← Nederland

ECLI:NL:RBNHO:2021:12964

vonnis RECHTBANK NOORD-HOLLAND Handel, Kanton en Insolventie Zittingsplaats Haarlem zaaknummer / rolnummer: C/15/314637 / HA ZA 21-162 Vonnis van 22 december 2021 in de zaak van [eiser] , wonende te [plaats 1] , eiser in conventie, verweerder in reconventie, advocaat: mr. E. Dedeic te Amsterdam, tegen [gedaagde] , wonende te [plaats 2] , gedaagde in conventie, eiseres in reconventie, advocaat: mr. J.B. Streefkerk te Almere. Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het tussenvonnis van 21 juli 2021, waarbij een mondelinge behandeling is gelast, en de daarin genoemde stukken; de door [gedaagde] in het geding gebrachte aanvullende productie; de mondelinge behandeling van 9 november 2021, waarvan door de griffier aantekeningen zijn bijgehouden en waarbij door [eiser] pleitaantekeningen zijn overgelegd. 1.2. Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald. 1.3. Op 23 november 2021 heeft [gedaagde] per fax verzocht dat de rechtbank een makelaar aanwijst, omdat de door [eiser] voorgestelde makelaars niet in [plaats 1] zijn gevestigd. Bij brief van 23 november 2021 heeft [eiser] gereageerd op de fax van [gedaagde] . De rechtbank zal op deze berichten in overweging 2.9 van dit vonnis ingaan. 2De beoordeling in conventie en in reconventie Waar gaat de zaak over? 2.1. [eiser] en [gedaagde] hebben vanaf 2014 een relatie gehad en begin 2017 is hun dochter geboren. Partijen hebben geen samenlevingscontract gesloten. Sinds maart 2017 zijn zij gezamenlijk eigenaar van een koophuis aan de [adres] in [plaats 1] (hierna: de woning). Tijdens de relatie verzorgde [gedaagde] de administratie van [eiser] privé en van de ondernemingen van ieder van partijen. Zij had daarvoor toegang tot de bankrekeningen en DigiD van [eiser] en maakte geld over van de bankrekeningen van [eiser] naar haar eigen bankrekeningen. In juni 2020 is de relatie tussen partijen geëindigd. [gedaagde] heeft toen de woning verlaten en daarna nog verschillende gezamenlijke schulden betaald. Partijen willen komen tot een afwikkeling van hun relatie. Op hoofdlijnen betekent dit dat: de woning moet worden toebedeeld aan één van de partijen of moet worden verkocht aan een derde; er een financiële afwikkeling moet komen van de bedragen die beide partijen stellen nog te vorderen te hebben van de andere partij; de inboedel moet worden verdeeld. De vorderingen van partijen 2.2. [eiser] vordert in deze procedure samengevat dat: de woning aan hem wordt toebedeeld tegen de in juni 2020 vastgestelde waarde; [gedaagde] hem (de helft van) de bedragen terugbetaalt die zij heeft onttrokken van zijn privé bankrekeningen en zakelijke bankrekening; [gedaagde] hem de bedragen terugbetaalt die [eiser] tijdens de relatie heeft voorgeschoten voor ziektekostenpremies, verzekeringspremies, gemeentelijke belastingen en hypotheekpenningen. De door [eiser] gevorderde bedragen tellen op tot een totaalbedrag van € 56.127,85. 2.3. [gedaagde] vordert in reconventie samengevat dat: [eiser] medewerking verleent aan een nieuwe taxatie van de woning en dat de woning moet worden verkocht aan een derde voor het geval [eiser] de woning niet binnen drie maanden daarna kan overnemen, waarbij [eiser] zijn medewerking moet verlenen aan de verkoop van de woning; [eiser] haar een vergoeding betaalt voor het gebruik van de woning van € 550 per maand, te vermeerderen met rente; wordt bepaald dat uit de overwaarde van de woning eerst een bedrag van € 22.000 aan [gedaagde] wordt uitgekeerd, omdat zij investeringen heeft gedaan in de woning, en dat daarna de resterende overwaarde bij helfte wordt verdeeld; [eiser] haar een bedrag van € 11.691,18 betaalt, bestaande uit een premie bij Menzis, de helft van de kosten van een taxatie van de woning, de helft van een terugvordering van de Belastingdienst en de helft van de afkoop van een lease contract, te vermeerderen met rente; [eiser] een deel van de inboedel afgeeft aan [gedaagde] . Wat moet er gebeuren met de woning? 2.4. [eiser] en [gedaagde] zijn het met elkaar eens dat er een verdeling moet komen van de woning. [eiser] wil eerst de kans krijgen om te onderzoeken of hij de woning zelf kan overnemen van [gedaagde] . Pas als blijkt dat hij dat (financieel) niet kan, wil hij de woning verkopen. [gedaagde] heeft aangevoerd [eiser] financieel niet in staat is om de woning over te nemen en dat hij met financiële stukken moet aantonen dat hij wel kan. 2.5. De rechtbank vindt dat [eiser] de kans moet krijgen om te onderzoeken of hij de woning kan overnemen. Het enige nadeel wat [gedaagde] daarvan heeft, is dat de verdeling van de woning dan (misschien) langer duurt. Om te voorkomen dat de verdeling te lang wordt uitgesteld, zal de rechtbank bepalen dat [eiser] een termijn van maximaal drie maanden krijgt om de woning over te nemen. Daarmee wordt aan de belangen van beide partijen voldoende tegemoet gekomen. 2.6. De rechtbank zal ook bepalen dat [eiser] de woning alleen mag overnemen als hij er voor zorgt dat [gedaagde] wordt ontslagen uit aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening voor de woning, zoals [gedaagde] heeft gevorderd. Van welke waarde van de woning moet worden uitgegaan? 2.7. Partijen zijn het niet eens over het bedrag dat [eiser] aan [gedaagde] moet betalen als hij de woning van haar wil overnemen. Dat bedrag is (onder meer) afhankelijk van de waarde van de woning. De waarde van de woning is sinds het einde van de relatie van partijen in juni 2020 gestegen. [eiser] vindt dat het bedrag dat hij aan [gedaagde] moet betalen voor de woning moet worden berekend op basis van de waarde die de woning had toen partijen in juni 2020 uit elkaar gingen. Toen is de woning getaxeerd op een bedrag van € 325.000. 2.8. De rechtbank geeft [eiser] hierin geen gelijk. Het uitgangspunt is dat de waarde op de datum waarop de verdeling plaats vindt, bepalend is. Daarop zijn twee uitzonderingen mogelijk. Ten eerste kan dit een andere datum zijn als partijen daarover afspraken hebben gemaakt, maar dat is niet het geval. Daarnaast kan op dit uitgangspunt een uitzondering worden gemaakt als de tussen partijen geldende redelijkheid en billijkheid dat eisen. Volgens [eiser] is daarvan sprake, omdat hij sinds juni 2020 alle lasten voor de woning betaalt en [gedaagde] sinds dat moment uit de woning is vertrokken. De rechtbank vindt dit feit onvoldoende reden om op grond van de redelijkheid en billijkheid af te wijken van het uitgangspunt dat de waarde op het moment van verdeling bepalend is. 2.9. Dit betekent dat partijen bij het bepalen van het bedrag dat [eiser] aan [gedaagde] moet betalen voor het overnemen van de woning, niet kunnen uitgaan van de taxatie van de woning die in juni 2020 is gemaakt omdat de woning pas nu verdeeld wordt. Er moet daarom een nieuw taxatierapport worden opgesteld door een makelaar. Partijen zijn het er in de processtukken niet over eens welke makelaar dat moet doen. [eiser] is bang dat een door [gedaagde] voorgestelde makelaar partijdig is. [gedaagde] heeft daarom het voorstel gedaan dat [eiser] een lijst maakt van drie makelaars waarin hij wel vertrouwen heeft en dat [gedaagde] vervolgens uit die lijst één makelaar kiest. [eiser] heeft met dit voorstel op de zitting ingestemd. 2.10. Partijen hebben de rechtbank op 23 november 2021 bericht dat zij op problemen zijn gestuit bij de benoeming van een taxateur. [gedaagde] legt in haar faxbericht aan de rechtbank uit niet te kunnen kiezen uit de door [eiser] genoemde drie makelaars/taxateurs, omdat deze geen van allen binnen een straal van 20 kilometer zijn gevestigd van [plaats 1] en twee van hen hebben laten weten niet in [plaats 1] werkzaam te zijn. Daarnaast taxeert één van deze twee in Amsterdam gevestigde taxateurs alleen commercieel vastgoed, aldus [gedaagde] . [gedaagde] verzoekt daarom dat de rechtbank toestemming verleent dat er een makelaar in [plaats 1] wordt gekozen, waarbij haar advocaat er vier noemt waaruit [eiser] kan kiezen. [eiser] voert in zijn brief aan de rechtbank aan dat er bij het maken van de afspraak op zitting geen enkel voorbehoud is gemaakt ten aanzien van de vestigingsplaats van de taxateur en dat hij niet akkoord gaat met de makelaars die door [gedaagde] zijn opgegeven. Ter nakoming van de op de zitting gemaakte afspraak, zal [gedaagde] een keuze moeten maken uit de door hem genoemde makelaars, aldus [eiser] . En als [gedaagde] dit weigert, verzoekt [eiser] de rechtbank namens hem een keuze te maken uit één van de door hem genoemde makelaars. [eiser] heeft verder geen bezwaren geuit tegen de door [gedaagde] genoemde vier makelaars met werkgebied in [plaats 1] . 2.11. Weliswaar heeft [eiser] gelijk dat niet expliciet op zitting is besproken dat de makelaar/taxateur als werkgebied [plaats 1] moet hebben en gebruikelijk particulieren woningen moet taxeren, maar de rechtbank vindt dat [eiser] het voorstel van [gedaagde] wel zo had moeten opvatten. Een taxatie kan naar zijn aard het beste plaatsvinden door een taxateur die ter plaatse goed bekend is en [plaats 1] als (gebruikelijk) werkgebied heeft. Daarmee is ook geborgd dat de kosten zo laag mogelijk blijven. Daarnaast moet het gaan om een makelaar/taxateur die (veelal) particuliere woningen taxeert. Dit alles is naar het oordeel van de rechtbank zo evident, dat [gedaagde] dit niet expliciet hoefde te benoemen toen zij op zitting haar voorstel deed en [eiser] had dit ook zo moeten begrijpen. De rechtbank leidt echter ook uit de brief van [eiser] af, dat hij met deze voorwaarden niet instemt: hij houdt immers vast aan de door hem genoemde makelaars die geen van allen aan al deze voorwaarden voldoen. Dat betekent dat er toch geen akkoord is bereikt op zitting. De rechtbank zal daarom de volgende beslissing nemen ten aanzien van de taxatie van de woning. De rechtbank zal bepalen dat één van de door [gedaagde] genoemde vier makelaars de woning taxeert. [eiser] zal binnen twee weken na datum van dit vonnis aan [gedaagde] of haar advocaat schriftelijk moeten laten weten wie van deze vier makelaars hij kiest en als hij dit niet (tijdig) doet, zal [gedaagde] de taxateur aanwijzen uit deze vier makelaars. Conform het door [gedaagde] gevorderde, dienen partijen hierna binnen twee weken deze makelaar opdracht te geven om de woning te taxeren. 2.12. De rechtbank zal daarbij ook bepalen dat partijen de kosten van de nieuwe taxatie ieder voor de helft moeten betalen. Daarnaast moet [eiser] meewerken aan de taxatie en toestaan dat [gedaagde] daarbij aanwezig is. Wat gebeurt er als [eiser] de woning niet kan overnemen? 2.13. Als [eiser] niet binnen drie maanden de woning heeft overgenomen onder ontslag van [gedaagde] van haar hoofdelijke aansprakelijkheid door de hypotheekverstrekker, moet de woning worden verkocht en geleverd aan een derde. De rechtbank zal [eiser] veroordelen daaraan zijn medewerking te verlenen, zoals [gedaagde] gedetailleerd heeft gevorderd. Als partijen er niet in slagen om samen een verkoopmakelaar te kiezen, moeten zij daarvoor de methode gebruiken die door [gedaagde] in haar vordering voor de benoeming van een taxateur is opgenomen ( [eiser] maakt een lijstje van drie NVM-makelaars, waarvan [gedaagde] er één kiest). Voor het geval [eiser] zich hier niet (op tijd) aan houdt, zal [gedaagde] een verkopend NVM-makelaar mogen kiezen. Conform door [gedaagde] gevorderd, zal de makelaar een NVM-makelaar moeten zijn. Deze zal gevestigd moeten zijn in [plaats 1] , dan wel in de directe omgeving daarvan, expliciet [plaats 1] als werkgebied hebben en als zijn kernactiviteit de verkoop van particuliere woningen hebben. 2.14. [gedaagde] heeft ook gevorderd dat de rechtbank haar machtigt om de woning zelf te verkopen als [eiser] daaraan geen medewerking verleent en dat het vonnis de voor de verkoop en eigendomsoverdracht noodzakelijke rechtshandelingen van [eiser] zal vervangen. Dit deel van de vorderingen zal de rechtbank afwijzen, omdat die vorderingen te ruim zijn geformuleerd en er daarnaast nog te veel onzeker is over de verkoop van de woning. Bovendien heeft [eiser] op de zitting toegezegd dat hij aan de verkoop en levering van de woning zal meewerken als de rechtbank hem daartoe veroordeeld. Daarom zal de rechtbank ook geen dwangsommen opleggen. De vordering van [gedaagde] dat zij wordt gemachtigd de woning te ontruimen met behulp van de politie en de sterke arm op alle dagen en uren op kosten van [eiser] , wordt afgewezen omdat hiervoor een wettelijke grondslag ontbreekt. Hoe moet de overwaarde van de woning worden verdeeld? 2.15. De woning heeft een overwaarde. Partijen zijn het er over eens dat de zij in principe allebei recht hebben op de helft van de overwaarde (na aflossing van de hypothecaire geldlening(

  1. en)en na aftrek van de verkoopkosten). Dit geldt zowel in het geval van toedeling van de woning aan [eiser] , als bij verkoop aan een derde. Bij toedeling moet [eiser] de helft van die overwaarde betalen aan [gedaagde] . [gedaagde] stelt dat van de overwaarde eerst een bedrag van € 22.000 moet worden afgetrokken en aan haar moet worden betaald, omdat zij investeringen heeft gedaan in de woning. 2.16. De rechtbank vindt dat [gedaagde] met het overleggen van de nota’s van de notarissen en haar bankrekeningafschriften voldoende heeft aangetoond dat zij bedragen van € 9.500 (aflossing overbruggingshypotheek van partijen) en € 5.435,80 (betaling aan de notaris voor de aankoop van de woning, op basis van de nota van afrekening van de notaris) uit haar privévermogen heeft geïnvesteerd in de woning in [plaats 1] . Dat is dus in totaal een bedrag van € 14.935,80. [gedaagde] heeft toegelicht dat zij hiervoor (een deel van) de overwaarde heeft gebruikt die zij kreeg uitgekeerd vanwege de verkoop van haar eigen woning in [plaats 3] . Omdat [gedaagde] haar eigen geld heeft geïnvesteerd in de gezamenlijke woning, heeft zij aanspraak op terugbetaling van dit bedrag uit de overwaarde van de gezamenlijke woning. De overwaarde die resteert wordt door de helft verdeeld tussen partijen. 2.17. [gedaagde] vordert dat ook de door haar betaalde kosten van de renovatie van toilet/badkamer en nog een aantal andere aankopen aan haar moeten worden terugbetaald uit de overwaarde van de woning. Uit de toelichting van [gedaagde] blijkt dat het onder meer gaat om de aanschaf van huishoudelijke apparaten, aankopen in woon- en kluswinkels en stoffering van de woning. Daarin geeft de rechtbank [gedaagde] geen gelijk. Dit zijn namelijk uitgaven die de rechtbank niet aanmerkt als investeringen in de woning, maar als gezamenlijke uitgaven die partijen hebben gedaan gedurende hun relatie. De rechtbank vindt het niet redelijk dat voor die gemeenschappelijke kosten tijdens de relatie achteraf alsnog een afrekening wordt gemaakt. Hoe de rechtbank tot dat oordeel komt zal hieronder (onder het kopje ‘Hoe moeten de overige bedragen die [eiser] vordert worden afgewikkeld?’) verder worden toegelicht. Voor wat betreft de renovatie van het toilet/badkamer betwist [eiser] dat deze renovatie noodzakelijk was. [eiser] betwist verder dat de juistheid van de factuur van de vader van [gedaagde] (die kennelijk deze werkzaamheden heeft uitgevoerd): [eiser] betwist dat deze factuur destijds is opgesteld en betaald door [gedaagde] , terwijl het bedrag volgens [eiser] ook nog eens veel te hoog is voor de renovatie van een toilet. Omdat [gedaagde] de noodzakelijkheid van de renovatie niet heeft onderbouwd, houdt de rechtbank het erop dat het destijds een eigen keuze was van [gedaagde] om tot deze renovatie (door haar vader) over te gaan, zodat de hiervoor door haar gemaakte kosten niet uit de overwaarde moeten worden vergoed (en evenmin alsnog voor de helft voor rekening van [eiser] kunnen worden gebracht). 2.18. De makelaars- en notariskosten van de toedeling van de woning aan [eiser] moeten voor rekening komen van beide partijen gezamenlijk (ieder voor de helft). Moet [eiser] een gebruiksvergoeding betalen voor het gebruik van de woning? 2.19. [gedaagde] stelt dat [eiser] een gebruiksvergoeding van € 550 per maand moet betalen vanaf juni 2020, omdat [eiser] met uitsluiting van [gedaagde] gebruik maakt van de woning. [gedaagde] mist dat woongenot en zij moet daarvoor schadeloosgesteld worden, vindt [gedaagde] . 2.20. De rechtbank zal deze vordering afwijzen en licht dat als volgt toe. De onderlinge verhouding tussen en [gedaagde] wordt beheerst door de redelijkheid en billijkheid. [gedaagde] heeft erkend dat zij in de periode sinds juni 2020 niet heeft meebetaald aan de kosten (eigenaarslasten) van de woning. Zij betaalt bijvoorbeeld niet mee aan de maandelijkse hypotheekrente en ook niet aan het onderhoud of andere eigenaarslasten. [eiser] vraagt in deze procedure ook geen betaling van die kosten door [gedaagde] over de periode ná juni 2020. Belangrijk is daarbij ook dat niet is gebleken dat het door de opstelling van [eiser] is gekomen dat de verdeling van de woning niet eerder heeft plaatsgevonden. De rechtbank vindt daarom dat toewijzing van de door [gedaagde] gevraagde gebruiksvergoeding zou leiden tot een onredelijke uitkomst. Hoe moeten de overige bedragen die [eiser] vordert worden afgewikkeld? 2.21. [eiser] stelt dat [gedaagde] gedurende de relatie de inlogcodes en bankgegevens van [eiser] heeft gebruikt om daarmee bedragen naar haar eigen bank- en spaarrekening over te maken. Volgens [eiser] gaat om: een bedrag van in totaal € 57.024,47 van de privé bankrekening(
  2. en)van [eiser] ; een bedrag van € 6.815,44 van een zakelijke bankrekening van (een onderneming van) [eiser] . Ook heeft [eiser] de kosten betaald van de ziektekostenpremies, verzekeringspremies, gemeenschappelijke belastingen en hypotheekpenningen. [eiser] stelt dat hij alle gemeenschappelijke kosten heeft voldaan tijdens de relatie, terwijl ook [gedaagde] voor de helft moet bijdragen aan die kosten. Daarom vindt [eiser] dat [gedaagde] de helft van deze bedragen aan [eiser] moet terugbetalen, op grond van een overeenkomst van geldlening dan wel op grond van de tussen partijen geldende redelijkheid en billijkheid. 2.22. De rechtbank stelt voorop dat [eiser] op de zitting heeft erkend dat [gedaagde] de bedragen die zij van de bankrekeningen van [eiser] heeft afgehaald, heeft besteed aan de gemeenschappelijke kosten van de samenleving. [gedaagde] heeft dat ook toegelicht en bovendien aangetoond dat het geld op dit moment niet meer op haar bankrekening of spaarrekening staat. De suggestie die in de dagvaarding werd gewekt dat [gedaagde] de bedragen van de bankrekening van [eiser] heeft ontvreemd om er zelf rijker van te worden, is dus niet juist. 2.23. Ook heeft [gedaagde] aangevoerd dat alle uitgaven die zij heeft gedaan passen binnen een normaal bestedingspatroon. [eiser] heeft dat niet betwist en heeft bijvoorbeeld niet gesteld dat [gedaagde] met het geld van zijn bankrekening (en buiten zijn zicht) buitensporige uitgaven heeft gedaan. Als [eiser] vindt dat [gedaagde] dat wel heeft gedaan, had hij dat concreet moeten toelichten en onderbouwen. Dat was voor hem ook mogelijk, omdat hij van [gedaagde] inzage heeft gekregen in al haar bankrekeningafschriften. [eiser] heeft dat niet gedaan. 2.24. Daarbij merkt de rechtbank verder nog op dat de bedragen op het eerste gezicht misschien hoog lijken (in totaal € 57.024,47 van de privébankrekeningen). Maar [gedaagde] heeft inzichtelijk gemaakt dat dit bedrag een periode van 42 maanden betreft. Per maand gaat het om een bedrag van gemiddeld € 1.357. Dit bedrag past goed bij de gezamenlijke vaste lasten tijdens de relatie, die [gedaagde] onweersproken heeft berekend op € 2.200 (in 2017) tot € 2.687 (in 2020). De rechtbank gaat er daarom vanuit dat het geld dat [gedaagde] van de bankrekening van [eiser] heeft overgemaakt naar haar eigen bankrekening, volledig is gebruik om de normale gemeenschappelijke kosten te betalen. 2.25. De vraag die de rechtbank vervolgens dus moet beantwoorden, is of er achteraf (na het einde van de relatie) een afrekening moet plaatsvinden van de gemeenschappelijke kosten van de samenleving. [eiser] stelt namelijk dat hij daaraan meer heeft betaald dan zijn aandeel. De rechtbank vindt dat [eiser] geen aanspraak meer kan maken op zo’n afrekening. Afrekening van gemeenschappelijke kosten dient als uitgangspunt plaats te vinden na afloop van ieder kalenderjaar, dat is vaste rechtspraak. Hierbij is niet alleen van belang het praktische bezwaar dat benodigde gegevens vaak niet meer aanwezig zijn na verloop van tijd (welk bezwaar hier minder sterk speelt), maar ook het feit dat als [gedaagde] had geweten dat zij een vergoeding verschuldigd zou zijn aan [eiser] , zij bijvoorbeeld haar uitgavenbeleid daarop had kunnen aanpassen. Zo’n jaarlijkse afrekening heeft nooit plaats gevonden. Door niet eerder de financiële verhouding aan de orde te stellen heeft [eiser] bij [gedaagde] het vertrouwen gewekt dat hij geen aanspraak op haar geldend wilde maken. 2.26. Gelet op de gedragingen van partijen tijdens de relatie, neemt de rechtbank aan dat de verdeling van de gezamenlijke lasten van de samenleving berust op een stilzwijgende afspraak tussen partijen. Anders dan [eiser] stelt, is niet vereist dat zulke afspraken op papier worden gezet. [eiser] wist dat [gedaagde] (vooral na 2017) een beperkter inkomen genoot en dus minder kon bijdragen aan de gezamenlijke kosten dan [eiser] , terwijl partijen hun uitgavenpatroon niet hebben aangepast. Deze jarenlang durende gang van zaken heeft [eiser] stilzwijgend aanvaard. Het ná het eindigen van de relatie alsnog op deze vaste gedragslijn terugkomen, door tegen [gedaagde] een grote vordering in te stellen die betrekking heeft op een periode van meerdere jaren, is bovendien in strijd met de tussen [eiser] en [gedaagde] geldende redelijkheid en billijkheid. 2.27. Daarbij komt dat [eiser] zijn bankgegevens, inlogcodes en DigiD gegevens heeft gegeven aan [gedaagde] . Daaraan heeft hij geen voorwaarden verbonden en hij heeft ook geen instructies gegeven aan [gedaagde] . Hij heeft zijn financiën en daarmee dus ook de betaling van de gemeenschappelijke kosten van de samenleving, aan [gedaagde] overgelaten. [eiser] voert aan dat hij niet wist dat [gedaagde] de gemeenschappelijke lasten voor een groot deel (of volgens [eiser] : volledig) betaalde van zijn bankrekening. De rechtbank vindt niet dat [eiser] zich daarop kan beroepen. [eiser] wist namelijk wel dat de financiën, zowel privé als zakelijk, door [gedaagde] werden geregeld. Als hij een (jaarlijkse) afrekening had willen maken, had hij dat kunnen doen, want hij had ook zelf de inloggegevens. Op zijn minst had hij aan [gedaagde] kunnen vragen om zo’n afrekening. Ook dat heeft [eiser] op geen moment gedaan. 2.28. De tussenconclusie is dat er geen verrekening van de gezamenlijke lasten van de samenleving hoeft plaats te vinden, omdat dit in strijd is met de tussen partijen bestaande stilzwijgende afspraak en daarnaast in strijd is met de redelijkheid en billijkheid die geldt tussen [eiser] en [gedaagde] . Dit betekent dat de vraag of partijen de gemeenschappelijke kosten bij helfte moeten delen (zoals [eiser] vindt) of naar rato van inkomen (zoals [gedaagde] stelt) niet beantwoord hoeft te worden. [eiser] heeft daarnaast aangevoerd dat sprake is (geweest) van een geldleningsovereenkomst, maar dat is niet gebleken. [eiser] heeft daarvoor onvoldoende feiten aangevoerd. 2.29. De vordering van [eiser] tot terugbetaling van de helft van het aan zijn privé bankrekening onttrokken bedrag, zal daarom worden afgewezen. Ook de vordering tot betaling van de helft van de door [eiser] rechtstreeks betaalde gemeenschappelijke kosten tijdens de relatie (ziektekostenpremies, verzekeringspremies, gemeenschappelijke belastingen en hypotheekpenningen) zal niet worden toegewezen. De stelling van [eiser] dat in de hypotheekakte is vermeld dat [eiser] en [gedaagde] voor terugbetaling van de hypothecaire geldlening tegenover de bank ieder voor de helft aansprakelijk zijn, maakt dat niet anders. Al deze vorderingen hebben namelijk betrekking op een correctie van de onderlinge verdeling van de gemeenschappelijke kosten tussen [eiser] en [gedaagde] en niet op een betalingsverplichting jegens de hypotheekverstrekker. In het voorgaande heeft de rechtbank beslist dat die correctie niet hoeft plaats te vinden. 2.30. Volgens [eiser] moet [gedaagde] verder het volledige bedrag terugbetalen dat zij van de zakelijke bankrekening van (een onderneming van) [eiser] heeft opgenomen. [gedaagde] heeft in reactie daarop toegelicht dat op die zakelijke bankrekening een bedrag stond dat partijen op advies van hun boekhouder hadden gereserveerd voor een aanslag inkomstenbelasting. Toen de aanslag inkomstenbelasting lager bleek uit te vallen dan het gereserveerde bedrag, heeft [gedaagde] een bedrag van € 7.500 van de bankrekening opgenomen, omdat het saldo van haar spaarrekening was gebruikt voor een gezamenlijke vakantie en een auto van partijen. Het was de bedoeling van partijen dat dit bedrag van € 7.500 weer in termijnen zou worden terugbetaald aan de zakelijke bankrekening. Die terugbetaling was nog niet afgerond toen de relatie tussen partijen werd verbroken. [eiser] heeft deze feitelijke gang van zaken niet ontkend. Uit deze toelichting wordt duidelijk dat ook dit bedrag is gebruikt voor het betalen van de gemeenschappelijk kosten van de samenleving. Bovendien is niet gebleken dat [eiser] enig nadeel hiervan heeft ondervonden. Deze gang van zaken was namelijk ook in zijn belang en hij heeft van de bestedingen (de vakantie en de auto) geprofiteerd. Omdat de rechtbank van oordeel is dat geen correctie hoeft plaats te vinden op de verdeling van de gemeenschappelijke kosten van de samenleving, zal ook dit deel van de vorderingen van [eiser] worden afgewezen. Hoe moeten de bedragen die [gedaagde] vordert worden afgewikkeld? 2.31. De vorderingen van [gedaagde] hebben geen betrekking op gemeenschappelijke kosten van de samenleving tijdens de relatie, maar zijn gemeenschappelijke schulden die ná het einde van de relatie tussen partijen zijn opgekomen. Daarmee onderscheiden de vorderingen van [gedaagde] zich dus van de vorderingen van [eiser] . Omdat de schulden na het einde van de relatie zijn opgekomen en betaald (door [gedaagde] ), kan niet worden aangenomen dat de verdeling van deze schulden berust op stilzwijgende afspraken tussen partijen. 2.32. Daarom geldt als uitgangspunt dat [eiser] en [gedaagde] ieder draagplichtig zijn voor het gedeelte van de schuld dat hem of haar in hun onderlinge verhouding aangaat. Een aanknopingspunt hierbij is in hoeverre de tegenwaarde van de schuld aan ieder van hen ten goede is gekomen. Als er geen aanknopingspunten zijn om de interne draagplicht te bepalen, geldt in principe dat beide partijen voor de helft moeten bijdragen aan de schuld die na het verbreken van hun samenleving is ontstaan. 2.33. [eiser] heeft erkend dat hij het bedrag van € 116,18 voor de rekening van Menzis (eigen bijdrage ziektekostenverzekering van [eiser] ) aan [gedaagde] moet betalen. Ook tegen de helft van de kosten van de taxatie van de woning (€ 212,50) heeft [eiser] geen verweer gevoerd. Deze bedragen zullen dus worden toegewezen. Tegen de vordering in verband met de teruggevorderde kinderopvangtoeslag en kindgebondenbudget, heeft [eiser] alleen aangevoerd dat hij zijn helft pas wil betalen wanneer [gedaagde] de vorderingen van [eiser] voldoet. Dit verweer gaat niet op, omdat de rechtbank in het voorgaande heeft beslist dat de vorderingen van [eiser] niet toewijsbaar zijn. Ook de helft van het door de Belastingdienst teruggevorderde bedrag (€ 1.608,50) zal daarom worden toegewezen. De onweersproken wettelijke rente over deze bedragen wordt ook toegewezen. 2.34. [gedaagde] vordert verder dat [eiser] de helft betaalt van de afkoopsom van een financieel lease contract voor de BMW X1 ter hoogte van € 19.408,01. Volgens [gedaagde] stond het contract weliswaar op haar naam, maar werd de BMW X1 feitelijk ook gebruikt door [eiser] . [gedaagde] heeft ter zitting echter ook toegelicht, dat zij de BMW X1 heeft ingeleverd en heeft ingeruild voor een andere leaseauto, die nu uitsluitend bij haar in gebruik is. [gedaagde] heeft niet inzichtelijk gemaakt wat de inruilwaarde was van de BMW X1, zodat ook niet duidelijk is welk deel van de afkoopsom resteerde. Dit deel van de vordering zal daarom worden afgewezen. Hoe moet de inboedel verdeeld worden? 2.35. Ter zitting hebben partijen over de inboedel op bijna alle punten overeenstemming bereikt. Die afspraak houdt in dat [eiser] nog de volgende zaken aan [gedaagde] zal afgeven: kapstok, zilverkleurige spiegel, houten plankjes met riemen, wasmachine, wasdroger, plafondlamp washok, plafondlamp slaapkamer en plafondlamp toilet. Dit deel van de vordering van [gedaagde] zal worden toegewezen. De gevorderde dwangsom wordt afgewezen, omdat [eiser] heeft toegezegd de spullen aan [gedaagde] te zullen afgeven. 2.36. Over de tv in de slaapkamer hebben partijen geen overeenstemming bereikt. De rechtbank gaat er van uit dat de tv tijdens de relatie is gekocht uit de ‘gezamenlijke portemonnee’ van partijen. Omdat de tv zich nu bevindt bij [eiser] , vindt de rechtbank dat de tv daar moet blijven. In beginsel heeft [gedaagde] aanspraak op een vergoeding van de helft van de waarde van de tv. Omdat partijen geen aanknopingspunten hebben gegeven over de huidige waarde van de tv, zal die vergoeding worden geschat op een bedrag van € 100. 2.37. Alle overige inboedelvoorwerpen op de lijst zijn ofwel al aan [gedaagde] afgegeven, ofwel worden niet meer door [gedaagde] gevorderd. Daarover hoeft de rechtbank dus niet te beslissen. Proceskosten 2.38. Omdat partijen ex-samenlevers zijn, zal de rechtbank de proceskosten tussen hen compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. 3De beslissing De rechtbank in conventie en in reconventie toedeling woning 3.1. gelast [eiser] binnen twee weken na afgifte van dit vonnis een keuze te maken uit de door [gedaagde] bij fax van 23 november 2021 genoemde vier makelaars, bij gebreke waarvan [gedaagde] binnen twee weken daarna hieruit één makelaar dient te kiezen en bepaalt dat partijen vervolgens binnen twee weken deze makelaar opdracht dienen te gegeven om de woning te taxeren; 3.2. bepaalt dat [gedaagde] bij de taxatie aanwezig mag zijn en dat beiden partijen de helft van de kosten van de taxatie dienen te dragen; 3.3. bepaalt dat [eiser] een periode van drie maanden na afgifte van het taxatierapport krijgt om het aandeel van [gedaagde] in de eigendom van het gemeenschappelijke goed aan de [adres] ( [postcode] ) [plaats 1] , over te nemen tegen de als dan getaxeerde waarde en verder onder de hierna genoemde voorwaarden; 3.4. bepaalt dat toebedeling van de woning aan [eiser] enkel kan geschieden onder de voorwaarde dat [gedaagde] wordt ontslagen uit (hoofdelijke) aansprakelijkheid betreffende aan de woning verbonden hypothecaire lening en veroordeelt [eiser] zich tot het uiterste in te spannen om [gedaagde] zo snel mogelijk uit de (hoofdelijke) aansprakelijkheid jegens Obvion voor de hypothecaire geldlening te doen ontslaan; 3.5. verklaart voor recht dat [gedaagde] uit de overwaarde (zijnde het verschil tussen de door partijen aan te wijzen makelaar getaxeerde onderhandse verkoopwaarde minus de hoogte van de restschuld per datum overdracht aan [eiser] ) een vergoeding van € 14.935,80 toekomt ter zake van door haar privé geïnvesteerd geld in de woning; 3.6. bepaalt dat het restant van de overwaarde door partijen bij helfte wordt gedeeld en dat [eiser] de helft van het restant van de overwaarde verschuldigd is aan [gedaagde] ; 3.7. bepaalt dat de makelaars- en notariskosten gemoeid met de toedeling van de woning aan [eiser] door partijen bij helfte moeten worden gedragen; verkoop van de woning 3.8. bepaalt dat voor het geval de overname van de woning door [eiser] niet binnen de termijn van drie maanden na taxatie en in overeenstemming met de gestelde voorwaarden zal zijn gerealiseerd, de woning dient te worden verkocht aan een derde door een door partijen tezamen aan te wijzen NVM-makelaar, met inachtneming van de navolgende bepalingen; 3.9. bepaalt dat indien partijen niet binnen één week na het einde van de driemaandentermijn overeenstemming hebben bereikt over welke verkoopmakelaar wordt gekozen, [eiser] binnen twee weken drie NVM-makelaars in [plaats 1] dient aan te dragen bij [gedaagde] conform het bepaalde in punt 2.13 van dit vonnis, waarna [gedaagde] binnen twee weken hieruit één NVM-makelaar dient te kiezen; 3.10. bepaalt dat [eiser] vervolgens binnen twee weken dient mee te werken aan het verstrekken van een verkoopopdracht aan de verkoopmakelaar; 3.11. bepaalt dat de woning door onderhandse verkoop te gelde zal worden gemaakt tegen een koopsom (kosten koper) die niet lager mag zijn dan de getaxeerde onderhandse verkoopwaarde (zoals vastgesteld op grond van 3.1 van dit vonnis) en veroordeelt [eiser] aan de verkoop en levering medewerking te verlenen; 3.12. gelast [eiser] om (steeds) aan de makelaar een toegangssleutel van de woning ter beschikking te stellen en mee te werken aan verkoop bevorderende activiteiten, waaronder bezichtigingen van de woning door de makelaar met potentiële koper(
  3. s)op alle dagen, buiten aanwezigheid van partijen en/of andere personen en/of huisdieren, een van de straat af zichtbaar verkoopbord te plaatsen en/of te laten plaatsen en medewerking te verlenen tot het laten nemen van verkoopfoto’s; 3.13. gelast [eiser] dat de woning steeds schoon, rookvrij, opgeruimd en verkoop klaar ter bezichtiging dient te worden aangeboden; 3.14. bepaalt dat de koopsommen dienen te worden benut ter voldoening van de voor rekening van de gemeenschap komende hypothecaire schuld; 3.15. bepaalt dat [gedaagde] uit de overwaarde (zijnde het verschil tussen de ontvangen verkoopprijs minus de hoogte van de restschuld per datum overdracht aan koper(s)) een vergoeding van € 14.935,80 toekomt ter zake van door haar privé geïnvesteerd geld in de woning; 3.16. bepaalt dat het restant van de overwaarde door partijen bij helfte wordt gedeeld; 3.17. bepaalt dat de makelaars- en notariskosten voor rekening van partijen komen en dienen te worden voldaan uit de opbrengst van de verkoop dan wel door partijen bij helften moeten worden gedragen; 3.18. beveelt [eiser] de woning uiterlijk 48 uur voor datum en tijdstip van de juridische levering aan de koper(
  4. s)van de woning geheel, schoon en ontruimd ter beschikking van de koper(
  5. s)te stellen; overige vorderingen van [gedaagde] 3.19. veroordeelt [eiser] om binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis aan [gedaagde] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 1.937,18 (zijnde de premie Menzis, de helft kosten taxatie, en de helft terugvorderingen Belastingdienst), te vermeerderen met de wettelijke rente ex art 6:119 BW vanaf de datum van dit vonnis tot aan de dag der algehele voldoening; inboedel 3.20. gelast [eiser] om binnen zeven dagen na de datum van dit vonnis aan [gedaagde] af te geven de kapstok, de zilverkleurige spiegel, de houten plankjes met riemen, de wasmachine, de wasdroger, de plafondlamp washok, de plafondlamp slaapkamer en de plafondlamp toilet en veroordeelt [eiser] tot betaling van een bedrag van € 100 aan [gedaagde] terzake de overbedeling van de televisie; algemeen 3.21. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad, met uitzondering van de verklaring voor recht in 3.5; 3.22. compenseert de kosten van deze procedure in conventie en reconventie tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt; 3.23. wijst het meer of anders gevorderde in conventie en in reconventie af. Dit vonnis is gewezen door mr. A.K. Korteweg en in het openbaar uitgesproken op 22 december 2021. type: 1538

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.