RECHTBANK NOORD-HOLLAND Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummer: HAA 20/2265 uitspraak van de meervoudige kamer van 4 maart 2021 in de zaak van tussen Stichting Flora & Faunabescherming, te Amsterdam, kantoorhoudende te Weesp, eiseres en gedeputeerde staten van Noord-Holland, verweerder gemachtigde: ing. J.C. Vogel, Afdelingsmanager Toezicht en Handhaving bij de Omgevingsdienst Noord-Holland Noord. Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: GEM Bloemendalerpolder Beheer C.V., te Amsterdam gemachtigde: mr. J.C. Ellerman, advocaat te Amsterdam. Procesverloop Bij besluit van 13 september 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder het handhavingsverzoek van eiseres van 17 juli 2019 afgewezen. Het bezwaar van eiseres tegen dit besluit heeft verweerder ongegrond verklaard bij besluit van 3 april 2020 (het bestreden besluit). Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening is afgewezen bij uitspaak van 12 juni 2020 (ECLI:NL:RBNHO:2020:4276). De rechtbank heeft het beroep op 17 september 2020 op zitting behandeld. Eiseres is vertegenwoordigd door [naam 1] ( [functie] ) en [naam 2] ( [functie] ), vergezeld van [naam 3] , ecoloog , als onderzoeker verbonden aan de universiteit [plaats] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door ing. [naam 4] en [naam 5] bsc, ecoloog , beiden in dienst van de Omgevingsdienst Noord-Holland Noord. Namens de derde-partij zijn verschenen [naam 6] , [functie] , alsmede [naam 7] , [functie] , en [naam 8] , [functie] , beiden gedetacheerd namens de aandeelhouders, bijgestaan door voornoemde gemachtigde. Derde-partij heeft tevens meegebracht [naam 9] , ecoloog, werkzaam bij [naam 10] . Overwegingen Ontheffingen 1 november 2017, 10 april 2018 en 31 juli 2019 1.1 De derde-partij (hierna: GEM) realiseert het project ‘Bloemendalerpolder’. Dit project voorziet in de realisatie van 2750 woningen met bijbehorende voorzieningen in de Bloemendalerpolder. Dit gebied ligt ten zuidoosten van Amsterdam, tussen Weesp en Muiden. Het totale oppervlak van de Bloemendalerpolder bedraagt circa 300 ha. Ten behoeve van het project heeft verweerder aan GEM een aantal ontheffingen verleend van de verbodsbepalingen als opgenomen in de Wet natuurbescherming (Wnb), waaronder die van 1 november 2017 (hierna: de totaalontheffing), 10 april 2018 (hierna: de compensatieontheffing) en 31 juli 2019 (hierna: de veegontheffing). 1.2.1 De totaalontheffing is verleend voor de realisatie van het project Bloemendalerpolder en ziet op de gronden die, op de bij dat besluit behorende en als zodanig gewaarmerkte kaart, zijn gelegen in het aangegeven oranje vlak en op de eveneens in oranje aangegeven ontsluitingsweg en watergangen. Op deze gronden wil GEM de woningen bouwen en daarbij horende infrastructuur aanleggen. Aan de totaalontheffing is als voorwaarde verbonden dat binnen en buiten de Bloemendalerpolder een compensatiegebied van totaal circa 200 ha wordt gehandhaafd, althans gerealiseerd voor de (bedreigde) dier(soort)en. Circa 100 ha zal worden gerealiseerd binnen de Bloemendalerpolder. Dit compensatiegebied is op tekeningen van GEM onderverdeeld in drie delen: D3, het meest westelijke deel, dat door een ontsluitingsweg wordt onderscheiden van D2. De rest van het compensatiegebied zal worden gerealiseerd ten noorden van de (nieuwe) rijksweg A1. Dat zal met het compensatiegebied binnen de Bloemendalerpolder via compensatiegebied deel D1 verbonden zijn en ook verbonden zijn met de zogenaamde Waterlandtak. Aan de draagkracht van het compensatiegebied als leefgebied voor de (bedreigde) diersoorten is een factor verbonden. Aan de (oude) situatie, bij (intensief) gebruik van de polder voor agrarische doeleinden is die factor 1. Als die gronden niet langer intensief agrarisch in gebruik zijn is die factor 2. Om die gronden een factor 3 toe te kunnen kennen dienen inrichtingsmaatregelen te worden getroffen om die gronden nog meer geschikt te maken als leefgebied voor de (bedreigde) diersoorten. 1.2.2 GEM heeft in het kader van de veegontheffing de notitie “Uitgangspunten boekhouding natuurcompensatie” van 28 februari 2019, opgesteld door [naam 11] (de hectareboekhouding) ingebracht op grond waarvan zij heeft vastgelegd en bijhoudt welk deel van de polder zij voor haar bouwproject heeft onttrokken aan het leefgebied van de (bedreigde) diersoorten en welke draagkrachtfactor aan de resterende gronden kan worden toegekend. 1.2.3 Eiseres heeft tegen de totaalontheffing geprocedeerd. Bij uitspraak van 16 juli 2018 heeft deze rechtbank het door eiseres ingestelde beroep ongegrond verklaard (ECLI:NL:RBNHO:2018:60128). De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft deze uitspraak bij uitspraak van 8 mei 2019 bevestigd (ECLI:NL:RVSL:2019:1491). Daarmee is de totaalontheffing van onherroepelijk geworden. 1.3 De compensatieontheffing ziet op de uitvoering van enkele inrichtingsmaatregelen in het onbebouwd blijvende deel van de Bloemendalerpolder teneinde die gronden (meer) geschikt te maken als leefgebied te dienen voor de (beschermde) dieren die niet langer in de onder 1.2.1 bedoelde, te bebouwen gronden kunnen leven en uit die gebieden moeten worden verplaatst. Eiseres heeft ook tegen deze ontheffing geprocedeerd. Bij uitspraak van 11 maart 2020 heeft deze rechtbank het door eiseres ingestelde beroep ongegrond verklaard (ECLI:NL:RBNHO:2020:11485). Bij uitspraak van 18 november 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:2737) heeft de Afdeling de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Daarmee is ook de compensatieontheffing onherroepelijk geworden. 1.4 De veegontheffing voorziet in een aanvulling op de totaalontheffing. Bij de veegontheffing heeft verweerder alle bepalingen, voorschriften en beperkingen verbonden aan de totaalontheffing integraal van toepassing verklaard op de locaties: 1) de bouwlocatie gemeentewerf (locatie 1 op de kaart behorende bij de veegontheffing); 2) de bouwlocatie stadspark (locatie 5 op de kaart behorende bij de veegontheffing); 3) het tracé van de ontsluitingsweg inclusief transitiestrook (locatie 8 op de kaart behorende bij de veegontheffing); 4) de transitiestrook voor de woningbouw (locatie 9 op de kaart behorende bij de veegontheffing) en het direct ten zuiden daarvan gelegen projectgebied. Eiseres procedeert ook tegen de veegontheffing. Bij uitspraak van heden (HAA 20/3077) heeft deze rechtbank het beroep van eiseres tegen deze ontheffing ongegrond verklaard. 1.5 Met genoemde ontheffingen heeft verweerder - kort samengevat - onder voorwaarden ontheffing verleend van de verboden genoemd in: - artikel 3.5, eerste lid, Wnb voor zover het betreft het opzettelijk vangen van de heikikker, rugstreeppad en platte schijfhoren; - artikel 3.5, eerste lid, Wnb voor zover het betreft het (opzettelijk) doden van de platte schijfhoren; - artikel 3.5, tweede lid, Wnb voor zover het betreft het opzettelijk verstoren van de heikikker, rugstreeppad en platte schijfhoren; - artikel 3.5, derde lid, Wnb voor zover het betreft het opzettelijk vernielen en rapen van eieren van de platte schijfhoren; - artikel 3.5, vierde lid, Wnb voor zover het betreft het opzettelijk beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de heikikker, rugstreeppad en platte schijfhoren; - artikel 3.6, tweede lid, Wnb voor zover het betreft het onder zich hebben en vervoeren van exemplaren van de heikikker, rugstreeppad en platte schijfhoren; - artikel 3.10, eerste lid, onder b, van de Wnb voor zover het betreft het opzettelijk beschadigen of vernielen van de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de ringslang, wezel en hermelijn; - artikel 3.34, eerste lid, Wnb voor het uitzetten van de heikikker, rugstreeppad en platte schijfhoren. 1.6 Aan de genoemde ontheffingen zijn diverse voorschriften verbonden, waaronder: Totaalontheffing Voorschrift 18: De biotopen en natuurtypen die in het compensatiegebied zijn en worden ontwikkeld, dienen te worden gerealiseerd conform de inrichtingsplannen (zie bijlagen bij dit besluit) en te voldoen aan de specifieke eisen die de beschermde soorten aan hun biotoop stellen. Voorschrift 19: Alvorens de beschermde soorten naar (delen van) het compensatiegebied worden verplaatst, dienen deze gebieden functioneel te zijn en te voldoen aan de eisen gesteld onder voorschrift 18. Voorschrift 30: Bij het afvangen van amfibieën in geschikt landbiotoop dient te worden gewerkt conform de methode zoals is beschreven in het ecologisch werkprotocol en is bijgevoegd bij onderhavige beschikking. Compensatieontheffing Voorschrift 23. Het compensatiegebied dient te worden ingericht overeenkomstig de bij de aanvraag gevoegde ‘inrichtingsschets compensatiegebied’ en voorts te voldoen aan de specifieke eisen die de beschermde soorten aan hun biotoop stellen. Veegontheffing Bij de veegontheffing zijn alle bepalingen, voorschriften en beperkingen verbonden aan de totaalontheffing integraal van toepassing verklaard op de vier in de veegontheffing genoemde (hiervoor aangehaalde) locaties. Verweerder heeft bij de veegontheffing verder voorschrift 13 van de totaalontheffing gewijzigd, zodat die thans luidt: Voorschrift 13: Bij de aanleg of aanpassing van wegen en watergangen in het compensatiegebied mag het daarvoor benodigde werkgebied niet breder zijn dan: a. de totale breedte van de weg inclusief de wegberm, aan beide zijden vermeerderd met een werkstrook en een strook waarin faunaschermen worden geplaatst; b. de totale breedte van de watergang inclusief oever, aan beide zijden vermeerderd met een werkstrook en een strook waarin faunaschermen worden geplaatst. Eerdere aan GEM verleende ontheffingen, een aan GEM opgelegde last onder dwangsom en een invorderingsbesluit met betrekking tot die last 1.7.1 In verband met het project “Bloemendalerpolder” zijn voorafgaand aan de totaal- en veegontheffing nog ontheffingen verleend op 21 augustus 2015, 17 juli 2017 (voor bouwveld 1B1, ten aanzien van de rugstreeppad, geldig tot en met 16 juli 2022) en op 28 augustus 2017 (voor de bouwvelden 1A uitbreiding schoollocatie, 1B2, 2A1 en 4A, ten aanzien van de heikikker, rugstreeppad en platte schijfhoren, geldig tot en met 30 oktober 2017). Bij eerstgenoemde ontheffing van 21 augustus 2015 is aan GEM onder voorschriften ontheffing verleend op grond van artikel 75, derde lid, van de toenmalige Flora- en faunawet van de verbodsbepalingen genoemd in artikel 11 van de Flora- en faunawet voor zover dit betreft het beschadigen, vernielen of verstoren van voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen van de heikikker en de rugstreeppad. Het gebied waarvoor de ontheffing geldt, betreft het plangebied voor de realisatie van het project “Werkweg en bouwrijpmaken fase 1 Bloemendalerpolder” gelegen ten noorden van de Leeuwenveldseweg te Weesp in de Bloemendalerpolder, één en ander zoals is weergegeven in figuur 1 van het bij de aanvraag gevoegde rapport “Activiteitenplan Werkweg en fase 1 Bloemendalerpolder” van 18 december 2014. Deze ontheffing is verleend voor het tijdvak 21 augustus 2015 tot en met 1 april 2019. De ontheffing van 28 augustus 2017 is verleend om de bouwvelden 1B2, 2A1, 4A ,1A en de uitbreiding van de schoollocatie vrij te maken en vrij te houden van de aanwezige beschermde diersoorten heikikker, rugstreeppad en platte schijfhoren. De ontheffing maakte het onder meer mogelijk in de genoemde gebieden amfibieschermen te plaatsen, heikikkers, rugstreeppadden en platte schijfhorens weg te vangen en te verplaatsen en ook om de voortplantings- of rustplaatsen van de platte schijfhoren te verstoren en de eieren van die soort te verplaatsen. 1.7.2 Bij besluit van 6 juni 2017 (hierna ook: de last) heeft verweerder GEM gelast om geen werkzaamheden in de Bloemendalerpolder uit te voeren buiten het gebied waarvoor (eerder) ontheffing is verleend tot GEM in het bezit zou zijn van een geldige ontheffing in het kader van de Wnb of van een schriftelijke verklaring van verweerder dat een ontheffing in het kader van de Wnb niet noodzakelijk is om herhaaldelijke overtreding van artikel 3.5, eerste, tweede en vierde lid en artikel 1.11 van de Wnb te voorkomen. De aan de last verbonden dwangsom bedraagt € 200.000,- per geconstateerde overtreding, met een maximum van € 1.000.000,-. De aan de last verbonden begunstigingstermijn liep tot 8 juni 2017. De in dit besluit genoemde verleende ontheffing betreft de bij besluit van 21 augustus 2015 aan GEM verleende ontheffing. 1.7.3 Bij besluit van 9 april 2018 (hierna: het invorderingsbesluit) heeft verweerder een bedrag van € 200.000,- van GEM ingevorderd omdat in strijd met de opgelegde last in fase 1A Uitbreiding schoollocatie (op een strook naast bouwveld 1A en in een strook tussen bouwvelden 1A en 2A) de daar aanwezige sloot zou zijn gedempt en een perceel veenweidegebied zou zijn voorbelast met zand zonder dat hiervoor ontheffing was verleend dan wel een verklaring was gevraagd dat geen ontheffing noodzakelijk was. Bij uitspraak van 30 december 2019 heeft deze rechtbank het invorderingsbesluit herroepen (ECLI:NL:RBNHO:2019:10884). Verzoek om handhaving en (verdere)invordering verbeurde dwangsommen 1.8 Bij verzoek van 19 juli 2019 heeft eiseres verweerder verzocht om handhavend op te treden tegen GEM in verband met overtredingen van de Wnb. Zij heeft verder gevraagd om (verdere) invordering van verbeurde dwangsommen als gevolg van overtreding van de aan GEM opgelegde last. Bij het in bezwaar gehandhaafde primaire besluit heeft verweerder het verzoek afgewezen. Voor de rechtbank als vaststaand geldende gegevens 1.9.1 De aan GEM verleende totaal-, compensatie- en veegontheffing moeten in het kader van deze procedure als een vaststaand gegeven worden beschouwd. Die besluiten liggen thans niet ter toetsing in rechte voor. Indien en voor zover de door eiseres in beroep naar voren gebrachte gronden zien op de juistheid van de inhoud van deze ontheffingen, vallen deze argumenten buiten de reikwijdte van de onderhavige procedure. Uitbreidingen verzoek om handhaving 1.9.2 De rechtbank overweegt verder het volgende. Het door eiseres ingediende handhavingsverzoek behelst een groot aantal deelverzoeken/redenen waarom verweerder volgens eiseres tegen GEM handhavend zou moeten optreden. De rechtbank heeft geconstateerd dat eiseres haar deelverzoeken om handhaving in de bezwaar- en ook de beroepsprocedure veelvuldig heeft aangevuld met andere redenen die volgens eiseres nopen tot handhavend optreden. De rechtbank laat deze uitbreidingen van het initieel door eiseres ingediende handhavingsverzoek geheel buiten bespreking, omdat de reikwijdte van een handhavingsverzoek na het primaire besluit niet meer kan worden uitgebreid. Voor de leesbaarheid van de uitspraak zullen de door de rechtbank geconstateerde uitbreidingen ook niet (alle) worden benoemd. Overzichtelijk is het dossier allerminst. Indien en voor zover eiseres met haar aanvullingen heeft beoogd nieuwe handhavingsverzoeken bij verweerder in te dienen, zal zij dit alsnog bij afzonderlijk schrijven aan verweerder kenbaar moeten maken. Strijd met voorschrift 19 van de totaalontheffing - deel I 2.1 Eiseres heeft zich in haar handhavingsverzoek allereerst op het standpunt gesteld dat GEM in strijd handelt met voorschrift 19 van de totaalontheffing. Eiseres voert aan dat GEM ten behoeve van haar project begonnen is met het afvangen van dieren en met het onbruikbaar maken als leefgebied van delen van de polder. GEM houdt zich daarbij volgens eiseres niet aan het door de Afdeling in de uitspraak over de totaalontheffing goedgekeurde compensatiemodel en ook niet aan het tijdpad voor de inrichting van de compensatiegebieden, zoals dat is beschreven in het werkprotocol. GEM heeft er geen zorg voor gedragen dat in de compensatiegebieden waarnaar de dieren zijn uitgeplaatst, (tijdig) een draagkrachtverhoging heeft plaatsgevonden. Zo zijn onder meer gerealiseerde watergangen niet functioneel en zijn grote delen van het gebied niet uit agrarisch beheer gehaald. 2.2 Verweerder wijst er op dat de Afdeling in de uitspraak over de totaalontheffing (ECLI:NL:RVS:2019:1491) met de in de totaalopheffing (en daarmee ook met de in de veegontheffing) neergelegde wijze van compenseren heeft ingestemd. De Afdeling heeft in dat verband geoordeeld dat in de voorschriften 18 en 19 afdoende tot uiting komt dat het onttrekken van meer gronden aan het leefgebied van de beschermde soorten in het projectgebied moet worden voorafgegaan door uitplaatsing van deze soorten naar voor hen geschikt compensatiegebied. Niet is vereist dat het compensatiegebied geheel is ingericht voordat soorten worden verplaatst naar delen daarvan. Uit de door GEM in het kader van de veegontheffing ingebrachte hectareboekhouding, blijkt dat er ten tijde van het uitschermen van de nieuw af te vangen gebieden steeds voldoende compensatiegebied aanwezig was. Verweerder ziet geen reden om aan de juistheid van deze hectareboekhouding te twijfelen. Eiseres heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat de watergangen niet als gebied met factor 3 functioneren. Verweerder stelt verder dat het deel van het compensatiegebied dat nog in normaal agrarisch gebruik is, in de hectareboekhouding meetelt als gebied met factor 1. Gebieden waar het normale agrarisch gebruik is beëindigd, het beheer is geëxtensiveerd en op de soorten is afgestemd, tellen mee als gebied met factor 2 dan wel 3. Om deze gebieden geschikt te houden voor de beschermde soorten moet ook daar beheerd en dus gemaaid worden. Dat beheer vormt geen overtreding van de regels uit de Wnb of de voorschriften van die zijn verbonden aan de ontheffingen. Gelet op de uitspraak van de Afdeling over de totaalontheffing (ECLI:NL:RVS:2019:1491) staat verder vast dat de totale oppervlakte van het compensatiegebied binnen en buiten de polder tezamen groter is dan 200 ha. Desgevraagd heeft GEM in het kader van de veegontheffing aan verweerder bericht dat uit de ontheffingstekening van 29 maart 2019 blijkt dat er 113,9 ha compensatiegebied zal worden gerealiseerd en dat 184,5 ha zal worden bebouwd. In de hectareboekhouding is ook op grond van deze tekening aangeven dat er ten tijde van het uitschermen van de nieuw af te vangen gebieden voldoende geschikt compensatiegebied aanwezig was. 2.3 In beroep stelt eiseres dat de werkprotocollen zoals benoemd in de ontheffingen niet worden gevolgd. De inrichting van de compensatiegebieden was immers niet gereed op de in de protocollen genoemde data. Verder worden sommige compensatiegebieden nog steeds agrarisch gebruikt en zijn de noodzakelijke inrichtingsmaatregelen en kwaliteitsverbeteringen niet gerealiseerd. Volgens eiseres stemt de in de hectareboekhouding veronderstelde draagkrachtverhoging niet overeen met de werkelijke situatie in het veld, ook niet voor wat betreft de veronderstelde kwaliteitsverhoging van de diverse deelgebieden. Voorts zijn de ontwikkelingen van de gebieden onvoldoende gemonitord. Daarbij komt dat verweerder heeft erkend dat compensatiegebied D1 (nog) niet voldoet aan de eis dat de draagkracht met een factor 2 is verhoogd, en ook heeft erkend dat daar nog steeds sprake is van agrarisch gebruik. Er zijn kortom grote delen leefgebied onttrokken, terwijl niet voldoende compensatiegebied voorhanden was. 2.4 Verweerder wijst er in het verweerschrift (nog) op dat niet alle percelen in het te realiseren compensatiegebied al tot het compensatiegebied behoren. De percelen die (nog) niet tot het compensatiegebied behoren worden nog (intensief) agrarisch gebruikt. Ten tijde van het handhavingsverzoek waren nog niet alle inrichtingsmaatregelen genomen, waarmee ook rekening is gehouden in de hectareboekhouding, aldus verweerder. 2.5 Zoals onder 1.91 is overwogen, kan eiseres in onderhavige zaak niet opkomen tegen de wijze van compenseren zoals deze is bevestigd in de uitspraak van de Afdeling over de totaalontheffing. De stelling van eiseres dat GEM in strijd heeft gehandeld met voorschrift 19 van de totaalontheffing omdat GEM zich niet heeft gehouden aan het in het werkprotocol beschreven tijdpad, faalt. In voorschrift 19 is bepaald dat de gebieden waarnaar dieren verplaatst worden dienen te voldoen aan de eisen van voorschrift 18. Een tijdspad is in dat voorschrift niet genoemd. Dat het in het werkprotocol voorgenomen tijdpad niet wordt gehaald, vormt dan ook geen overtreding van voorschrift 19. Verder is het niet halen van het tijdspad ook op zichzelf geen reden tot handhaving over te gaan, omdat met dat tijdspad geen in de Wnb genoemd belang gediend wordt en dat dus niet tot de kern van de ontheffing behoort. Ook de stelling van eiseres dat GEM in strijd met voorschrift 19 heeft gehandeld door dieren te verplaatsen voordat het gebied waarheen werd verplaatst daarvoor geschikt was slaagt niet. Verweerder heeft zich bij beoordeling van het handhavingsverzoek gebaseerd op de door GEM in het kader van de veegontheffing ingebrachte hectareboekhouding. Een bestuursorgaan mag afgaan op het advies van een door een partij ingeschakelde deskundige, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. De rechtbank is van oordeel dat verweerder op de hectareboekhouding heeft mogen afgaan. Die boekhouding wordt gevoerd door het bureau [naam 11] dat ter zake als deskundig kan worden aangemerkt. Daarnaast is de redenering daarin begrijpelijk en volgen de daarin genoemde conclusies uit die redenering. Eiseres heeft onvoldoende onderbouwd dat de daarin veronderstelde draagkrachtverhoging niet overeenkomt met de werkelijke situatie in het veld. Niet is immers in geschil dat GEM op basis van de compensatieontheffing eerder was begonnen met het geschikter maken van delen van het beoogde compensatiegebied als leefgebied voor de (bedreigde) diersoorten. Eiseres lijkt met haar stelling en het door haar aangedragen beeldmateriaal voorts te miskennen dat niet alle percelen buiten het thans voor het bouwproject in gebruik genomen gebied uiteindelijk tot het compensatiegebied zullen gaan behoren. Verweerder heeft in de besluitvorming en het verweerschrift verder afdoende gemotiveerd dat in de hectareboekhouding rekening is gehouden met percelen die niet tot het compensatiegebied zullen gaan behoren, percelen die daarin wel liggen maar waarop het agrarisch beheer nog niet is beëindigd, en de omstandigheid dat in de compensatiegebieden nog niet alle inrichtingsmaatregelen zijn genomen. Kortom, eiseres heeft onvoldoende aangetoond dat de wegingsfactoren onjuist zijn toegepast. In het primaire besluit heeft verweerder aan de hectareboekhouding ontleend dat op dat moment circa 133 ha aan de leefgebieden voor de (bedreigde) diersoorten werd onttrokken. Op dat moment werd circa 54 ha overig gebied in de polder een draagkrachtfactor 2 toegekend vanwege de beëindiging van het (intensief) agrarisch gebruik en circa 39 ha een factor 3 omdat daar compensatiemaatregelen waren getroffen. De compensatiewaarde was dus in totaal ook circa 133 ha. Op dat moment was dus geen sprake van overtreding van de voorschriften 18 en 19. Nu uit de hectareboekhouding verder volgt dat ten tijde van het uitschermen en afvangen in nieuwe gebieden steeds voldoende compensatiegebied aanwezig was, heeft verweerder in het door eiseres gestelde geen aanleiding hoeven zien om wegens overtreding van voorschrift 19 van de totaalontheffing handhavend op te treden. Strijd met voorschrift 19 van de totaalontheffing, deel II 3.1 In haar verzoek om handhavend op te treden stelt eiseres verder dat GEM ook door het uitzetten van de platte schijfhoren naar de Waterlandtak handelt in strijd met voorschrift 19 van de totaalontheffing. Deze dieren mogen, aldus eiseres, volgens dit voorschrift alleen worden verplaatst naar compensatiegebied. De Waterlandtak maakt daarvan geen onderdeel uit. 3.2 Verweerder stelt dat de Waterlandtak een natuurgebied is, aangelegd als compensatie(gebied) voor de verbreding van de A1. De Waterlandtak is bij de aanleg geschikt gemaakt voor de soorten uit de Bloemendalerpolder. GEM heeft invloed op de inrichting van het gebied door een samenwerkingsovereenkomst gesloten tussen GEM en de provincie Noord-Holland. Verweerder wijst er verder op dat de Afdeling in de uitspraak over de totaalontheffing heeft overwogen dat er geen grond bestaat voor het oordeel dat het compensatiegebied ondeugdelijk is en dat de Waterlandtak niet als verbindingszone kan dienen. Eiseres heeft niet aangetoond dat de Waterlandtak niet functioneel is voor de platte schijfhoren en dat door het verplaatsen van deze soort naar de Waterlandtak de totaalontheffing wordt overtreden, aldus nog steeds verweerder. 3.3 In beroep stelt eiseres in aanvulling op haar verzoek dat niet is aangetoond dat GEM invloed heeft gehad op de inrichting van de Waterlandtak. Het besluit is daarom onvoldoende gemotiveerd. De Waterlandtak vormt geen onderdeel van het compensatiegebied en is ook ongeschikt als compensatiegebied vanwege de afwijkende (water-)zuurgraad. 3.4 Daargelaten de juistheid van de stelling van verweerder dat GEM invloed heeft gehad op de inrichting van de Waterlandtak heeft verweerder in de totaalontheffing expliciet beschreven dat de gebieden ten noorden van de A1 worden verbonden met de Bloemendalerpolder. Daarbij geldt dat de Afdeling in de uitspraak over de totaalontheffing heeft overwogen dat er geen grond bestaat voor het oordeel dat het compensatiegebied ondeugdelijk is en dat de Waterlandtak niet als verbindingszone kan dienen. Na de verwerping van de hoger beroepsgrond over de chemische samenstelling van het water in de Waterlandtak in laatstgenoemde uitspraak is uitgangspunt dat de bodems in de Waterlandtak weliswaar zanderig zijn, maar dat verweerder afdoende had gemotiveerd dat niettemin de chemische samenstelling van het water in de Waterlandtak gelijk is aan het water in de Bloemendalerpolder. De rechtbank ziet geen grond de in de hiervoor aangehaalde uitspraken gedane constatering niet te volgen dat de chemische samenstelling van het water in de Waterlandtak gelijk is aan dat in de Bloemendalerpolder, zodat daarin geen grond is gelegen voor het oordeel dat de Waterlandtak niet zou zijn aan te merken als functioneel leefgebied voor de platte schijfhoren. Van een overtreding van voorschrift 19 is derhalve ook op dit onderdeel geen sprake. Strijd met voorschrift 30 van de totaalontheffing 4.1 Eiseres heeft gesteld dat GEM in strijd met voorschrift 30 van de totaalontheffing exemplaren van de heikikker verplaatst naar gebieden buiten de Bloemendalerpolder. Volgens dit voorschrift dient het uitzetten van exemplaren van de heikikker te geschieden conform het ecologisch werkprotocol. Dat houdt onder meer in dat dieren alleen mogen worden uitgezet naar gebieden in de Bloemendalerpolder, aldus eiseres. 4.2 Verweerder heeft zich gesteld dat het compensatiegebied zich zowel binnen als buiten de Bloemendalerpolder bevindt. Voordat beschermde soorten naar delen van het compensatiegebied worden verplaatst, dienen deze functioneel te zijn en moeten zij voldoen aan de eisen gesteld in voorschrift 18. In voorschrift 30 is voorgeschreven dat de methode van afvangen zoals beschreven in het werkprotocol moet worden gevolgd. 4.3 Eiseres wijst er in beroep op dat in het werkprotocol het afvangen en uitplaatsen onlosmakelijk met elkaar samenhangen en dat ook de Afdeling heeft overwogen dat indien de werkzaamheden worden uitgevoerd conform het werkprotocol er geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soorten waarop de totaalontheffing ziet. Daarbij komt dat de gebieden buiten de Bloemendalerpolder niet voldoen aan voorschrift 18. De samenstelling van het water ten noorden van de A1 is, aldus eiseres, ongeschikt voor de heikikker. 4.4 De beroepsgrond faalt. GEM heeft voorschrift 30 van de totaalontheffing niet overtreden. In dat voorschrift is bepaald dat bij het afvangen van amfibieën de in het ecologisch werkprotocol beschreven methode moet worden gevolgd. Geen van de voorschriften in het werkprotocol schrijft de locaties voor waarnaar de dieren kunnen worden verplaatst. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat daarvoor de totaalontheffing bepalend is. Op grond van deze ontheffing kunnen de betreffende soorten worden verplaatst naar het compensatiegebied. De omstandigheid dat in het werkprotocol meermaals wordt aangegeven dat dieren moeten worden verplaatst naar een ander deel van de Bloemendalerpolder, doet aan het voorgaande niet af. De voorschriften in de vergunning zijn dienaangaande leidend. De vermelding in het protocol houdt verband met de voorgeschreven wijze van compenseren en in mindere mate met het compensatiegebied. Strijd met voorschrift 23 van de compensatieontheffing 5.1 Volgens eiseres is het realiseren van voorzieningen zoals onder meer een watergang, een tweede ontsluitingsweg, een langzaam-verkeerweg, diverse fietspaden, wandelpaden, uitlaatplaatsen voor honden alsmede bruggen in de compensatiegebieden in strijd met voorschrift 23 van de compensatieontheffing. Realisatie van deze voorzieningen doet afbreuk aan de kwaliteit en de kwantiteit van het compensatiegebied. 5.2 Volgens verweerder is geen sprake van een overtreding van voorschrift 23 van de compensatieontheffing, en evenmin van het nagenoeg gelijkluidende voorschrift 18 van de totaal(- en veeg)ontheffing, omdat deze ontheffingen niet zijn verleend voor de recreatieve voorzieningen waarop eiseres doelt. De voorzieningen worden ook nog niet aangelegd. GEM zal eerst moeten aantonen dat met het aanleggen van infrastructuur - waarvoor nog geen ontheffing is verleend - voldoende functioneel compensatiegebied aanwezig overblijft. De door eiseres genoemde watergang is onderdeel van de kanoroute. Deze kanoroute is ingetekend op de plankaart behorend bij de totaalontheffing, zodat de ontheffing daarop ook ziet. De kanoroute maakt gelet op de op genoemde plankaart ingetekende route verder geen onderdeel uit van het compensatiegebied. Voorschrift 23 kan dienaangaande dus niet overtreden worden. 5.3 In beroep stelt eiseres in aanvulling op haar verzoek om handhaving dat het realiseren van recreatieve voorzieningen en het agrarisch gebruik in de compensatiegebieden strijd oplevert met de door haar genoemde voorschriften uit de totaal- en compensatieontheffing. Gelet op de totale oppervlakte van de geplande recreatieve voorzieningen doen deze afbreuk aan de compensatiegebieden. De transitiestroken en de tweede ontsluitingsweg vormen onderdeel van de voorgenomen voorzieningen. Deze gebieden betreffen geen habitat en voldoen niet aan de biotoopkenmerken en doen reeds daarom afbreuk aan de compensatiegebieden. Eiseres betwist dat de kanoroute bij de totaalontheffing is ontheven. De watergang zou juist dienst doen als ecologische verbindingszone tussen verschillende delen van het compensatiegebied. Omdat de vaart niet is ingetekend in de compensatieontheffing, is sprake van een overtreding van artikel 23 van die ontheffing. De afwaterende functie van de watergang voor de woonwijk heeft ernstige nadelige gevolgen voor het gehele compensatiegebied omdat de watergang door alle deelgebieden loopt. De watergang is voor de heikikker en platte schijfhoren ongeschikt leefgebied. Realisatie daarvan leidt dus tot beschadiging of vernieling van functioneel leefgebied van deze soorten waardoor exemplaren van deze dieren opzettelijk zullen worden gedood. Het gebruik van de infrastructurele voorzieningen in de compensatiegebieden zal ook leiden tot het opzettelijk verstoren en doden van de betrokken beschermde soorten. Ook de wijziging van omvang en ligging van het compensatiegebied levert overtreding op van voorschrift 23 van de compensatieontheffing alsmede voorschrift 18 van de totaalontheffing, aldus eiseres. 5.4 De rechtbank is met verweerder van oordeel dat voor realisatie van de ontsluitingsweg, de (tijdelijke) transitiestroken, de kanoroute en de wijziging van de omvang en de ligging van het compensatiegebied ontheffingen zijn verleend, te weten de totaalontheffing en de veegontheffing. De totaalontheffing is onherroepelijk geworden en het beroep gericht tegen de veegontheffing is bij uitspraak van heden van deze rechtbank ongegrond verklaard. Zoals hiervoor overwogen moeten de aan GEM verleende totaal- en veegontheffing in het kader van deze procedure als een vaststaand gegeven worden beschouwd. De betreffende gronden maken daarom permanent dan wel tijdelijk geen onderdeel uit van het compensatiegebied. Dit maakt dat voor zover het deze gronden betreft van een overtreding van voorschrift 23 van de compensatieontheffing geen sprake kan zijn. Verweerder heeft verder afdoende gemotiveerd dat de aanleg van recreatieve voorzieningen ten tijde van het verzoek om handhaving en de daarop volgende besluitvorming, onvoldoende concreet is om daartegen preventief handhavend te kunnen optreden. Eiseres heeft dit ook niet gemotiveerd weerlegd. De stelling van eiseres dat door een afwaterende functie van de watergang leefgebied zal worden beschadigd en vernield en soorten zullen worden gedood, en haar stelling dat het gebruik van infrastructurele voorzieningen in compensatiegebieden zal leiden tot opzettelijk doden en verstoren van soorten heeft eiseres onvoldoende onderbouwd. Onvoldoende is derhalve onderbouwd dat die overtredingen klaarblijkelijk dreigen. Faunaschermen geplaatst buiten de grenzen van de totaalontheffing 6.1 Eiseres stelt verder dat haar is gebleken dat de recent geplaatste faunaschermen ten behoeve van de ontsluitingsweg buiten de grenzen van de reikwijdte van de totaalontheffing zijn geplaatst. Door de plaatsing van de faunaschermen is een groter gebied aan het leefgebied onttrokken dan op grond van de totaalontheffing is toegestaan. Dit betekent ook dat de gerealiseerde compensatie ontoereikend is. 6.2 De rechtbank overweegt met verweerder dat in het plaatsen van faunaschermen langs de ontsluitingsweg reeds is voorzien bij de totaalontheffing. Omdat de voorbelasting voor deze weg in verband met de bodemgesteldheid breder moest worden uitgevoerd dan voorzien, is bij de veegontheffing een aanvullende ontheffing verleend. In de omstandigheid dat de faunaschermen zijn gerealiseerd voordat de veegontheffing was verleend hoeft verweerder evenwel geen aanleiding te zien om alsnog handhavend op te treden tegen GEM. Zoals hiervoor overwogen moet de aan GEM verleende veegontheffing in het kader van deze procedure als een vaststaand gegeven worden beschouwd. Nu deze ten tijde van het primaire besluit was verleend, bestond voor verweerder reeds om die reden geen aanleiding (meer) handhavend op te treden. De rechtbank overweegt in dit verband verder dat verweerder onder verwijzing naar de hectareboekhouding genoegzaam heeft gemotiveerd dat er ten tijde van het uitschermen van de nieuw af te vangen gebieden voldoende geschikt compensatiegebied aanwezig was. Daarbij geldt dat in de hectareboekhouding de gehele oppervlakte binnen de schermen, dus ook de oppervlakte binnen de schermen van de ontsluitingsweg waar het eiseres bij deze beroepsgrond om te doen is, (voorlopig) niet zijn meegerekend bij de gebieden die bij het compensatiegebied horen. Opzettelijk doden door uitplaatsen soorten naar gebieden ten noorden van de A1 en faciliteren migratieroutes 7.1 Eiseres stelt dat het uitplaatsen van exemplaren van de heikikker, rugstreeppad, platte schijfhoren, ringslang en algemene soorten amfibieën naar de gebieden ten noorden van de A1 en het faciliteren van migratieroutes zal leiden tot het opzettelijk doden van exemplaren van deze soorten. Met name vanwege homing-gedrag zullen (verkeers)slachtoffers vallen van de heikikker en de rugstreeppad omdat langs de migratieroutes geen permanente geleidingsschermen langs de wegen zijn geplaatst. 7.2 De rechtbank volgt eiseres daarin niet. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat voor het verplaatsen van beschermde soorten naar het compensatiegebied, daaronder begrepen de gebieden gelegen ten noorden van de A1, ontheffing is verleend. Daargelaten de discussie tussen partijen over het al dan niet bestaan van homing-gedrag van (onder meer) de heikikker, overweegt de rechtbank het volgende. Verweerder heeft in het primaire besluit ter zake van de platte schijfhoren en in het verweerschrift ten aanzien van de andere door eiseres genoemde soorten aangegeven dat van het verplaatsen van deze soorten naar de compensatiegebieden gelegen ten noorden van de A1 vooralsnog geen sprake is. Het faciliteren van de migratieroute gebeurt pas in de toekomst. Nu eiseres haar vrees op overtreding van de Wnb niet nader heeft geconcretiseerd, heeft verweerder naar aanleiding van haar verzoek geen aanleiding hoeven zien ter zake handhavend op te treden. Opzettelijk doden door uitplaatsen van soorten naar wateren ten noorden van de A1 8.1 Eiseres stelt verder dat het verplaatsen van exemplaren heikikker, eieren van de heikikker en platte schijfhoren naar de wateren ten noorden van de A1 zal leiden tot het opzettelijk doden van deze exemplaren omdat de chemische samenstelling van het water in de gebieden ten noorden van de A1 sterk afwijkt van de chemische samenstelling van het water in de Bloemendalerpolder. Eiseres wijst ter onderbouwing van haar verzoek op het e-mailbericht van 26 april 2019 van [naam 13] , werkzaam bij Waternet. 8.2 Verweerder stelt dat de totaalontheffing de verplaatsing van genoemde soorten naar gebieden buiten de Bloemendalerpolder mogelijk maakt. GEM heeft aangegeven niet het voornemen te hebben juveniele en adulte exemplaren van de heikikker naar gebieden buiten de Bloemendalerpolder te verplaatsen. GEM heeft in overeenstemming met de totaalontheffing wel exemplaren van de platte schijfhoren naar gebied ten noorden van de A1 verplaatst. De bodemsoort in de gebieden ten noorden van de A1 is gelijk aan de bodem in de Bloemendalerpolder, te weten veen. Ook de waterkwaliteit is vergelijkbaar omdat sprake is van hetzelfde watersysteem. Dit watersysteem wordt in periodes met regenoverschot gevoed door regenwater en in tijden van droogte door water dat via de Vecht wordt ingelaten. Uit het door eiseres overgelegde e-mailbericht leidt verweerder niet af dat de samenstelling van het water anders zou zijn dan wel dat dit gevolgen zal hebben voor de uit te zetten eieren. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de afwijzing gehandhaafd en in reactie op door eiseres gemaakte bezwaren aangegeven dat eiseres niet heeft aangetoond dat het verplaatsen van exemplaren van heikikker en platte schijfhoren naar de Waterlandtak zal leiden tot het opzettelijk doden van exemplaren van deze soorten. 8.3 In beroep stelt eiseres dat verweerder de beoordeling van haar verzoek ten onrechte heeft beperkt tot het verplaatsen van soorten naar de Waterlandtak, terwijl het ziet op alle gebieden ten noorden van de A1. De Waterlandtak vormt geen onderdeel van het compensatiegebied. Verplaatsing naar de Waterlandtak van exemplaren van beschermde soorten is daarom in strijd met voorschrift 19 van de totaalontheffing. Eiseres stelt voldoende te hebben onderbouwd dat de chemische samenstelling van de wateren sterk afwijkt van het water in de Bloemendalerpolder. Daarbij komt dat verweerder noch GEM enig onderzoek hebben laten uitvoeren naar de waterkwaliteit in de gebieden ten noorden van de A1. 8.4. Het betoog van eiseres in beroep dat verweerder zich in de beoordeling heeft beperkt tot de Waterlandtak, slaagt niet. In de besluitvorming en in aanvulling daarop in het verweerschrift, heeft verweerder zich uitgelaten over de gebieden ten noorden van de A1 alsook – naar aanleiding van het door eiseres gemaakte bezwaar – over de verbindingszone. Verweerder heeft er verder terecht op gewezen dat voor het verplaatsen van beschermde soorten naar het compensatiegebied, daaronder begrepen de gebieden gelegen ten noorden van de A1, ontheffing is verleend. Voor de verplaatsingen van exemplaren van de platte schijfhoren naar de Waterlandtak die zich hebben voorgedaan, wijst de rechtbank naar hetgeen hiervoor onder 4.1 en verder is overwogen. Bovendien heeft verweerder er terecht op gewezen dat de ontheffing, met name voorschrift 36, niet uitsluit dat (eieren van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.