RECHTBANK NOORD-HOLLAND Handel, Kanton en Insolventie locatie Haarlem Zaaknr./rolnr.: 8826046 AO VERZ 20-168 Uitspraakdatum: 21 januari 2021 Beschikking in de zaak van: [werknemer] wonende te [woonplaats] verzoeker partij hierna: [werknemer] gemachtigde: mr. S. Ramautar tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [werkgever] gevestigd te [plaats] verwerende partij hierna: [werkgever] gemachtigde: mr. D. van der Mark Samenvatting van deze zaak In deze zaak oordeelt de kantonrechter dat een oproepkracht terecht op staande voet is ontslagen. De werknemer is ondanks waarschuwing niet op zijn werk verschenen op dagen waarvoor hij was opgeroepen, omdat hij op hetzelfde moment bij zijn andere werkgever moest werken. De werknemer heeft geen overleg met de werkgever gevoerd over een oplossing voor dit door hem zelf gecreeërde roosterprobleem. In plaats daarvan heeft hij zich bij de werkgever ziekgemeld op basis van een arbeidsconflict. Hij was vervolgens onbereikbaar voor de werkgever, omdat hij bij zijn andere werkgever aan het werk was. Deze omstandigheden leveren een dringende reden voor ontslag op staande voet op en zijn ernstig verwijtbaar. De vorderingen van werknemer tot betaling van een billijke vergoeding, transitievergoeding en gefixeerde schadevergoeding worden daarom afgewezen. 1Het procesverloop 1.1. [werknemer] heeft een verzoek gedaan om toekenning van onder meer een billijke vergoeding. [werkgever] een verweerschrift ingediend. 1.2. Op 5 januari 2021 heeft een zitting plaatsgevonden. Partijen hebben daar hun standpunten toegelicht en vragen beantwoord. De griffier heeft daarvan aantekeningen gemaakt. 2De feiten 2.1. [werknemer] , geboren [in 1998] , is op 17 oktober 2016 in dienst getreden bij [werkgever] op basis van een arbeidsovereenkomst met uitgestelde prestatieplicht voor onbepaalde tijd. [werknemer] was Chauffeur en verdiende € 11,50 bruto per uur exclusief 8% vakantietoeslag en 9,7% vakantie-aanspraken. Sinds maart 2020 ontving [werknemer] een ‘NOW-vergoeding’ op basis van 51,25 uur per maand. 2.2. In de arbeidsovereenkomst staat dat de werkgever verplicht is de werknemer op te roepen als er werk voorhanden is en dat werknemer als hij is opgeroepen verplicht is de arbeid te verrichten. 2.3. Bij e-mail van 17 juli 2020 heeft [werknemer] zijn beschikbaarheid voor de maand augustus 2020 aan [werkgever] doorgegeven. 2.4. Bij e-mail van 27 juli 2020 heeft [werknemer] [werkgever] laten weten dat hij in augustus niet meer ingepland hoefde te worden, aangezien er niet op zijn beschikbaarheid was gereageerd. 2.5. Op 29 juli 2020 is er telefonisch contact geweest tussen [werknemer] en een planningsmedewerker van [werkgever] over de planning van augustus 2020. [werknemer] heeft toen doorgegeven dat hij de weekenden in augustus ingeroosterd kon worden. Later die dag heeft de planningsmedewerker het rooster aan [werknemer] gestuurd, waarop hij voor 8, 9, 15, 16, 22 en 23 augustus 2020 (drie weekenden) was ingeroosterd. 2.6. Bij e-mail van 30 juli 2020 heeft [werknemer] het volgende aan [werkgever] geschreven: ‘Via deze weg wil ik je laten weten dat ik in augustus niet beschikbaar ben om te werken. Ik heb een vast nul uren contract, dit impliceert dat ik geen 50,25 uur hoef te werken voor de NOW overbrugging. (…). Ik zou het op prijs stellen dat jullie je aan de regels houden omtrent mijn contract en NOW subsidie regeling.’ 2.7. Bij e-mail van 30 juli 2020 heeft [werkgever] [werknemer] erop gewezen dat hij gehouden is gehoor te geven aan de oproepen en dat hij geen aanspraak op de NOW kan maken als hij niet beschikbaar is. 2.8. Bij e-mail van 4 augustus 2020 heeft [werkgever] aan [werknemer] geschreven dat het niet verschijnen op de ingeroosterde dagen wordt gezien als werkweigering, wat verstrekkende gevolgen voor zijn contract zal hebben. 2.9. Op 8 augustus 2020 heeft [werknemer] een planningsmedewerker van [werkgever] gebeld en gezegd dat hij zich ziek meldt op basis van een arbeidsconflict. Nadat de planningsmedewerker had aangegeven dat hij zich daarvoor niet kon ziekmelden, gaf [werknemer] aan dat hij er met een jurist over had gesproken en dat dat wel kon, omdat er geen reactie op zijn beschikbaarheid was gekomen. [werknemer] heeft in dat gesprek ook aangegeven dat hij het graag wilde weten als hij geen NOW-betaling zou krijgen doordat hij de weekenden niet komt werken omdat hij al ergens anders ingeroosterd is. 2.10. Op 8 en 9 augustus 2020 is [werknemer] niet bij [werkgever] komen werken. 2.11. Bij e-mail van 12 augustus 2020 heeft [werkgever] [werknemer] verzocht contact op te nemen omdat zij hem al een paar dagen niet kon bereiken. 2.12. [werknemer] heeft [werkgever] per e-mail van 12 augustus 2020 geschreven dat hij die dag niet bereikbaar was geweest, omdat hij aan het werk was en dat hij in het vervolg alleen per e-mail wil communiceren omdat dat minder stress geeft. 2.13. Op 15 augustus 2020 is [werknemer] niet op het werk verschenen. 2.14. Bij e-mail van 15 augustus 2020 heeft [werkgever] [werknemer] op staande voet ontslagen omdat: De conclusie is dat u tijdig bent ingeroosterd maar zonder geldige reden voor verhindering niet op bent komen dagen ondanks het feit dat u beeindiging van het contract in het vooruitzicht is gesteld. Uw afwezigheid en het volharden bij uw onjuiste standpunt merken wij aan als een dringende reden op grond waarvan wij het contract met u hierdoor onmiddellijk opzeggen (ontslag op staande voet). Met deze beslissing hebben wij ook mee laten wegen dat de gevolgen van het ontslag voor u niet diep zullen ingrijpen omdat u reeds een andere werkgver heeft. Dat is volgens uw opgave immers de reden dat u niet beschikbaar bent om werk bij ons bedrijf te verrichten. (…)’ 3Het verzoek 3.1. [werknemer] verzoekt de kantonrechter – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad- aan [werknemer] te voldoen: de gefixeerde schadevergoeding van € 1.917,58 bruto; de transitievergoeding van € 1.650,51 bruto; een billijke vergoeding van € 10.000,- bruto; de wettelijke rente over de onder i, ii en iii genoemde bedragen; de proceskosten vermeerderd met nakosten. 3.2. Aan dit verzoek legt [werknemer] ten grondslag dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is omdat de werkweigering onder de gegeven omstandigheden niet als een dringende reden kwalificeert. Doordat [werknemer] ten onrechte op staande voet is ontslagen, heeft hij recht op een transitievergoeding, gefixeerde schadevergoeding (loon over de periode van 15 augustus – 1 oktober 2020) en een billijke vergoeding van € 10.000,- bruto. De billijke vergoeding is verschuldigd omdat [werkgever] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld door op te zeggen tijdens ziekte en gedurende de coronacrisis en door niet in te gaan op het voorstel van [werknemer] tot aanpassing van zijn arbeidsomvang. 4Het verweer 4.1. [werkgever] verweert zich tegen het verzoek en vrezoekt om afwijzing van de verzoeken van [werknemer] . Op het verweer zal bij de beoordeling nader worden ingegaan. 5De beoordeling 5.1. Het gaat in deze zaak om de vraag of [werknemer] op 15 augustus 2020 terecht op staande voet is ontslagen. 5.2. Gelet op het bepaalde in artikel 7:686a lid 4 aanhef en onderdeel a van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft [werknemer] zijn verzoek tijdig, namelijk binnen twee maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, ingediend. Geldig ontslag op staande voet? 5.3. Volgens artikel 7:677 lid 1 BW moet een ontslag op staande voet onverwijld worden gegeven, met gelijktijdige mededeling van de dringende reden voor dat ontslag. Als dringende reden in de zin van artikel 7:677 lid 1 BW worden op grond van artikel 7:678 lid 1 BW beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die ten gevolge hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet verlangd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Bij de beoordeling van de vraag of van een dringende reden sprake is, moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen. Daarbij behoren in de eerste plaats te worden betrokken de aard en ernst van hetgeen de werkgever als dringende reden aanmerkt, en verder onder meer de aard en duur van de dienstbetrekking, de wijze waarop de werknemer deze heeft vervuld en de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals de leeftijd en de gevolgen die een ontslag op staande voet zou hebben. De werkgever moet stellen en bewijzen dat een dringende reden bestaat. 5.4. Naar het oordeel van de kantonrechter is het ontslag op staande voet rechtsgeldig. Daartoe wordt het volgende overwogen. 5.5. Door [werknemer] is niet betwist dat het ontslag onverwijld is gegeven. Daarom zal van de tijdigheid daarvan worden uitgegaan. 5.6. De reden voor het ontslag op staande voet is – samengevat – dat [werknemer] ondanks tijdige inroostering zonder geldige reden voor verhindering niet is komen werken op 8 en 15 augustus 2020, ondanks het feit dat hem een beeindiging van het contract in het vooruitzicht was gesteld. Het daaraan ten grondslag gelegde feitencomplex is hierboven weergegeven. 5.7. [werknemer] betwist deze feiten niet, maar stelt zich op het standpunt dat deze geen ontslag op staande voet rechtvaardigen, omdat:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.