RECHTBANK NOORD-HOLLAND Handel, Kanton en Insolventie locatie Haarlem Zaaknr./rolnr.: 7793236 / CV FORM 19-7116 Uitspraakdatum: 10 maart 2021 Beschikking in de zaak van: 1 [passagier sub 1]
- [passagier sub 2]
- [passagier sub 3]
- [passagier sub 4]
- [passagier sub 5] allen wonende te [woonplaats] verzoekende partij verder te noemen: de passagiers gemachtigde: I. van de Beek (DAS) tegen de buitenlandse rechtspersoon British Airways PLC gevestigd te Harmondsworth, Verenigd Koninkrijk verwerende partij verder te noemen: de vervoerder gemachtigde: mr. J.W.A. Lameijer 1Het procesverloop Dit verloop blijkt uit: het vorderingsformulier (formulier A), ingekomen ter griffie op 11 juni 2019; het antwoordformulier (formulier C), ingekomen ter griffie op 10 september 2019; de conclusie van repliek, ingekomen ter griffie op 16 december 2019; de conclusie van dupliek, ingekomen ter griffie op 11 februari
- 2De feiten 2.
- De passagiers hebben een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan de vervoerder de passagiers diende te vervoeren van Londen naar Amsterdam (Schiphol) met vlucht BA444 op 1 februari 2019, hierna: de vlucht. 2.
- Vlucht BA444 is geannuleerd. 2.
- De passagiers hebben compensatie van de vervoerder verzocht in verband met voornoemde annulering. 2.
- De vervoerder heeft geweigerd tot betaling over te gaan. 3Het verzoek en het verweer 3.
- De passagiers verzoeken de vervoerder te veroordelen tot betaling van: - € 3.230,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 maart 2019 tot aan de dag der algehele voldoening; - € 542,08 aan buitengerechtelijke incassokosten;- de proceskosten. 3.
- De passagiers baseren het verzoek op de Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van de verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: de Verordening) en de daarop betrekking hebbende rechtspraak van het Europese Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). 3.
- De passagiers stellen dat de vervoerder vanwege de annulering van de vlucht gehouden is compensatie te betalen conform artikel 7 van de Verordening tot een bedrag van € 600,00 per passagier. Daarnaast maken de passagier op grond van artikel 5 lid 1 sub b juncto artikel 9 lid 1 sub a en c van de Verordening aanspraak op vergoeding van de door hen gemaakte verzorgingskosten ad € 230,
- 3.
- De vervoerder betwist de verschuldigdheid van het verzochte. Op het verweer wordt - voor zover relevant - bij de beoordeling van het geschil ingegaan. 4De beoordeling 4.
- De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat de Nederlandse rechter in deze zaak bevoegd is om van het verzoek kennis te nemen. 4.
- Artikel 3, lid 1, van de Verordening luidt als volgt: “Deze verordening is van toepassing a. op passagiers die vertrekken vanaf een luchthaven die gelegen is op het grondgebied van een lidstaat waarop het Verdrag van toepassing is; b) op passagiers die vertrekken vanaf een in een derde land gelegen luchthaven naar een luchthaven op het grondgebied van een lidstaat waarop het Verdrag van toepassing is, tenzij zij bepaalde voordelen of compensatie hebben ontvangen en bijstand hebben gekregen in dat derde land, indien de luchtvaartmaatschappij die de vlucht in kwestie uitvoert, een communautaire luchtvaartmaatschappij is”. 4.
- Uit de stukken blijkt dat sprake is van een vlucht bestaande uit twee delen, namelijk van Delhi naar Londen (vluchtnummer VS301) en van Londen naar Amsterdam (vluchtnummer BA444) en dat het eerste deel is uitgevoerd door Virgin Atlantic. Gelet op artikel 3, lid 1, sub b, van de Verordening, is naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter de Verordening niet van toepassing, indien Virgin Atlantic geen communautaire luchtvaarmaatschappij is. Alvorens een beschikking te wijzen, zullen de passagiers eerst in de gelegenheid worden gesteld nadere gegevens te verstrekken over de statutaire vestigingsplaats van Virgin Atlantic en zich over het voorlopig oordeel van de kantonrechter uit te laten. De vervoerder zal vervolgens in de gelegenheid worden gesteld bij antwoordakte te antwoorden. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden. 5De beslissing De kantonrechter: 5.
- stelt de passagiers in de gelegenheid om uiterlijk vóór 24 maart 2021 zich bij akte uit te laten zoals bedoeld in r.o. 4.3; 5.
- houdt iedere verdere beslissing aan. Deze beschikking is gewezen door mr. M.M. Kruithof, kantonrechter, en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier. De griffier De kantonrechter Tegen deze beschikking staat geen hoger beroep open