RECHTBANK NOORD-HOLLAND Handel, Kanton en Insolventie locatie Haarlem Zaaknr./rolnr.: 8315497 \ CV EXPL 20-1459 Uitspraakdatum: 17 maart 2021 Vonnis van de kantonrechter in de zaak van: 1 [passagier sub 1]
(2019)aangekomen waren op de eindbestemming. De vervoerder heeft hierop slechts aangevoerd dat zij niet gehouden was om de passagiers om te boeken naar de genoemde vlucht en dat de passagiers niet hebben onderbouwd waarom van een dergelijke verplichting sprake zou zijn. In het arrest van het Hof van 11 juni 2020 (ECLI:EU:C:2020:460) is als volgt geoordeeld: “Artikel 5, lid 3, van verordening nr. 261/2004, gelezen in het licht van overweging 14 ervan, moet aldus worden uitgelegd dat het feit dat een luchtvaartmaatschappij een passagier met een andere vlucht ter bestemming brengt omdat het luchtvaartuig dat de passagier vervoert door een buitengewone omstandigheid is getroffen, en die luchtvaartmaatschappij dat doet met een door haarzelf uitgevoerde vlucht, waardoor deze passagier de dag na de oorspronkelijk vastgestelde dag aankomt, geen „redelijke maatregel” vormt waardoor deze luchtvaartmaatschappij wordt vrijgesteld van haar compensatieverplichting als bedoeld in artikel 5, lid 1, onder c), en artikel 7, lid 1, van deze verordening, tenzij dat er geen enkele andere mogelijkheid voor een rechtstreekse of indirecte alternatieve vlucht bestond met een door haarzelf of door een andere luchtvaartmaatschappij uitgevoerde vlucht die op een minder laat tijdstip aankwam dan de volgende vlucht van de betrokken luchtvaartmaatschappij, of dat het organiseren van een dergelijke alternatieve vlucht voor die laatste een onaanvaardbaar offer betekende gelet op de mogelijkheden van haar onderneming op het relevante tijdstip.”. 5.
- Niet betwist is dat de passagiers zijn omgeboekt naar een vlucht van de vervoerder zelf, die twee dagen later dan oorspronkelijk gepland is vertrokken. Het had dan ook op de weg van de vervoerder gelegen om te onderbouwen dat er geen enkele andere -redelijke- eerdere mogelijkheid was met een door de vervoerder of door een andere luchtvaartmaatschappij uitgevoerde vlucht om de passagiers naar de eindbestemming te vervoeren. Gesteld noch gebleken is waarom het voor de vervoerder niet mogelijk was dan wel tot een onaanvaardbare uitkomst zou leiden om de passagiers al in Amsterdam om te boeken naar vlucht KL597 van Amsterdam naar Kaapstad 5.
- Het voorgaande betekent dat, ook indien zou komen vast te staan dat sprake was van een buitengewone omstandigheid, de vervoerder gehouden is de passagiers te compenseren in verband met de vertraging op de eindbestemming. De vordering tot betaling van de hoofdsom van € 1.200,00 zal dan ook worden toegewezen. 5.
- De gevorderde wettelijke rente over de hoofdsom is als onvoldoende gemotiveerd weersproken toewijsbaar. 5.
- De passagiers hebben een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. De vordering heeft geen betrekking op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van toepassing is. Daarom zal de kantonrechter de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn toetsen aan de eisen zoals deze zijn geformuleerd in het rapport Voorwerk II. De vervoerder heeft deze vordering betwist. De passagiers hebben hiertegenover onvoldoende aangetoond en onderbouwd dat de verrichte werkzaamheden meer hebben omvat dan de verzending van een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten moet daarom worden afgewezen. 5.
- De proceskosten komen voor rekening van de vervoerder, omdat zij grotendeels ongelijk krijgt. De gevorderde rente is toewijsbaar met ingang van de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis. 6De beslissing De kantonrechter: 6.
- veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagiers van € 1.200,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 13 oktober 2019 tot aan de dag van voldoening van dit bedrag; 6.
- veroordeelt de vervoerder tot betaling van de proceskosten die aan de kant van de passagiers tot en met vandaag worden begroot op de bedragen zoals deze hieronder zijn gespecificeerd: dagvaarding € 99,01;griffierecht € 236,00salaris gemachtigde € 374,00vermeerderd met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis tot aan de dag van de algehele voldoening; 6.
- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad; 6.
- wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. C.E. van Oosten-van Smaalen, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier. De griffier De kantonrechter