RECHTBANK NOORD-HOLLAND Team Straf, locatie Alkmaar Meervoudige strafkamer Parketnummer: 15.234198.20 en 15.175254.20 (vord tul), 23.001726.17 (vord tul), 23.003262.19 (vord tul) (P) Uitspraakdatum: 7 januari 2021 Tegenspraak Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 22 december 2020 en 24 december 2020 (sluiting onderzoek) in de zaak tegen: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats], ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres], thans gedetineerd in Justitieel Complex Schiphol. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. G. Visser en van hetgeen verdachte en zijn raadsman, mr. D.M. Penn, advocaat te Maastricht, naar voren hebben gebracht. 1Tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: hij op een of meer ogenblikken in of omstreeks de periode van 31 augustus 2020 tot en met 14 september 2020 te Avenhorn, gemeente Koggenland, in elk geval in Nederland [benadeelde] en/of haar familieleden heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling en/of met brandstichting, door die [benadeelde] via tekstberichten dreigend onder meer de volgende woorden toe te voegen: - ' als ik vandaag mijn geld niet krijg, weet ik je op te sporen en snij ik je rotkop eraf' en/of - ' de dag dat ik je in mijn handen krijg, snij ik je kapot' en/of - ' ik achterhaal jouw adres wel stort mijn geld jij misselijk kreng. vanaf nu is mijn belangrijkste missie jouw opsporen. de dag dat ik je in mijn handen krijg zal je wensen datje nooit geboren was. jouw man is ook goed. wie ik het eerst in mijn handen krijg zal het bezuren. denk dat ik jullie niet kan vinden' en/of - ' als ik jou niet kan vinden pak ik 1 van je familieleden' en/of - ' ik snij hun vingers eraf. als ik jou de hoofdprijs in mijn handen krijg snij ik je vingers eraf van de hand waarmee je aan mijn geld zit' en/of - ' ik ga je verminken. jij misselijk wezen.' en/of - ' onze volgende ontmoeting zal ik de klus van vorige keer afmaken. dit keer verbrand ik je gezicht wel. ik neem een thermoskan mee met kokend heet water en veel suiker erin. dat gooi ik dan in je gezicht. voor jou extra veel suiker, zodat het blijft branden tot je in het ziekenhuis bent aangekomen' en/of - ' de dag dat ik je in mijn handen krijg steek ik je ogen eruit!' en/of - ' wanneer ik je in mijn handen krijg snij ik die grote rotkop van je helemaal open' en/of - ' wanneer jullie mij het adres niet zelf geven en ik zelf jullie adres weet te achterhalen brand ik die ook tot de grond af' en/of - ' ik kan niet wachten tot de dag dat ik jou rotnek in mijn handen heb. ik snij je kop eraf!', althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking. 2Voorvragen De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. 3Beoordeling van het bewijs 3.1 Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit. 3.2 Standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het tenlastegelegde omdat er geen sprake is van strafbare bedreiging. De door verdachte gedane uitlatingen hebben bij aangeefster niet de redelijke vrees kunnen doen ontstaan dat zij of haar familieleden door het toedoen van verdachte het leven zouden verliezen, dan wel slachtoffer zouden worden van zware mishandeling of brandstichting. De uitlatingen van verdachte, in de context waarin zij zijn gedaan, moeten worden bezien als uitingen van onmacht en frustratie nadat hij door een administratieve fout voortijdig uit detentie was ontslagen en zonder geld op straat was gezet. De aangeefster, zijn bewindvoerder, had moeten begrijpen dat de uitlatingen van verdachte als uiting van onmacht en frustratie redelijkerwijs geen reële bedreiging vormden. Zij kende verdachte immers al jaren. 3.3 Oordeel van de rechtbank 3.3.1 Redengevende feiten en omstandigheden De rechtbank komt op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierna te noemen bewijsmiddelen tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit. De hierna vermelde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen. De rechtbank heeft vastgesteld dat ten aanzien van het bewezenverklaarde feit sprake is van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering. Gelet daarop zal voor dit feit worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen op grond waarvan de rechtbank tot een bewezenverklaring is gekomen. - de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 22 december 2020; - het proces-verbaal van aangifte door [benadeelde] met bijlagen, gedateerd 4 september 2020 (dossierpagina 3 tot en met 18); - het proces-verbaal van verhoor van aangeefster [benadeelde] met bijlagen, gedateerd 14 september 2020 (dossierpagina 31 tot en met 38). 3.3.2 Bewijsoverweging De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman, inhoudende dat geen sprake is van een strafbare bedreiging. Uit de aangifte en het aanvullend verhoor van aangeefster blijkt dat zij zich door de inhoud van de e-mails die verdachte haar gedurende bijna twee weken zond bedreigd heeft gevoeld en dat zij angst heeft gehad dat verdachte zijn bedreigingen ten uitvoer zou brengen. Als bewindvoerster van verdachte was aangeefster ervan op de hoogte dat verdachte in het verleden bedreigingen ook heeft waargemaakt door woningen in de brand te steken. Gelet hierop hebben de door verdachte gedane uitlatingen bij aangeefster de redelijke vrees kunnen doen ontstaan dat zij of haar familieleden door toedoen van verdachte het leven zouden verliezen, dan wel slachtoffer zouden worden van zware mishandeling of brandstichting. 3.4 Bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat hij op meer ogenblikken in de periode van 31 augustus 2020 tot en met 14 september 2020 te Avenhorn, gemeente Koggenland, [benadeelde] en haar familieleden heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling en/of met brandstichting, door die [benadeelde] via tekstberichten dreigend onder meer de volgende woorden toe te voegen: - ' als ik vandaag mijn geld niet krijg, weet ik je op te sporen en snij ik je rotkop eraf' en - ' de dag dat ik je in mijn handen krijg, snij ik je kapot' en - ' ik achterhaal jouw adres wel stort mijn geld jij misselijk kreng, vanaf nu is mijn belangrijkste missie jou opsporen. de dag dat ik je in mijn handen krijg zal je wensen dat je nooit geboren was. jouw man is ook goed. wie ik het eerst in mijn handen krijg zal het bezuren. denk dat ik jullie niet kan vinden' en - ' als ik jou niet kan vinden pak ik 1 van je familieleden' en - ' ik snij hun vingers eraf. als ik jou de hoofdprijs in mijn handen krijg snij ik je vingers eraf van de hand waarmee je aan mijn geld zit' en - ' ik ga je verminken. jij misselijk wezen.' en - ' onze volgende ontmoeting zal ik de klus van vorige keer afmaken. dit keer verbrand ik je gezicht wel. ik neem een thermoskan mee met kokend heet water en veel suiker erin. dat gooi ik dan in je gezicht. voor jou extra veel suiker, zodat het blijft branden tot je in het ziekenhuis bent aangekomen' en - ' de dag dat ik je in mijn handen krijg steek ik je ogen eruit!' en - ' wanneer ik je in mijn handen krijg snij ik die grote rotkop van je helemaal open' en - ' wanneer jullie mij het adres niet zelf geven en ik zelf jullie adres weet te achterhalen brand ik die ook tot de grond af' en - ' ik kan niet wachten tot de dag dat ik jouw rotnek in mijn handen heb. ik snij je kop eraf!'. De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging. Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. Verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. 4Kwalificatie en strafbaarheid van het feit Het bewezenverklaarde levert op: Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling en met brandstichting, meermalen gepleegd. Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar. 5Strafbaarheid van verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar. 6Motivering van de sanctie 6.1 Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank aan verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) voor de duur van twee jaar zal opleggen. 6.2 Standpunt van de verdediging De raadsman heeft ten aanzien van een eventueel op te leggen straf primair bepleit om verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest. De vordering van de officier van justitie om aan verdachte de ISD-maatregel op te leggen, moet worden afgewezen nu wegens veranderde omstandigheden geen sprake is van vrees voor recidive. Indien de rechtbank toch de recidivegrond aanwezig acht en overweegt om de ISD-maatregel op te leggen, verzoekt de raadsman om de behandeling ter terechtzitting aan te houden teneinde de reclassering een maatregelrapport op te laten maken met het oog op de mogelijkheid om de ISD-maatregel voorwaardelijk op te leggen. Meer subsidiair heeft de raadsman verzocht om de duur van het voorarrest af te trekken van de duur van de eventueel op te leggen ISD-maatregel. 6.3 Oordeel van de rechtbank Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan ernstige en herhaalde bedreiging van zijn bewindvoerder en haar familieleden. Twee weken lang heeft verdachte mailberichten gestuurd aan het werkadres van zijn bewindvoerder, waarin hij haar en haar familieleden bedreigde met de dood en met zware mishandeling en waarin hij heeft gedreigd de woning van aangeefster en haar gezin in brand te steken. Door zijn handelen heeft verdachte een grote inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster en haar gezin. Het bewezenverklaarde heeft, zoals blijkt uit de aangifte en de verdere inhoud van het dossier, angst veroorzaakt bij aangeefster. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij zijn bewindvoerder persoonlijk heeft bedreigd in verband met de publieke functie die zij bekleedt. Dat verdachte mogelijk als gevolg van een fout eerder dan verwacht uit detentie werd ontslagen en zonder geld op straat kwam te staan en hierdoor ten tijde van zijn gedragingen in moeilijke en stressvolle omstandigheden verkeerde, laat onverlet dat de persoonlijke bedreigingen van zijn bewindvoerder en haar familie niet te tolereren zijn. Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op: - het op naam van verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 12 november 2020, waaruit blijkt dat verdachte reeds eerder in verband met geweldsfeiten onherroepelijk tot (deels voorwaardelijke) vrijheidsbenemende straffen en taakstraf is veroordeeld. Uit het Uittreksel Justitiële Documentatie blijkt voorts dat verdachte de bewezen verklaarde feiten heeft begaan terwijl hij in twee proeftijden van voorwaardelijke veroordelingen wegens onder meer bedreiging liep. De rechtbank heeft verder kennis genomen van het over verdachte uitgebrachte reclasseringsadvies, gedateerd 15 december 2020, van [reclasseringswerker], als reclasseringswerker verbonden aan GGZ Fivoor Haarlem, waarin wordt geadviseerd aan verdachte een onvoorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen. Dit advies wordt als volgt onderbouwd: In het verleden is er meerdere malen Pro Justitia gerapporteerd en heeft betrokkene in 2015 een observatie in het Pieter Baan Centrum gehad. Dit is tevens de laatste diagnostiek die bekend is. Derhalve achten wij het noodzakelijk dat er opnieuw diagnostiek wordt uitgevoerd, om zo onderzoek te kunnen doen naar (on)mogelijkheden van behandeling. Echter heeft betrokkene aangegeven niet mee te werken aan diagnostisch onderzoek. Betrokkene lijkt zijn gedrag bewust in te zetten om zijn doel te bereiken. Zo ook ten aanzien van een reclasseringscontact. Betrokkene laat nu motivatie zien om zijn medewerking te verlenen aan een reclasseringscontact. Echter lijkt dit voornamelijk te zijn om onder een ISD-maatregel uit te komen. Een langer traject is noodzakelijk en biedt betrokkene de beste kans om een adequate invulling te geven aan een plan van aanpak waarbij wel de gewenste gedragsverandering kan worden nagestreefd en ook de kans op recidive kan worden verlaagd. Dit kan wat ons betreft het beste plaatsvinden in het kader van de ISD maatregel en er kan aanvullende diagnostiek plaatsvinden. Er is meerdere malen getracht om te komen tot een reclasseringscontact dan wel een behandelaanbod te doen, echter zonder blijvend resultaat. Voorwaardelijke straffen, (jeugd)detenties en een PIJ maatregel hebben geen effect gehad en betrokkene niet weerhouden om delicten te plegen. Voorwaardelijke kaders bieden te weinig mogelijkheden om adequaat in te grijpen bij het niet nakomen van de voorwaarden. Tevens maakt de ambivalente houding van betrokkene dat de reclassering onvoldoende in staat is om gedragsverandering te bewerkstelligen. Binnen de ISD maatregel kan ingezet worden op het vergroten van zijn motivatie en het formuleren van een hulpvraag, wat nodig is om enig plan een grote kans van slagen te geven. Het risico op recidive wordt ingeschat als hoog. Het risico op onttrekken aan voorwaarden wordt ingeschat als hoog. De rechtbank sluit zich aan bij het advies van de reclassering en de vordering van de officier van justitie en is van oordeel dat de maatregel tot plaatsing van verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaren dient te worden opgelegd. Het door verdachte begane feit betreft een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, verdachte is in de afgelopen vijf jaren ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk veroordeeld tot vrijheidsbenemende straffen of taakstraffen en het onderhavige feit is begaan na tenuitvoerlegging hiervan. Gelet op alle vergeefse pogingen in het verleden om de gewenste gedragsverandering te realiseren en de omstandigheid dat verdachte het onderhavige feit heeft gepleegd terwijl hij in een proeftijd liep voor drie voorwaardelijke veroordelingen, waarvan twee eveneens terzake bedreiging, moet er bovendien ernstig rekening mee worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan en dat de veiligheid van personen en goederen het opleggen van de maatregel eist. De stelling van de verdediging omtrent recent gewijzigde omstandigheden is niet onderbouwd en kan reeds daarom niet worden gevolgd. Het verplichte kader van een tweejarige ISD-maatregel is noodzakelijk voor diagnostiek en behandeling van verdachte om de gewenste gedragsverandering bij verdachte na te streven met het oog op verlaging van de kans op recidive in de toekomst, zoals omschreven in het advies van de reclassering. Een voorwaardelijke oplegging van de ISD-maatregel acht de rechtbank gelet op het voorgaande niet passend. Het verzoek van de raadsman om een maatregelrapport op te laten maken door de reclassering wijst de rechtbank daarom af. Om de beëindiging van de recidive van verdachte en het leveren van een bijdrage aan de oplossing van zijn problematiek alle kansen te geven, alsmede de maatschappij zo optimaal mogelijk te beschermen, zal de rechtbank bepalen dat de gehele duur van de maatregel ten uitvoer gelegd moet worden en dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht hierop niet in mindering moet worden gebracht. 7Vorderingen tot tenuitvoerlegging 15.175254.20 en 23.003262.19 Bij vonnis van 21 juli 2020 in de zaak met parketnummer 15.175254.20 heeft de politierechter in de rechtbank Noord-Holland verdachte ter zake van bedreiging en vernieling veroordeeld tot onder meer een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 weken. Ten aanzien van die voorwaardelijke straf is de proeftijd op twee jaren bepaald onder de algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. De mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering is op 10 augustus 2020 aan de verdachte toegezonden. De bij genoemd vonnis vastgestelde proeftijd is ingegaan op 5 augustus 2020 en was ten tijde van het indienen van de vordering van de officier van justitie niet geëindigd. De officier van justitie heeft bij vordering van 24 november 2020 gevorderd dat de rechtbank zal gelasten dat die voorwaardelijke straf alsnog ten uitvoer zal worden gelegd wegens het overtreden van de algemene voorwaarde dat verdachte zich niet opnieuw schuldig zal maken aan een strafbaar feit. Bij arrest van 14 juli 2020 in de zaak met parketnummer 23.003262.19 heeft het Gerechtshof te Amsterdam verdachte ter zake van overtreding van de Opiumwet en terzake van gekwalificeerde diefstal onder meer veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden. Ten aanzien van die voorwaardelijke straf is de proeftijd op twee jaren bepaald onder de algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. De mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering is op 5 augustus 2020 aan de verdachte toegezonden. De bij genoemd vonnis vastgestelde proeftijd is ingegaan op 29 juli 2020 en was ten tijde van het indienen van de vordering van de officier van justitie niet geëindigd. De officier van justitie heeft bij vordering van 24 november 2020 gevorderd dat de rechtbank zal gelasten dat die voorwaardelijke straf alsnog ten uitvoer zal worden gelegd wegens het overtreden van de algemene voorwaarde dat verdachte zich niet opnieuw schuldig zal maken aan een strafbaar feit. Ter terechtzitting heeft de officier van justitie geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen, gelet op de gevorderde (onvoorwaardelijke) ISD-maatregel. De raadsman heeft ten aanzien van de vorderingen tot tenuitvoerlegging geen standpunt ingenomen. De rechtbank heeft bij het onderzoek ter terechtzitting bevonden dat zij bevoegd is over de vorderingen te oordelen en dat de officier van justitie daarin ontvankelijk is. De rechtbank is van oordeel dat de vorderingen dienen te worden afgewezen, aangezien tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straffen, gelet op de op te leggen ISD-maatregel, niet (meer) opportuun is. 8Vordering tot tenuitvoerlegging 23.001726.17 Bij arrest van 4 september 2018 in de zaak met parketnummer 23.001726.17 heeft het Gerechtshof te Amsterdam verdachte ter zake van bedreiging en vernieling en overtreding van de Wet wapens en munitie veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden. Ten aanzien van die voorwaardelijke straf is de proeftijd op twee jaren bepaald onder de algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. De mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering is op 24 april 2019 aan de verdachte toegezonden. De bij genoemd vonnis vastgestelde proeftijd is ingegaan op 2 april 2019 en was ten tijde van het indienen van de vordering van de officier van justitie niet geëindigd. De officier van justitie heeft bij vordering van 24 november 2020 gevorderd dat de rechtbank zal gelasten dat die voorwaardelijke straf alsnog ten uitvoer zal worden gelegd wegens het overtreden van de algemene voorwaarde dat verdachte zich niet opnieuw schuldig zal maken aan een strafbaar feit. Ter terechtzitting heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat zij niet ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering, nu is gebleken dat de voorwaardelijke straf al ten uitvoer is gelegd. De rechtbank is van oordeel dat de officier van justitie niet ontvankelijk is in haar vordering nu is gebleken dat de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf reeds onherroepelijk is gelast. 9Toepasselijke wettelijke voorschriften De volgende wetsartikelen zijn van toepassing: Artikelen 38m, 38n, 57, 285 van het Wetboek van Strafrecht. 10Beslissing De rechtbank: Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven. Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij. Bepaalt dat het onder 3.4 bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert. Verklaart verdachte hiervoor strafbaar. Legt op de maatregel tot plaatsing van verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaren. Verklaart het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk in de vordering tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 23.001726.17. Wijst af de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in deze rechtbank in de zaak met parketnummer 15.175254.20 opgelegde voorwaardelijke straf. Wijst af de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging van de bij arrest van het Gerechtshof Amsterdam in de zaak met parketnummer 23.003262.19 opgelegde voorwaardelijke straf. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum Dit vonnis is gewezen door mr. P.H.B. Littooy, voorzitter, mr. N. Boots en mr. M.C.J. Lommen, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier G.A.M. Delis, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 7 januari 2021.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.