RECHTBANK NOORD-HOLLAND Bestuursrecht zaaknummer: HAA 21/1520 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 december 2021 in de zaak tussen [verzoekster], te [woonplaats], verzoekster (gemachtigde: [naam 1]), en de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, verweerder. Procesverloop In het besluit van 29 september 2020 (primair besluit) heeft verweerder besloten dat [naam 2] (ex) werknemer van verzoekster, volledig doch niet duurzaam arbeidsongeschikt is en dat hij daarom per 26 oktober 2020 aanspraak kan maken op een WGA-loongerelateerde uitkering. In het besluit van 17 februari 2021 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoekster ongegrond verklaard. Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. In het besluit van 10 mei 2021 heeft verweerder het bestreden besluit gewijzigd en in plaats daarvan besloten dat, nu de arbeidsongeschiktheid van [naam 2] duurzaam wordt geacht, [naam 2] per 26 oktober 2020 recht heeft op een IVA-uitkering. Naar aanleiding hiervan heeft verzoekster het beroep ingetrokken met daarbij het verzoek verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten. De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek. Verweerder heeft de rechtbank meegedeeld dat hij de proceskosten zal vergoeden na de uitspraak van de rechtbank. Nadat partijen zijn gewezen op hun recht ter zitting te worden gehoord en niet hebben verklaard gebruik te willen maken van dat recht, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten. De rechtbank doet uitspraak met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Overwegingen De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb. Gelet op de gedingstukken en het hiervoor weergegeven procesverloop is verweerder tegemoet gekomen aan het beroep van verzoekster. Bij het nieuwe besluit heeft verweerder al een proceskostenveroordeling voor de bezwaarfase toegekend. De beoordeling hierna over de gevraagde proceskostenveroordeling beperkt zich daarom tot de beroepsfase. Het verzoek wordt toegewezen. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 748,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 748,-), met een wegingsfactor 1. De overige door verzoekster genoemde kosten, te weten € 98,76 kosten voor een deskundige komen niet voor vergoeding in aanmerking, omdat niet is gebleken dat verzoekster kosten heeft gemaakt met betrekking tot een deskundige tijdens de beroepsfase. De rechtbank wijst erop dat verweerder op grond van artikel 8:41, zevende lid, van de Awb verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 360,- te vergoeden. Verzoekster zal zich hiervoor dan ook tot verweerder moeten wenden. Beslissing De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 748,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Kos, rechter, in aanwezigheid van N. Joacim, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.