RECHTBANK NOORD-HOLLAND Team Straf, locatie Alkmaar Politierechter Parketnummer: 15.315025.20 Uitspraakdatum: 23 maart 2021 Tegenspraak verkort strafvonnis (art. 138b Sv) Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 9 maart 2021 in de zaak tegen: [de verdachte] , geboren op [geboortedatum en -plaats], ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [..]. De politierechter heeft kennisgenomen van het standpunt van de officier van justitie, mr. S. Shukrula en van hetgeen door verdachte en mr. J.C. Duin, raadsman van verdachte, naar voren is gebracht. 1Tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: hij meerdere malen op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 oktober 2019 tot en met 20 oktober 2020 te Hoorn, in elk geval in Nederland, (telkens) openlijk, te weten in Hoorn, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging (telkens) geweld heeft gepleegd tegen goederen, waaronder (niet limitatief), (openbare) gebouwen en/of elektriciteitskasten en/of muren en/of woningen en/of treinstellen en/of straatmeubilair en/of tunnels en/of verkeersborden, door met spuitbussen verf (graffiti) woorden en/of tekeningen en/of tags op de voornoemde goederen te spuiten, terwijl hij, verdachte deze goederen opzettelijk heeft vernield. 2Voorvragen De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard moet worden. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de tenlastelegging van openlijk geweld tegen goederen over een periode van meer dan een jaar, zonder dat daarbij concrete tijdstippen worden benoemd, te onbepaald is. Op basis van deze tenlastelegging is het voor verdachte onvoldoende duidelijk is waartegen hij zich heeft te verdedigen. De politierechter verwerpt dit verweer. Nog daargelaten dat het betoog van de raadsman, indien dit gevolgd zou worden, zou moeten leiden tot nietigheid van de dagvaarding in plaats van tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie, overweegt de politierechter dat de inhoud en begrijpelijkheid van de tenlastelegging niet alleen wordt beoordeeld aan de hand van de letterlijke tekst maar mede moet worden bezien in samenhang met de inhoud van het dossier. De tenlastelegging voldoet naar het oordeel van de politierechter aan de daaraan te stellen eisen nu deze een voldoende duidelijke en voldoende feitelijke opgave inhoudt van het strafbare feit, c.q. de strafbare feiten die aan verdachte zijn ten laste gelegd en is dus in zoverre in overeenstemming met de eisen die artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) stelt. Bezien in combinatie met het onderliggende strafdossier moet het verdachte duidelijk zijn wat hem wordt verweten en waartegen hij zich diende te verdedigen. Bij de bespreking van het ten laste gelegde ter terechtzitting is gebleken dat dat ook het geval was. De politierechter komt aldus tot het oordeel dat de dagvaarding geldig is en dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging. De politierechter heeft voorts vastgesteld dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. 3Standpunten van partijen 3.1 Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit en gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden en een taakstraf voor de duur van 200 uren. 3.2 Standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte van het ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken en heeft daartoe een aantal verweren naar voren gebracht die in de bewijsmotivering zullen worden besproken. 4Bewijs 4.1 Bewijsmiddelen De politierechter grondt de beslissing dat verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. De bewijsmiddelen zullen worden uitgewerkt in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist en zullen in dat geval in een aan dit vonnis te hechten aanvulling worden opgenomen. 4.2 Bewijsmotivering Vormverzuim? De raadsman heeft – onder verwijzing naar een uitspraak van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2017:584) – betoogd dat het onderzoek aan de smartphone van verdachte een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van verdachte oplevert. Nu dit onderzoek heeft plaatsgevonden zonder machtiging van een officier van justitie of rechter-commissaris is sprake van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering, op grond waarvan de uit verdachtes smartphone verkregen informatie van het bewijs dient te worden uitgesloten, aldus de raadsman. Ditzelfde dient volgens de raadsman te gelden voor informatie verkregen uit onderzoek aan de smartphone van de medeverdachte. De politierechter overweegt als volgt. De Hoge Raad heeft in het door de raadsman aangehaalde arrest het toetsingskader uiteengezet voor het doen van onderzoek aan inbeslaggenomen elektronische gegevensdragers en geautomatiseerde werken (waaronder smartphones) door de politie. Uit de uitspraak volgt dat indien het onderzoek bestaat uit het raadplegen van een gering aantal opgeslagen of beschikbare gegevens, de daarmee samenhangende inbreuk op de persoonlijke levenssfeer als beperkt kan worden beschouwd, waardoor de algemene bevoegdheid van opsporingsambtenaren, zoals neergelegd in de artikelen 94 juncto 95 en 96 Sv daarvoor voldoende legitimatie biedt. Uit dit arrest volgt verder dat indien het onderzoek zo verstrekkend is dat een min of meer compleet beeld is verkregen van bepaalde aspecten van het persoonlijk leven van de gebruiker van de – in dit geval – smartphone, dat onderzoek jegens verdachte onrechtmatig kan zijn, indien toestemming van de officier van justitie voor het doen van dit onderzoek ontbreekt. Daarvan kan in het bijzonder sprake zijn wanneer het gaat om onderzoek van alle in de smartphone opgeslagen of beschikbare gegevens met gebruikmaking van technische hulpmiddelen. Het toestelgeheugen van de onder verdachte in beslag genomen telefoon en de in deze telefoon aanwezige geheugenkaart zijn door de politie uitgelezen. Vervolgens is de telefoon op meerdere momenten onderzocht op ‘inhoud welke verband heeft/zou kunnen hebben met graffiti’, zoals telkens in de betreffende processen-verbaal van bevindingen is vermeld. Het uitgevoerde onderzoek was met andere woorden specifiek gericht op de beschuldiging tegen verdachte en beperkte zich tot WhatsApp-gesprekken en (verstuurde) foto's. Naar het oordeel van de politierechter is niet gebleken dat door dit naar zijn aard en omvang beperkte onderzoek – mede in aanmerking genomen de resultaten daarvan – een min of meer compleet beeld is verkregen van bepaalde aspecten van het privéleven van verdachte. Gelet op het voorgaande is de politierechter van oordeel dat in de onderhavige zaak de door de politie uitgevoerde onderzoeken voldoende gelegitimeerd worden door de algemene bevoegdheid van opsporingsambtenaren zoals neergelegd in artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering (Sv), in verbinding met de artikelen 95 en 96 Sv. Van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv is dan ook geen sprake. De politierechter acht de resultaten van het onderzoek aan de telefoon van verdachte bruikbaar voor het bewijs. Hetzelfde geldt – mutatis mutandis – voor de resultaten van het onderzoek aan de telefoon van de medeverdachte. Openlijk in vereniging geweld plegen 16 augustus 2020 Verdachte en zijn medeverdachte zijn op 16 augustus 2020 op heterdaad aangehouden naar aanleiding van een waarneming door verbalisant [verbalisant 1] . Uit zijn proces-verbaal van bevindingen van 16 augustus 2020 blijkt dat hij op genoemde datum rond 3.40 uur twee mannen zag lopen over de [straat 1] in Hoorn, die stopten bij een schakelkast. Verbalisant zag dat één van de mannen een schuddende beweging maakte met zijn hand, waarbij het onmiskenbare tikkende geluid hoorbaar was van een verfspuitbus die geschud wordt. Vervolgens zag hij dat de man zich voorover boog naar de schakelkast en hoorde hij het sissende geluid van een werkende spuitbus. De verbalisant nam waar dat de man met lichte verf een zogenaamde tag spoot op de schakelkast. De mannen liepen door en de verbalisant is hen gevolgd. De mannen liepen naar een schakelkast bij de spoorwegovergang van de stoomtram. Verbalisant hoorde vervolgens wederom het sissende geluid van een of meer spuitbussen en zag dat de mannen naast elkaar stonden en beiden een tag spoten op de schakelkast. Daarna liepen de mannen naar een bouwkeet, waar zij zich enige tijd ophielden, om vervolgens te verdwijnen in de bosjes naast een fietspad. Op het moment dat de mannen op precies dezelfde plaats weer uit de bosjes tevoorschijn kwamen, heeft de verbalisant hen aangewezen aan de inmiddels ter plaatse gekomen politiecollega’s en zijn zij aangehouden. De aangehouden personen bleken te zijn verdachte [de verdachte] en verdachte [de medeverdachte] . Verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] hoorden verbalisant [verbalisant 1] zeggen dat de personen die op dat moment waren staande gehouden, de jongens waren die hij graffiti had zien spuiten. Diezelfde ochtend bij daglicht heeft verbalisant [verbalisant 1] een nader onderzoek ingesteld langs de looproute van de verdachten. Daarbij heeft hij een tas met daarin een spuitbus aangetroffen. Bij onderzoek in de omgeving op 16 augustus 2020 zag de politie op een elektriciteitshokje aan de [straat 1] een tag met witte verf, die nog nat was. Ook op een mobiel toilet zat natte verf. Dit betrof een tag met de letters: [tag 1] . Op de keet naast het toilet zat witte, nog natte verf met dezelfde tag als op het elektriciteitshokje. Op foto’s in het dossier (pagina 111 en verder) is te zien dat op het eerstgenoemde elektriciteitshokje, c.q. schakelkast de tag ‘ [tag 2] ’ staat. Op de tweede staan zowel de tag ‘ [tag 2] ’ als ‘ [tag 1] '. Ook op het mobiele toilet staan zowel de tag ‘ [tag 2] ’ als ‘ [tag 1] '. De politierechter is van oordeel dat op basis van het dossier kan worden vastgesteld dat de tag ‘ [tag 1] ’ kan worden toegeschreven aan verdachte [de verdachte] , terwijl de tag ‘ [tag 2] ’ aan verdachte [de medeverdachte] kan worden toegeschreven. Op grond van het vorenstaande, in onderling verband en samenhang beschouwd, is de politierechter van oordeel dat beide verdachten in dit geval een voldoende significante en wezenlijke bijdrage aan het openlijke geweld tegen goederen hebben geleverd en dat daarbij sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking. 19 en 20 mei 2020 Op 22 mei 2020 is namens [aangever] aangifte gedaan van het spuiten van graffiti op de muren van restaurant ‘ [naam] ’, gevestigd op het [straat 2] in Hoorn. Het aanbrengen van de graffiti moet zijn gebeurd tussen 15 en 20 mei
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.