RECHTBANK NOORD-HOLLAND Handel, Kanton en Insolventie locatie Haarlem Zaaknr./rolnr.: 8782175 CV EXPL 20-8162 Uitspraakdatum: 20 januari 2021 Vonnis van de kantonrechter in de zaak van: [eiser] wonende te [woonplaats] eiser verder te noemen: [eiser] gemachtigde: mrs. A.W. Brantjes en P.A.M. Neijtzell de Wilde tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid[gedaagde] gevestigd te [plaats] gedaagde verder ook te noemen: [gedaagde] gemachtigde: mrs. J. Veenis en C.T.J. Brandsen 1Het procesverloop 1.1. [eiser] heeft bij dagvaarding van 18 september 2020 een vordering tegen [gedaagde] ingesteld. [gedaagde] heeft schriftelijk geantwoord. 1.2. Op 17 december 2020 heeft een zitting plaatsgevonden. Op verzoek van partijen is tijdens deze comparitie gelijktijdig de samenhangende verzoekschriftprocedure met als zaaknummer 8768204 AO VERZ 20-153 behandeld. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van hetgeen partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Partijen hebben gebruik gemaakt van pleitaantekeningen, die zijn overgelegd. 1.3. Voorafgaand aan de zitting heeft [gedaagde] bij brief van 7 december 2020 aanvullende producties nagezonden. Bij brief van 15 december 2020 heeft [eiser] nadere stukken nagezonden. [gedaagde] heeft bij brief van 16 december 2020 hiertegen bezwaar gemaakt, waarop [eiser] heeft gereageerd. 1.4. Ter zitting heeft de kantonrechter geoordeeld dat hij aanleiding ziet om de nader ingebrachte producties bij brief van 15 december 2020 buiten beschouwing te laten. De omvang van deze producties in samenhang met het late tijdstip waarop deze zijn overgelegd, verdraagt zich niet met de goede procesorde. 2De feiten 2.1. In 2003 heeft [eiser] de eenmanszaak [naam eenmanszaak] opgericht. [eenmanszaak] groeide uit tot een groothandel in bovenkleding en souvenirs, gericht op de toeristenbranche. 2.2. Op 25 mei 2010 is deze eenmanszaak overgegaan in de besloten vennootschap [vennootschap 1] Deze vennootschap kende als enig aandeelhouder en bestuurder [vennootschap 2] B.V., waarvan de enige bestuurder [eiser] was. 2.3. In 2019 verkeerde [vennootschap 1] financieel in zwaar weer en een faillissement dreigde. Vanaf mei 2019 zijn er meerdere gesprekken gevoerd inzake een eventuele doorstart van [vennootschap 1] met verschillende partijen, waaronder met [bestuurder vennootschap 3] (voorheen enig aandeelhouder/bestuurder van [vennootschap 3] ). De partner van [eiser] , [naam partner] , is tevens bij deze gesprekken betrokken geweest. 2.4. Op 10 juni 2019 is [eiser] akkoord gegaan met het voorstel van [bestuurder vennootschap 3] en [bestuurder vennootschap 4] (voorheen enig aandeelhouder/bestuurder van [vennootschap 4] ). 2.5. Op 18 juni 2019 is [vennootschap 5] opgericht, tevens handelend onder de namen: [handelsnaam 1] , respectievelijk [handelsnaam 2] . De bestuurders van [vennootschap 5] waren [vennootschap 3] en [vennootschap 4] 2.6. [eiser] is met ingang van 21 juni 2019 voor één jaar bij [vennootschap 5] in dienst getreden in de functie van Commercieel Manager tegen een bruto maandsalaris van € 3.900,- exclusief vakantietoeslag en emolumenten. 2.7. Op 25 juli 2019 is [vennootschap 1] failliet verklaard. 2.8. Op 14 oktober 2019 is [gedaagde] opgericht met [vennootschap 5] als enig aandeelhouder en bestuurder. 2.9. Met ingang van 15 januari 2020 is de arbeidsovereenkomst van [eiser] gewijzigd in die zin dat [gedaagde] als werkgever is gaan optreden. 2.10. Bij e-mail van 11 maart 2020 heeft [naam partner] een telefoongesprek met [bestuurder vennootschap 3] gerecapituleerd, waarop [bestuurder vennootschap 3] in rode letters heeft geantwoord als volgt: “Hi [voornaam] , Hierbij op mail wat we vanochtend en net per telefoon besproken hebben, zoals ik het begrepen heb: Vanaf 1 januari 2020 komt [eisers] management fee op € 6.000,-- ex btw Klopt [eiser] zal op de payroll blijven van [gedaagde] . Ja, ik denk in ieder geval voor 2020 e.e.a. afhankelijk van de externe ontwikkelingen met betrekking tot de afwikkeling van [aanduiding] . ” 2.11. Bij e-mail van 14 mei 2020 heeft [bestuurder vennootschap 3] in naam van [gedaagde] de arbeidsovereenkomst met [eiser] opgezegd als volgt:“Beste [eiser] , Naar aanleiding van ons gesprek van hedenmiddag en onze bespreking en mondelinge toelichting per skypemeeting op donderdagavond 7 Mei bevestig ik jou hierbij dat er besloten is om jouw jaar contract per einde contract datum niet te verlengen. Wij vinden het zeer spijtig dat we alle gemaakte plannen voor de toekomst niet met elkaar tot uitvoer kunnen brengen. De economische situatie en het uiterst onzekere toekomst perspectief voor [gedaagde] & [handelsnaam 2] heeft ons genoodzaakt deze beslissing te nemen. De nog opgebouwde dagen kunnen in de komende weken worden opgenomen waarmee jou laatste werkdag is bepaald op 20 Juni 2020.” 2.12. [eiser] antwoordt bij e-mail van 29 mei 2020 op het bovenstaande, als volgt:“Ik ben het dus niet eens met de mededeling dat mijn arbeidsovereenkomst eindigt per 20 juni 2020. Op 13 maart 2020 zijn wij bovendien overeengekomen (zowel in een gesprek op kantoor onder aanwezigheid van [voornaam 2] en [voornaam 3] , als telefonisch en per email) dat ik per 1 januari 2020 een management vergoeding van € 6.000 ex btw zou ontvangen (…) Daarnaast is mij ten tijde van het faillissement en ook in latere besprekingen (de laatste d.d. 11 maart 2020) 25% van de aandelen tegen een bedrag van € 1,- toegezegd. Deze gesprekken hebben plaatsgevonden in aanwezigheid van jou, mij, [voornaam 2] en [voornaam 3] . Het is op basis van deze toezegging en het goede gevoel dat ik bij jullie had, dat ik het bod voor een doorstart van een andere partij heb afgeslagen en voor jullie heb gekozen.” 3De vordering 3.1. [eiser] verzoekt de kantonrechter primair om, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen tot, althans te oordelen tot: I. een verklaring voor recht dat [gedaagde] gehouden is tot nakoming van de afspraken van 13 maart 2020 inzake de managementfee tot en met 31 december 2020, danwel een door de kantonrechter te bepalen andere datum; II. betaling van een bedrag ad € 45.840,- inclusief btw aan [eiser] uit hoofde van achterstallige mangementfees van januari tot en met september 2020 (verrekend met uitbetaald salaris van januari tot en met mei 2020) danwel een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen ander bedrag; III. betaling van een maandelijks bedrag aan [eiser] – met inachtneming van punt II te rekenen vanaf oktober 2020 – van € 6.000,- exclusief btw aan managementfee tot en met 31 december 2020, danwel vanaf en tot een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen andere datum, op straffe van een onmiddellijk opeisbare dwangsom van € 10.000,- ineens en € 500,- voor iedere dag dat [gedaagde] het gebod niet naleeft. 3.2. Subsidiair verzoekt [eiser] de kantonrechter, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen tot: I. betaling van een bedrag van € 27.300,- bruto aan [eiser] , te vermeerderen met emolumenten, pro rata vakantiegeld en vakantiedagen uit hoofde van achterstallige looncomponenten van juni tot en met september 2020, danwel een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen ander bedrag; II. betaling van de maximale wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW over het achterstallige salaris, de emolumenten, de vakantiebijslag en de vakantiedagen als vermeld onder punt I hierboven, dan wel door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedragen; III. betaling van een maandelijks bedrag (vanaf oktober 2020) van € 3.900,- bruto aan [eiser] (met inachtneming van punt I hierboven te rekenen) aan salaris, te vermeerderen met emolumenten, pro rata vakantiegeld en vakantiedagen, tot en met 31 december 2020, danwel vanaf en tot een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen andere datum, op straffe van een onmiddellijk opeisbare dwangsom van € 10.000,- ineens en € 500,- voor iedere dag dat [gedaagde] het gebod niet naleeft. 3.3. Meer subsidiair verzoekt [eiser] de kantonrechter, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen tot: I. betaling van een bedrag van € 3.900,- bruto aan [eiser] , te vermeerderen met alle emolumenten, pro rata vakantiebijslag en vakantiedagen aan achterstallige looncomponenten over de maand juni 2020; II. betaling van de maximale wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW over het achterstallig salaris, de emolumenten, de vakantiebijslag en de vakantiedagen als vermeld onder punt I hierboven, dan wel door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedragen. 3.4. Zowel primair als subsidiair verzoekt [eiser] de kantonrechter, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen tot: I. een verklaring voor recht dat [gedaagde] gehouden is tot nakoming van alle verplichtingen uit hoofde van de arbeidsovereenkomst tot de datum van rechtsgeldige beëindiging daarvan, zijnde 20 juni 2020, alsmede die voortvloeien uit de beëindiging, zoals betaling van de wettelijke transitievergoeding; II. betaling van de wettelijke rente over alle hierboven toegewezen vermelde bedragen vanaf data opeisbaarheid, totdat algehele voldoening heeft plaatsgevonden; III. betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van primair: € 1.233,40 (exl BTW), subsidiair € 1.408,- (exl BTW) en meer subsidiair € 515,- (ex BTW), danwel een door de kantonrechter te bepalen ander bedrag, in alle gevallen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van het ten dezen te wijzen vonnis tot de dag der algehele voldoening; IV. betaling van de kosten van de procedure, het salaris van de advocaat, alsmede de nakosten. 3.5. [eiser] vordert nakoming van de afspraken uit hoofde van de managementrelatie danwel de arbeidsovereenkomst. [eiser] legt aan zijn vordering het volgende ten grondslag: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.