het feit De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal door een flesje bier bij [slachtoffer] weg te nemen zonder daarvoor betaald te hebben. Een dergelijk delict is een hinderlijk feit dat veel overlast veroorzaakt voor de maatschappij in het algemeen en voor winkeliers in het bijzonder. Zeker in het geval dat personen, zoals de verdachte, zich daaraan stelselmatig schuldig maken. Bovendien leiden diefstallen tot financiële schade. Persoon van de verdachte Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 19 oktober 2021, waaruit blijkt dat de verdachte meerdere keren voor vermogensdelicten onherroepelijk tot vrijheidsbenemende straffen is veroordeeld. De rechtbank weegt deze omstandigheid ten nadele van de verdachte mee bij de sanctietoemeting. De rechtbank heeft verder kennisgenomen van het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport Raadkamerzitting voorlopige hechtenis, gedateerd 23 september 2021, van [naam 1] , als reclasseringswerker werkzaam bij [organisatie] . In dit rapport wordt, zakelijk weergegeven, geconcludeerd dat sprake is van een hoog recidiverisico, een hoog risico op letselschade en een hoog risico op het onttrekken aan voorwaarden. Verder wordt geconcludeerd dat verschillende criminogene factoren een rol spelen in het leven van de verdachte, te weten middelengebruik, psychosociaal functioneren en zijn houding. Er is een gebrek aan ziektebesef en inzicht bij de verdachte, waardoor de verdachte zich niet aan eerder opgelegde bijzondere voorwaarden heeft gehouden. Uit onderzoek komt naar voren dat de verdachte al jaren bekend is met psychische en psychotische klachten. De verdachte is in het kader van een zorgmachtiging in februari 2021 klinisch behandeld. De behandelend psychiater gaf aan dat de verdachte in het verleden gediagnosticeerd is met schizofrenie en een angststoornis (nao). Daarnaast gaf zij aan dat de verdachte te kampen heeft met persoonlijkheidsproblematiek; antisociale, narcistische en psychopathische kenmerken. Hij zou een drang naar prikkels ('prikkelhonger') en een parasitaire levensstijl hebben. Destijds verklaarde zij het delict gedrag niet vanuit de psychotische toestand, echter vanuit de persoonlijkheidsproblematiek van de verdachte. De verdachte zou 'lak' hebben aan wetten, regels en voorschriften, aldus de psychiater. Gezien bovenstaande stelt de reclassering dat er sprake is van een directe relatie tussen het hem ten laste gelegde en zijn instabiele psychosociaal functioneren. Het feit dat de verdachte totaal geen ziektebesef en ziekte-inzicht heeft maakt het voor de reclassering lastig is om te komen tot een passend plan van aanpak dat kan leiden tot een gedragsverandering en daarmee de hoge kans op recidive kan verkleinen. Ondanks dat de verdachte zelf van mening is dat er geen problemen zijn ten aanzien van zijn middelengebruik, is de reclassering van mening dat middelengebruik een indirecte criminogene factor is waarop ingezet zal moeten worden om de hoge kans op recidive te verkleinen. De reclassering schat in dat de verdachte zich in de toekomst ook niet aan voorwaarden zal houden. De reclassering adviseert bij bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit aan de verdachte een onvoorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen. Tevens heeft de rechtbank kennisgenomen van het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport, gedateerd 11 november 2021, van [naam 2] reclasseringswerker bij Reclassering Nederland. In dit rapport adviseert de Reclassering bij een veroordeling een voorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen met voorwaarden zoals vermeld in het rapport. Onvoorwaardelijke ISD-maatregel Anders dan de raadsman en het advies van Reclassering Nederland van 11 november 2021, is de rechtbank van oordeel dat oplegging van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel voor de duur van twee jaren in dit geval de enige passende afdoening is. De rechtbank volgt daarmee het advies van [organisatie] van 23 september
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.