← Nederland

ECLI:NL:RBNHO:2021:2070

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Handel, Kanton en Bewind locatie Alkmaar Zaaknr./rolnr.: 8778400 \ CV EXPL 20-4953 (DJS) Uitspraakdatum: 17 maart 2021 in de zaak van [eiser] , h.o.d.n. [bedriijfsnaam], wonende te [woonplaats] , eiser, gemachtigde: O. Kinik, tegen [gedaagde] , wonende te [woonplaats] , gedaagde, procederende in persoon. Partijen worden hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd. 1Het procesverloop 1.

  1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 15 september 2020 met producties; het mondeling antwoord van 28 oktober 2020 met bijlagen; de brief van 8 februari 2021 van de gemachtigde van [eiser] met aanvullende productie; de aantekeningen van de mondelinge behandeling van 18 februari
  2. 1.
  3. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.
  4. [eiser] heeft in opdracht van [gedaagde] werkzaamheden verricht in en aan haar woning. 2.
  5. [eiser] heeft [gedaagde] facturen gestuurd voor de uitgevoerde werkzaamheden. 2.
  6. [gedaagde] heeft ondanks herhaalde aanmaning een bedrag van € 4.628,55 onbetaald gelaten. 3De vordering 3.
  7. [eiser] vordert dat de kantonrechter, bij vonnis en uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] veroordeelt: aan [eiser] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 5.231,84 vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf de dag van de dagvaarding tot en met de dag van de algehele voldoening; in de kosten van de procedure. 3.
  8. [eiser] legt aan de vordering ten grondslag dat [gedaagde] in verzuim is met de betaling van facturen en in verband daarmee de volgende opeisbare vorderingen heeft: Hoofdsom € 4.628,55 Rente € 15,43 Buitengerechtelijke incassokosten € 587,86 Totaal € 5.231,84 4Het verweer 4.
  9. [gedaagde] betwist de vordering. Samengevat is haar verweer dat het werk te lang heeft geduurd en dat het niet goed is uitgevoerd. 5De beoordeling 5.
  10. De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] de facturen van [eiser] moet betalen, omdat de facturen betrekking hebben op de werkzaamheden die [eiser] in opdracht van [gedaagde] heeft uitgevoerd. Het feit dat [gedaagde] niet tevreden is over de werkzaamheden brengt hier geen verandering in. 5.
  11. Dit oordeel is gebaseerd op een uitspraak van de Hoge Raad (NJ 1989, 343). De Hoge Raad heeft in deze uitspraak duidelijk gemaakt dat de enkele stelling dat de ander niet goed heeft gepresteerd niet voldoende is om zelf niet meer te hoeven betalen. Het is wel mogelijk om in zo’n geval de betaling tijdelijk op te schorten, maar daar moet dan wel een vervolg aan worden gegeven. Dat kan zijn een vordering tot nakoming, of een beroep op ontbinding van de overeenkomst. 5.
  12. Niet is gebleken dat [gedaagde] [eiser] heeft verzocht alsnog na te komen. [gedaagde] heeft dit weliswaar gesteld, maar zij heeft dit niet onderbouwd en [eiser] heeft dit gemotiveerd betwist. 5.
  13. Evenmin heeft [gedaagde] de overeenkomst geheel of gedeeltelijk ontbonden. [gedaagde] heeft op enig moment aangekondigd dat zij samen met een expert een berekening zou maken op basis van materialen en verrichte werkzaamheden, en vervolgens [eiser] een specificatie zou sturen van de kosten die aanvaardbaar zijn voor de werkzaamheden. Dit had een gedeeltelijke ontbinding kunnen inluiden zoals hiervoor bedoeld. [gedaagde] heeft de berekening echter nooit gemaakt. 5.
  14. Het voorgaande leidt er toe dat de gevorderde hoofdsom zal worden toegewezen. 5.
  15. De kantonrechter wijst de gevorderde wettelijke handelsrente af, omdat geen sprake is van een handelsovereenkomst. Dit geldt ook voor het gevorderde bedrag van € 15,43 aan rente tot aan de dagvaarding, omdat [eiser] ten onrechte is uitgegaan van de wettelijke handelsrente. 5.
  16. De kantonrechter wijst de vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten af. De reden is dat niet is komen vast te staan dat [gedaagde] de vereiste 14-dagenbrief heeft ontvangen, waarin haar een laatste mogelijkheid is geboden om te voldoen zonder bijkomende kosten. [eiser] heeft weliswaar gesteld dat deze brief door zijn gemachtigde is verzonden, maar [gedaagde] heeft betwist dat zij de brief heeft ontvangen en [eiser] heeft zijn standpunt vervolgens niet verder onderbouwd. 5.
  17. [gedaagde] wordt als grotendeels in het ongelijk gestelde partij veroordeeld tot betaling van de proceskosten van [eiser] . Deze worden als volgt begroot: dagvaarding € 86,85 griffierecht € 236,00 salaris gemachtigde (2 punten) € 420,00 totaal € 742,85 6De beslissing De kantonrechter: 6.
  18. veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van € 4.628,55; 6.
  19. veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van de proceskosten van € 742,85; 6.
  20. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad; 6.
  21. wijst de vordering voor het overige af. Dit vonnis is gewezen door mr. D.J. Straathof en in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2021 in aanwezigheid van de griffier. De griffier De kantonrechter

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.