vonnis RECHTBANK NOORD-HOLLAND Handel, Kanton en Bewind Zittingsplaats Alkmaar zaaknummer / rolnummer: C/15/316129 / HA ZA 21-266 Vonnis van 22 december 2021 (bij vervroeging) in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid NEDRALUX B.V., gevestigd te Weert, eiseres, advocaat mr. S. Hartog te Alkmaar, tegen 1 [gedaagde 1] , 2. [gedaagde 2], beiden wonende te [woonplaats] ( [provincie] ), gedaagden, advocaat mr. P.G. Wemmers te Alkmaar. Partijen zullen hierna Nedralux en [gedaagden] (in enkelvoud) genoemd worden. De zaak in het kort Deze zaak gaat over de vraag of [gedaagden] op basis van een ”no cure no pay” overeenkomst een vergoeding moet betalen voor de werkzaamheden die een door hem ingeschakelde adviseur op het gebied van planschade heeft verricht. De rechtbank oordeelt dat dit niet het geval is. De ‘overeenkomst planschade advisering’ moet, gelet op de partijbedoeling, zo worden uitgelegd dat alleen een vergoeding verschuldigd is als een geldelijke uitkering door de gemeente [gemeente] aan [gedaagden] heeft plaatsgevonden. Dat is niet gebeurd. De planschadeprocedure van [gedaagden] heeft geleid tot een tegemoetkoming in schade door compensatie in natura, namelijk een herstelmogelijkheid om alsnog te bouwen overeenkomstig de bepalingen uit het oude, vervallen uitbreidingsplan. Er is geen sprake van een ‘cure’ zoals overeengekomen in de overeenkomst. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 15 april 2021 met producties 1-14; de conclusie van antwoord met producties 1-10; het tussenvonnis van 7 juli 2021; de brief van de zijde van Nedralux van 9 september 2021 met producties 15-16; de mondelinge behandeling op 24 november 2021, waar zijn verschenen namens Nedralux de heer [xxx] , vergezeld door mr. Hartog en later ook door de heer [adviseur] , en de heer [gedaagde 1] en mevrouw [gedaagde 2] , vergezeld door mr. Wemmers. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Mrs. Hartog en Wemmers hebben gebruik gemaakt van spreekaantekeningen, die zij ter zitting aan de rechtbank hebben overgelegd en die daarmee onderdeel zijn van de processtukken. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2Feiten 2.1. [gedaagden] is sinds 1 mei 1986 eigenaar van het perceel en de daarop gelegen woning aan de [adres] in [gemeente] . 2.2. Op 29 oktober 2013 heeft [gedaagden] een ‘Overeenkomst planschade advisering’ (hierna: de overeenkomst) gesloten met [bedrijfsnaam] , in de persoon van ing. [adviseur] (hierna: [adviseur] of de adviseur). In de door [adviseur] opgestelde overeenkomst is, voor zover hier van belang, het volgende vermeld.“De adviseur is gemachtigd en bevoegd, namens en door eigenaar, alle benodigde werkzaamheden uit te voeren. De werkzaamheden bestaan uit: Het opstellen van de aanvraag tegemoetkoming planschade inclusief planologisch vergelijk en raming planschade, Het bijwonen van hoorzittingen, bijwonen taxatie, bijwonen bezichtiging, het voeren van de administratie en het onderhouden van de contacten met de gemeente en de door de gemeente aan te stellen externe adviseur en het voeren van de vereiste bezwaar en beroepsprocedures. De werkzaamheden van de adviseur vinden plaats op basis van “no cure no pay” en op basis van de verdeling van 50% adviseur - 50% eigenaar van de werkelijke uitkering van de planschade door de gemeente [gemeente] - [provincie] . (…) Eerst na uitkering van de planschade door de gemeente, zal de rekening door de adviseur op basis van de overeengekomen verdeling 50/50 % worden ingediend. Deze zal terstond door de eigenaar worden betaald. Uitgezonderd hiervan is de borgsom van euro 300,- die direct aan de gemeente is verschuldigd. Deze zal door eigenaar worden voldaan. Bij uitkering planschade zal deze door de gemeente worden terugbetaald aan de eigenaar.” 2.3. [adviseur] heeft namens [gedaagden] bij brief van 3 november 2013 een verzoek om een tegemoetkoming in schade ingediend bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente [gemeente] (hierna: het college). [adviseur] heeft daarin gesteld dat [gedaagden] planschade lijdt als gevolg van het op 12 juni 2009 in werking getreden bestemmingsplan “ [bestemmingsplan] ” (hierna: het nieuwe bestemmingsplan). Het nieuwe bestemmingsplan bevat namelijk niet de (bouw)mogelijkheden die er waren onder het voorheen geldende “ [uitbreidingsplan] ” (hierna: het uitbreidingsplan). [adviseur] heeft de te vergoeden planschade gesteld op € 1.405.060,00. 2.4. Bij besluit van 11 juni 2014 heeft het college het verzoek om planschade afgewezen. Bij besluit van 27 november 2014 heeft het college het door [gedaagden] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. 2.5. Bij e-mail van 28 oktober 2015 heeft [adviseur] naar aanleiding van de vraag van [gedaagden] of verkoop van een stuk grond aan zijn kinderen nog zin had, het volgende geantwoord, voor zover hier van belang:“In jullie zaak ligt er geen besluit van het college dat er sprake is van planschade. Dus staat niets het in de weg dat een perceel van 1000 m2 aan de kinderen kan worden “verkocht” en op een fiscaal aantrekkelijke wijze wordt overgedragen. (…) Als vervolgens de schade wel wordt vastgesteld middels een planschadebesluit dan dient dit besluit uit te gaan van die nieuwe eigendomsverhoudingen. Dan kan de schade alleen in geldelijke middelen worden voldaan. (…)Kortom: verkoop is de snelweg naar het ontvangen van de planschade in geld en de manier om fiscaal aantrekkelijk een deel van het bezit al aan de kinderen over te dragen.”2.6. Bij e-mail van 1 mei 2018 heeft [adviseur] [gedaagden] het volgende gevraagd: “ [mm] , ik heb ff dingetjes voor je uitgezocht inzake de carport, binnenkort ff bijpraten?” 2.7. Bij e-mail van 7 mei 2018 heeft [gedaagden] aan [adviseur] het volgende bericht:“Ik heb het met [nn] gehad over de mogelijkheid een stukje grond op papier te verkopen. We zien af van die mogelijkheid en wachten de uitspraak af. Wat ons betreft is herstel ook prima.(…)” 2.8. Het door [gedaagden] tegen het besluit van 27 november 2014 ingestelde beroep heeft deze rechtbank bij uitspraak van 1 juni 2018 gegrond verklaard. Daarbij is het besluit van 27 november 2014 vernietigd en is het college opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Tegen deze uitspraak hebben [gedaagden] en het college hoger beroep ingesteld. 2.9. Bij uitspraak van 18 december 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de ABRS) bepaald dat het college aan [gedaagden] zal betalen een tegemoetkoming in planschade van € 305.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente, indien [gedaagden] , om redenen die buiten zijn macht liggen, geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om binnen twee jaren na die uitspraak een aanvraag om omgevingsvergunning in te dienen om de onder het uitbreidingsplan bestaande, en nu vervallen, (bouw)mogelijkheden alsnog te realiseren, dan wel gedurende drie jaar na afgifte van de vergunning daarvan geen gebruik heeft kunnen maken. Daarnaast heeft de ABRS het college onder meer veroordeeld tot betaling aan [gedaagden] van de in bezwaar, in beroep en in hoger beroep gemaakte proceskosten. 2.10. Het college heeft de proceskosten en de door [gedaagden] betaalde borg van € 300,00 op 25 februari 2020 uitgekeerd aan [adviseur] . [adviseur] heeft deze bedragen behouden. 2.11. Bij e-mail van 10 september 2020 heeft [gedaagden] [adviseur] het volgende bericht, voor zover hier van belang:“Maandag 7 september j.l. vonden wij aangetekende stukken in de brievenbus. (…)We hebben sinds de uitspraak van de Raad van State nog geen actie ondernomen en geen contact gehad met de gemeente. Er is zoals je weet geen uitkering geweest van de planschade door de gemeente. De rekening zou volgens de overeenkomst pas gestuurd worden na uitkering van de planschade. We beraden ons over hoe nu verder met de bouwplannen en houden je op de hoogte.”2.12. Bij brief van 27 oktober 2020 heeft [adviseur] [gedaagden] naar aanleiding van hun gesprek op 9 oktober 2020 - voor zover hier van belang - het volgende bericht:“Omdat er tussen het moment van de aanvraag en de definitieve beslechting van het dossier er onduidelijkheid bestaat over de te erkennen hoogte van de planschade is in onze overeenkomst er bewust voor gekozen om uit te gaan van “de werkelijke uitkering van de planschade”. Deze is dan dus niet gebaseerd op hetgeen in de aanvraag als schadebedrag was gesteld. In de voorliggende zaak leidt dit tot een zeer aanzienlijk voordeel voor jullie. Ook dat is “All in de game”.[adviseur] heeft [gedaagden] daarnaast bericht dat hij [gedaagden] conform de overeenkomst een factuur heeft gestuurd van 50% van de tegemoetkoming in planschade zoals door de ABRS is vastgesteld, zijnde een bedrag van € 152.450,00. Op dit bedrag is de door [gedaagden] betaalde borgsom van € 300,00 in mindering gebracht. 2.13. Bij brief van dezelfde datum heeft [adviseur] [gedaagden] meegedeeld dat hij de eigendom van zijn vordering van € 152.450,00 heeft overgedragen aan Nedralux door middel van een akte van cessie. 2.14. Bij e-mail van 27 november 2020 heeft Nedralux contact gezocht met [gedaagden] om een regeling te treffen voor de door haar overgenomen vordering. 2.15. Bij brief van 30 november 2020 aan Nedralux heeft de advocaat van [gedaagden] bericht dat de vordering wordt betwist omdat er geen planschade is uitgekeerd: “Voor uw begrip, er is destijds uitsluitend gesproken over een vergoeding in de vorm van geld en niet over compensatie in natura. Ook uit de bewoordingen van de door de heer [adviseur] opgestelde overeenkomst (“werkelijke uitkering van de planschade door de gemeente [gemeente] - [provincie] ”) mag dit genoegzaam blijken”.2.16. Bij brief van 25 maart 2021 heeft [adviseur] aan [gedaagden] het volgende bericht.“Hierbij bevestig ik nogmaals dat ik de gehele afhandeling van de planschadeclaim voor wat mijn werkzaamheden en financiële afhandeling van onze overeenkomst betreft integraal heb gecedeerd aan Nedralux B.V. dhr. [xxx] ” 2.17. Op 1 april 2021 heeft Nedralux conservatoir beslag laten leggen op het perceel van [gedaagden] aan de [adres] in [gemeente] . 2.18. Op 12 april 2021 heeft Nedralux [gedaagden] een factuur toegezonden tot betaling van € 535.00,00, zijnde 50% van de werkelijke uitkering van de planschade volgens Nedralux. [gedaagden] heeft deze factuur niet betaald. 3Het geschil De vorderingen van Nedralux 3.1. Nedralux vordert na vermeerdering van eis ter zitting samengevat - dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,Primair I. [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van € 535.000,00, althans € 174.136,14, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente; Subsidiair II. voor recht verklaart dat [gedaagden] gehouden is de vordering van Nedralux van € 535.000,00, althans € 174.136,14, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, te voldoen op het moment dat [gedaagden] zijn tegemoetkoming voor de door hem geleden planschade alsnog te gelde maakt:a. door alsnog een omgevingsvergunning te verkrijgen voor het realiseren van de (bouw) mogelijkheden (realiseren extra bouwkavel) zoals dit voor hem mogelijk was onder het uitbreidingsplan,b. door het overgaan tot verkoop van zijn percelen, dan welc. op een door de rechtbank te bepalen moment, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente sinds dit betreffende moment;Meer subsidiairIII. voor recht verklaart dat [gedaagden] gehouden is, in het geval de gemeente alsnog overgaat tot een geldelijke uitkering aan [gedaagden] in het geval zich de situatie voordoet dat sprake blijkt te zijn van de situatie waarin “compensatie in natura niet mogelijk zal blijken om redenen gelegen buiten de macht van aanvragers”, 50% van de door de gemeente aan hem uitgekeerde geldelijke uitkering voor de geleden planschade aan Nedralux te betalen, vermeerderd met de daarover door de gemeente aan [gedaagden] uitgekeerde wettelijke handelsrente, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf het moment van ontvangst van dit bedrag door [gedaagden] ;Meer meer subsidiairIV. voor recht verklaart dat [gedaagden] onrechtmatig handelt jegens Nedralux in het geval zij de uitkering van de tegemoetkoming voor de planschade niet effectueert voor het verstrijken van de door de ABRS gestelde termijn van twee jaar na het onherroepelijk worden van het besluit tot uitkering van de tegemoetkoming voor de planschade, zijnde per 19 december 2021;V. [gedaagden] veroordeelt alsdan tot vergoeding over te gaan van de daardoor door Nedralux geleden schade, bestaande uit een bedrag van € 535.000,00, althans € 174.136,14, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag; VI. [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van € 5.384,50, althans € 2.786,03, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten; VII. [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt in de kosten van deze procedure en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente. Standpunt Nedralux 3.2. Nedralux legt aan haar vorderingen, samengevat, het volgende ten grondslag. 3.2.1. Nedralux vordert primair nakoming van de overeenkomst, te weten betaling van 50% van de werkelijk uitgekeerde planschade (middels de teruggegeven bouwrechten). Die schade bedraagt, gelet op het in opdracht van [gedaagden] op 7 februari 2018 uitgebrachte taxatierapport van [ooo] Taxaties, € 1.070.000,00. Daarmee komt de vergoeding neer op een bedrag van € 535.000,00. [gedaagden] is dit bedrag op basis van de overeenkomst verschuldigd, althans een bedrag van € 174.136,14 (de vaststelling van de tegemoetkoming in planschade door de ABRS vermeerderd met wettelijke rente), omdat sinds de uitspraak van de ABRS de tegemoetkoming in planschade in natura is uitgekeerd. [gedaagden] heeft zijn planschade namelijk vergoed gekregen middels het alsnog kunnen realiseren van de bebouwingsmogelijkheden die hij op grond van het uitbreidingsplan had. 3.2.2. In de overeenkomst wordt uitdrukkelijk niet gesproken over een ‘tegemoetkoming in geld’. Partijen gingen ervan uit dat ook bij een uitkering van een planschadevergoeding in natura, 50% van de vastgestelde tegemoetkoming in planschade betaald moest worden aan [adviseur] . [gedaagden] had wetenschap van en overleg met [adviseur] gevoerd over een planschadevergoeding in natura. Dat blijkt niet alleen uit de aanvraag om planschade, maar ook uit de onder de punten 2.5, 2.6 en 2.7 weergegeven e-mailcorrespondentie tussen [adviseur] en [gedaagden] . Uit die e-mailwisseling blijkt dat de mogelijkheid van herstel van bouwmogelijkheden is besproken, dat [gedaagden] zich expliciet akkoord heeft verklaard met een dergelijke uitkering in natura waartoe het college wenste over te gaan en dat er voor [gedaagden] opties waren om desalniettemin de schadevergoeding in euro’s veilig te stellen middels een verkoop aan zijn kinderen. 3.2.3. Dat sprake is geweest van een werkelijke uitkering van planschade door de gemeente blijkt uit het feit dat zij de borgsom van € 300,00 heeft teruggestort. De werkzaamheden van [adviseur] hebben dus tot resultaat - [gedaagden] is door de uitkering aantoonbaar € 1.430.960,00 rijker - en daardoor tot een “cure” geleid. Dit betekent dat [gedaagden] gehouden is tot betaling van de tussen partijen overeengekomen vergoeding. 3.2.4. Voor het geval dat de rechtbank oordeelt dat er door de uitkering in natura nog geen werkelijke uitkering heeft plaatsgevonden en [gedaagden] nog niet is gehouden over te gaan tot betaling, vordert Nedralux subsidiair de hiervoor weergegeven verklaring voor recht. Voor andere resterende mogelijkheden - dat de gemeente alsnog overgaat tot een geldelijke uitkering omdat sprake is van een situatie dat [gedaagden] om redenen die buiten zijn macht liggen geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om binnen twee jaren na de uitspraak van de ABRS een aanvraag om omgevingsvergunning in te dienen, of dat [gedaagden] zelf afziet van het aanvragen van een omgevingsvergunning - heeft Nedralux de meer subsidiaire vordering respectievelijk de meer meer subsidiaire vorderingen ingediend. Die laatste vorderingen baseert Nedralux op onrechtmatig handelen van [gedaagden] jegens haar, waardoor zij schade lijdt. Verweer [gedaagden] 3.3. voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van Nedralux in haar vorderingen dan wel deze vorderingen af te wijzen, met veroordeling van Nedralux in de proceskosten, waaronder de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente. Zijn verweer laat zich als volgt samenvatten. 3.3.1. [gedaagden] is niets verschuldigd aan [adviseur] , omdat de planschadeprocedure niet tot het door partijen beoogde resultaat, namelijk een geldelijke uitkering, heeft geleid. De afspraak was dat [adviseur] de planschadeprocedure voor [gedaagden] , een leek op het gebied van planschade, zou begeleiden. Indien dit zou leiden tot een geldelijke uitkering voor [gedaagden] , zou [adviseur] daarvan de helft ontvangen als vergoeding voor zijn werkzaamheden. 3.3.2. Tussen [adviseur] en [gedaagden] is ten tijde van de ondertekening van de overeenkomst niet gesproken over de mogelijkheid van compensatie in natura. De ‘werkelijke uitkering’ zou een uitkering in geld zijn. [adviseur] wist dat [gedaagden] niet wilde bouwen of zijn perceel en/of woning anderszins wilde wijzigen. Uit de tekst van de overeenkomst blijkt ook niet dat compensatie in natura een mogelijk resultaat zou kunnen zijn en dat deze leidt tot een betalingsverplichting voor [gedaagden] . Als partijen dat gewild hadden, had [adviseur] , die als professionele partij de overeenkomst heeft opgesteld en vanaf 2012 diverse planschadezaken in verband met het nieuwe bestemmingsplan behandelde, die afspraak met zoveel woorden in de overeenkomst moeten opnemen. Dat is niet gebeurd. Om niet voortijdig aan kosten vast te zitten heeft [gedaagden] in de overeenkomst laten opnemen: ‘Eerst na uitkering van de planschade door de gemeente, zal de rekening door de adviseur (…) worden ingediend’. Met uitkering heeft [gedaagden] bedoeld uitkering in geld. [adviseur] had [gedaagden] erop gewezen dat de gemeente beschikte over een potje geld waaruit planschadevergoedingen werden betaald. 3.3.3. In de aanvraag om planschade staat over compensatie in natura ook niets. Mediaberichten bevestigen dat [adviseur] van meet af aan heeft ingezet op uitkering(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.