RECHTBANK NOORD-HOLLAND Team Straf, locatie Haarlemmermeer Meervoudige strafkamer Parketnummer: 15/174987-21 (ontneming) (P) Uitspraakdatum : 18 oktober 2021 Vonnis ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr) Deze beslissing heeft betrekking op de vordering van de officier van justitie van 2 september 2021 ten aanzien van de feiten in de zaak onder bovenstaand parketnummer, strekkende tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e lid 2 Sr in de zaak tegen de veroordeelde: [naam veroordeelde] , geboren op [geboortedatum] 1996 te [geboorteplaats], zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande, thans gedetineerd in P.I. Utrecht, locatie Nieuwersluis. 1De vordering De officier van justitie heeft bij vordering van 2 september 2021 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag als bedoeld in artikel 36e, lid 5 Sr zal vaststellen op € 3.500 en dat aan de veroordeelde de verplichting zal worden opgelegd tot betaling aan de Staat van dat bedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De officier van justitie baseert de vordering op de strafbare feiten waarvoor veroordeelde is gedagvaard om op 4 oktober 2021 te verschijnen voor de meervoudige strafkamer in deze rechtbank. 2Het verloop van de procedure De officier van justitie heeft bovengenoemde vordering aanhangig gemaakt met de oproeping van de veroordeelde om te verschijnen op de terechtzitting van deze rechtbank op 4 oktober
- Het onderzoek heeft plaatsgevonden op 4 oktober
- Daarbij zijn gehoord de veroordeelde, haar raadsman mr. F.D.W. Siccama, advocaat te Amsterdam-Duivendrecht, en de officier van justitie. Vervolgens is het onderzoek gesloten en is de uitspraak bepaald op 18 oktober
- 3Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft ter terechtzitting de vordering voorgedragen en gepersisteerd bij de vordering. 4Het standpunt van de veroordeelde en zijn raadsman De raadsman heeft zich ter terechtzitting gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de ontnemingsvordering. 5De grondslag van de vordering en de veroordeling Bij gelijktijdig gewezen vonnis van deze rechtbank van 18 oktober 2021 is betrokkene veroordeeld ter zake – kort gezegd – invoer van cocaïne. Op grond van deze veroordeling kan aan de veroordeelde op grond van art 36 e, tweede lid, Wetboek van Strafrecht de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, verkregen door middel van of uit de baten van het ingevolge dat vonnis bewezenverklaarde strafbare feit. 5.
- De ontnemingsrapportage Op 16 juli 2021 heeft verbalisant [verbalisant], adjudant-onderofficier werkzaam bij de Koninklijke Marechaussee, een rapport opgesteld betreffende het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel. Dit rapport zal hierna worden aangehaald als de ontnemingsrapportage. De rechtbank heeft bovendien de beschikking gehad over het volledige dossier van de strafzaak. 6De beoordeling van de rechtbank De rechtbank is van oordeel dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen uit de baten van het in de strafzaak bewezenverklaarde feit. Dit voordeel dient haar te worden ontnomen. De rechtbank grondt dit oordeel op de feiten en omstandigheden die in de ontnemingsrapportage zijn vervat alsmede op de verklaring van de veroordeelde ter terechtzitting. Uit de ontnemingsrapportage en de verklaring van veroordeelde ter terechtzitting kan worden afgeleid dat zij de koffer heeft ingecheckt, wetende dat er drugs in die koffer zat en dat zij hiervoor geld heeft gekregen. Zij heeft verklaard dat zij – nadat ze de koffer had ingecheckt op Hato – al € 1.500 heeft gekregen en later, toen ze in Nederland was, nog eens € 2.000 heeft gekregen, omdat ze het werk had gedaan. Opbrengst De opbrengst/vergoeding komt opgeteld neer op ( € 1.500 + € 2.000 = ) € 3.500 Kosten Veroordeelde heeft ter terechtzitting verklaard dat Duth haar vliegticket heeft betaald en zelf geen kosten gemaakt, die in mindering op de opbrengst dienen te worden gebracht. Schatting wederrechtelijk verkregen voordeel Het totale wederrechtelijk verkregen voordeel wordt derhalve geschat op € 3.
- 7Vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel De rechtbank is op grond van het bovenstaande van oordeel dat de maatregel ter ontneming van het wederrechtelijk voordeel moet worden opgelegd. De rechtbank is van oordeel dat vooralsnog niet aannemelijk is geworden dat de veroordeelde nu en in de toekomst over onvoldoende financiële draagkracht zal beschikken om aan een haar op te leggen betalingsverplichting te voldoen. Ook overigens is niet gebleken van feiten en omstandigheden, op grond waarvan het door de veroordeelde te betalen bedrag lager zou moeten worden vastgesteld dan op het bedrag van het geschatte voordeel. De rechtbank zal gelet op het vorenstaande het door de veroordeelde te betalen bedrag vaststellen op € 3.500 [drieduizend vijfhonderd euro]. 8Toepasselijke wettelijke bepaling De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. 9Beslissing De rechtbank: Stelt het bedrag, waarop het wederrechtelijk voordeel wordt geschat, vast op € 3.500 [drieduizend vijfhonderd euro]. Legt aan de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de staat van € 3.500 [drieduizend vijfhonderd euro] ter ontneming van door haar wederrechtelijk verkregen voordeel. Bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 70 dagen. 10Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum Dit vonnis is gewezen door: mr. V.J.M. Goldschmeding, voorzitter, mr. M. Visser en mr. H.D. Overbeek, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.S. Jansen, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 18 oktober
- mr. V.J.M. Goldschmeding is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.