RECHTBANK NOORD-HOLLAND Handel, Kanton en Insolventie locatie Haarlem Zaaknr./rolnr.: 7998788 CV EXPL 19-12737 Uitspraakdatum: 31 maart 2021 Vonnis van de kantonrechter in de zaak van: [eiser] , h.o.d.n. [handelsnaam] wonende te [woonplaats] eiser in conventie verweerder in reconventie verder te noemen: [eiser] gemachtigde: mr. O.J. Boeder tegen 1 [gedaagde sub 1] 2. [gedaagde sub 2] beiden wonende te [woonplaats] gedaagden in conventie eisers in reconventie verder te noemen: [gedaagde sub 1] c.s. gemachtigde: mr. M. Stokvis Gedaagden zullen afzonderlijk worden aangeduid als [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] . 1Het procesverloop 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding - de conclusie van antwoord tevens conclusie van eis in reconventie - de conclusie van repliek in conventie benevens conclusie van antwoord in reconventie - de conclusie van dupliek in conventie tevens conclusie van repliek in reconventie, tevens akte wijziging eis in reconventie - de akte uitlating producties conventie benevens conclusie van dupliek in reconventie benevens antwoord akte in verband met wijziging eis in reconventie - de akte uitlating productie in reconventie van de zijde van [gedaagde sub 1] c.s. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. [eiser] heeft een aannemingsbedrijf. [gedaagde sub 1] c.s. zijn particulieren die [eiser] hebben benaderd voor het verrichten van verbouwingswerkzaamheden aan hun woning. 2.2. Op 27 juli 2018 hebben [gedaagde sub 1] c.s. met alle bij de verbouwing betrokken partijen, waaronder ook [eiser] , de woning opgenomen en aan de hand van een verbouwplan hun wensen besproken. 2.3. Op 6 augustus 2018 is tussen partijen een aannemingsovereenkomst tot stand gekomen op grond waarvan [eiser] diverse werkzaamheden zou verrichten, waaronder – maar niet uitsluitend – stuc-, gevel- en keukenwerkzaamheden. Verder diende [eiser] onder meer kozijnen, deuren en plinten te leveren en aan te brengen voor een totale aanneemsom van € 20.977,30 inclusief btw (hierna: de overeenkomst). 2.4. Op 29 augustus 2018 heeft [eiser] de eerste termijn van de werkzaamheden gefactureerd. Deze factuur is door [gedaagde sub 1] c.s. betaald. 2.5. Gedurende de uitvoering van de werkzaamheden zijn via WhatsApp meerwerkopdrachten verstrekt aan [eiser] voor het egaliseren van de vloeren op de begane grond en de eerste verdieping, het verhelpen van houtrot in de kozijnen van de dakkoepel en het leveren en monteren van nieuwe garagedeuren en eenzelfde deur aan de voorzijde van het huis ten behoeve van een fietsenhok. 2.6. Bij factuur van 20 september 2018 is de eerste termijn voor het egaliseren van de vloeren in rekening gebracht. Deze factuur is eveneens door [gedaagde sub 1] c.s. betaald. 2.7. [gedaagde sub 1] c.s. hebben in WhatsApp een groeps-chat aangemaakt om de communicatie tussen alle bij de verbouwing betrokken personen en bedrijven makkelijker te maken. Ook [eiser] maakte deel uit van deze groeps-chat. Bij WhatsApp bericht van 10 oktober 2018 heeft [gedaagde sub 1] in deze groeps-chat gewezen op de vertraging die is ontstaan in de uitvoering van de werkzaamheden met het volgende bericht: ‘We zijn ontevreden over zowel de voortgang en de kwaliteit van het werk. Ik stel voor: morgen spoedoverleg op de [adres] . Laten we 16:00 uur afspreken.’ 2.8. Op 16 oktober 2018 heeft [gedaagde sub 2] het volgende bericht in de groeps-chat geplaatst: (…) Voor een goed overzicht van welke werkzaamheden er nog verricht moeten worden som ik deze hierbij op. Graag aanvullen als ik iets vergeten ben: Kozijnen achter + voor (gepland in week van 5 november) Laatste stuk keralit (gepland in de week van 5 november) Plinten (gepland in de week van 5 november) Deuren en deurbeslag boven (gepland op 25 oktober) Deuren en deurbeslag beneden (gepland op 3 november) Houtrot (voor november) Aanzetten vloer bij nieuwe kozijnen (voor 22 oktober) Pamelle met duveltje voor toiletdeur (voor 1 november) Internet contacten – graag ontvang ik wat ik daarvan moet halen in een link of screenshot (voor 1 november) Dichtmaken vloer / keuken (voor 23 oktober) Drempel voordeur (zo spoedig mogelijk en in overleg met [naam] de vloerenlegger)’ 2.9. [eiser] reageert op dit bericht van [gedaagde sub 2] als volgt: ‘Hoi [gedaagde sub 2] Als de kozijnen op tijd zijn klopt het hele verhaal Op houtrot na dit is deze week al klaar drempel bij voordeur kunnen we pas doen als vloer legt’ 2.10. Op 1 november 2018 hebben [eiser] en [gedaagde sub 1] c.s. de volgende WhatsApp berichten gestuurd: [gedaagde sub 2] : ‘ [eiser] , de plinten zijn ook niet helemaal goed geplaatst en daar komen we nog op terug. Mijn grootste zorg op dit moment: kan je echt de openslaande deuren plaatsen zonder fouten en problemen? Ga je ze plaatsen en zijn we dan klaar of moet iemand (weer) constateren dat het niet goed is. Vandaag is in principe de opleverdatum. We moeten nu wachten tot de 14e voor de openslaande deuren en kozijnen. Kun je mij toezeggen dat dat probleemloos gaat verlopen?’ [eiser] : Ja dit is al opgelost volgende week komen de kozijnen en wat is er niet goed aan de plinten? [gedaagde sub 2] : ‘ [eiser] : je behandelt ons super slecht. Je luistert niet. ontkent alles. Qua werkzaamheden wordt er niet gecommuniceerd, moeten we steeds aangeven dat het niet goed gaat. Krijgen we van alle andere partijen facturen met meerwerk omdat jullie dingen verzaakt hebben. Moet [gedaagde sub 1] in maatpak met dingen sjouwen omdat jullie dat nalaten. We hebben voor 400 euro machines moeten huren en vervolgens nog kachels moeten kopen. Nu jij ook nog eens de hoorn ophangt is het wel klaar. We zullen een andere aannemer inschakelen.’ 2.11. In reactie op deze berichten heeft [eiser] diezelfde dag gereageerd met: ‘hier ga ik niet mee akkoord’. 2.12. Partijen zijn vervolgens in overleg getreden over de samenwerking. Bij e-mail van 16 november 2018 heeft [eiser] in een daarbij gevoegde brief laten weten bereid te zijn mee te werken met een schikking. Daarbij heeft hij benadrukt nog steeds graag zelf de volledige werkzaamheden te willen verrichten. [eiser] heeft een herberekening bijgevoegd waaruit volgt dat [gedaagde sub 1] c.s. nog een bedrag van € 26.483,87 inclusief btw moeten voldoen. 2.13. Op 2 december 2018 heeft [eiser] in het kader van een minnelijke regeling een factuur aan [gedaagde sub 1] c.s. gestuurd voor een bedrag van € 13.019,60 exclusief btw. [gedaagde sub 1] c.s. hebben verzocht om een aangepaste factuur, omdat dit niet overeenkwam met hun eerdere schikkingsvoorstel dat inclusief btw was. [eiser] heeft dit geweigerd en is overgegaan tot het opstellen van de eindafrekening. 2.14. Op 18 december 2018 heeft [eiser] een eindfactuur aan [gedaagde sub 1] c.s. gestuurd, waarbij het restant van de overeenkomst én het restant van het meerwerk in rekening is gebracht. Het totaalbedrag van deze factuur inclusief btw bedraagt € 30.328,32. Deze eindfactuur is onbetaald gebleven. 2.15. [gedaagde sub 1] c.s. hebben op 23 mei 2019 een bedrag van € 10.841,60 aan de gemachtigde van [eiser] betaald met als betaalomschrijving ‘betaling onder protest – dossier [nummer] ’. 2.16. De resterende werkzaamheden die door [eiser] verricht zouden worden, zijn door derden uitgevoerd. 3De vordering 3.1. [eiser] vordert dat de kantonrechter bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde sub 1] c.s. hoofdelijk veroordeelt tot betaling van € 20.911,30, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van de dagvaarding en met veroordeling van [gedaagde sub 1] c.s. in de proceskosten. 3.2. [eiser] legt aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat [gedaagde sub 1] c.s. tekort zijn geschoten in de nakoming van de tussen partijen gesloten overeenkomst, omdat de eindfactuur niet volledig is betaald. 4Het verweer en de tegenvordering 4.1. [gedaagde sub 1] c.s. betwisten de vordering. Zij voeren aan – samengevat – dat [eiser] de werkzaamheden niet tijdig en deugdelijk heeft opgeleverd. Nu [eiser] de overeengekomen datum van oplevering van 1 november 2018 niet heeft gehaald, verkeert hij vanaf die datum in verzuim. [eiser] is toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen tegenover [gedaagde sub 1] c.s. Daarnaast zijn de verrichte werkzaamheden veelal niet naar de eisen van goed en deugdelijk werk uitgevoerd. 4.2. [gedaagde sub 1] c.s. vorderen – na wijziging eis ten aanzien van de vordering onder III – bij wijze van tegenvordering, uitvoerbaar bij voorraad: primair I. te verklaren voor recht dat tussen partijen in november 2018 ter fine van het geschil een bindende overeenkomst tot stand is gekomen, inhoudende ontbinding van de overeenkomst en meerwerkopdrachten met wederzijds goedvinden, en betaling door [gedaagde sub 1] c.s. aan [eiser] van € 13.019,60 inclusief btw; subsidiair II. de overeenkomst te ontbinden voor zover het gaat om nog niet uitgevoerde werkzaamheden en geleverde zaken, te weten het leveren en plaatsen van de deuren/kozijnen in de woonkamer en het vervangen van de eterniet schoten (keralit) en de meerwerkopdrachten tot het leveren en plaatsen van de deuren/kozijnen ten behoeve van de garage en het fietsenhok; III. [eiser] te veroordelen tot betaling van € 14.038,38, zijnde de herstelkosten van de plinten conform de offerte van Prévoo Totaalonderhoud d.d. 14 augustus 2020, althans [eiser] te veroordelen om aan [gedaagde sub 1] c.s. de kosten van het verwijderen en opnieuw aanbrengen van de plinten op de begane vloer en de eerste etage en van het herstel van het vliesbehang en de muren indien deze als gevolg van het verwijderen van de plinten worden beschadigd en hersteld dienen te worden, op eerste vertoon van de factuur van de onderneming die deze werkzaamheden heeft uitgevoerd, aan [gedaagde sub 1] c.s. te vergoeden; IV. [eiser] te veroordelen om aan [gedaagde sub 1] c.s. te betalen € 899,64 ter zake van de factuur van [naam] en € 447,15 ter zake van onverschuldigde betaling van [gedaagde sub 1] c.s. aan [eiser] ; Tot slot vorderen [gedaagde sub 1] c.s. [eiser] te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na dagtekening van het vonnis tot de dag van volledige betaling. 4.3. [gedaagde sub 1] c.s. leggen aan hun vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat partijen wilsovereenstemming hebben bereikt ten aanzien van de beëindiging van de overeenkomst en de financiële gevolgen daarvan. Voor zover de kantonrechter meent dat de overeenkomst niet met wederzijds goedvinden is beëindigd, vorderen zij ontbinding van de overeenkomst, omdat [eiser] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen en geen gebruik heeft gemaakt van de gelegenheid tot herstel. Ten titel van schadevergoeding vorderen [gedaagde sub 1] c.s. vergoeding van de herstelkosten. Nu [gedaagde sub 1] c.s. € 447,15 aan [eiser] teveel hebben betaald vorderen zij dit bedrag als onverschuldigd betaald van [eiser] terug. 4.4. [eiser] voert verweer tegen de tegenvordering. 5De beoordeling 5.1. [gedaagde sub 1] c.s. hebben hun eis vermeerderd bij conclusie van repliek in reconventie. [eiser] heeft daar bezwaar tegen gemaakt omdat volgens hem sprake is van strijd met de goede procesorde. De kantonrechter verwerpt dit bezwaar en laat de eiswijziging toe. [eiser] is in de gelegenheid geweest op de eiswijziging te reageren in zijn conclusie van dupliek in reconventie en daarom valt niet in te zien dat sprake is van strijd met de goede procesorde. 5.2. De vordering en de tegenvordering lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Bindende overeenkomst? 5.3. [gedaagde sub 1] c.s. stellen dat in november 2018 overeenstemming is bereikt over de beëindiging van de overeenkomst met wederzijds goedvinden en de financiële gevolgen daarvan. In reactie op de herberekening van [eiser] (r.o. 2.12) hebben [gedaagde sub 1] c.s. bij brief van 23 november 2018 een tegenvoorstel gedaan dat door [eiser] is aanvaard. Volgens [gedaagde sub 1] c.s. heeft [eiser] ook daadwerkelijk uitvoering gegeven aan de in november 2018 tussen partijen tot stand gekomen overeenkomst. Ter onderbouwing van hun standpunt hebben [gedaagde sub 1] c.s. daarvoor een e-mail van 2 december 2018 van [eiser] overgelegd met bijgesloten een factuur voor een bedrag van € 13.019,60 exclusief btw, respectievelijk € 15.753,71 inclusief btw (r.o. 2.13). Hieruit kan volgens [gedaagde sub 1] c.s. slechts de conclusie worden getrokken dat [eiser] het voorstel heeft aanvaard. [eiser] betwist dat sprake is van beëindiging van de overeenkomst met wederzijds goedvinden en voert aan dat de factuur op 2 december 2018 is verstuurd in het kader van een schikkingsaanbod bij wijze van tegenvoorstel. Bij gebreke van een tijdige betaling van deze factuur door [gedaagde sub 1] c.s. is zijn aanbod daarmee komen te vervallen. De primaire tegenvordering moet volgens [eiser] dan ook worden afgewezen. 5.4. De kantonrechter overweegt als volgt. Als uitgangspunt geldt dat een overeenkomst tot stand komt door aanbod en de aanvaarding daarvan. Of hiervan sprake is dient te worden beoordeeld aan de hand van de artikelen 3:33 en 3:35 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Van belang is hetgeen partijen hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid, overeenkomstig de zin die zij daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten toekennen. 5.5. Aangezien [gedaagde sub 1] c.s. zich beroepen op de rechtsgevolgen van het bestaan van een bindende overeenkomst ter beëindiging van het geschil, rusten op [gedaagde sub 1] c.s. ex artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) de stelplicht en, zo nodig, de bewijslast, dat partijen een minnelijke regeling hebben getroffen. Gelet op de gemotiveerde betwisting van [eiser] had het op de weg van [gedaagde sub 1] c.s. gelegen om voldoende concrete feiten en omstandigheden aan te dragen waaruit volgt dat er wilsovereenstemming bestond over de financiële afwikkeling van de onderhavige kwestie. [gedaagde sub 1] c.s. hebben echter in dat verband onvoldoende gesteld. Vanaf 16 november 2018 (r.o. 2.12) hebben partijen overlegd over een regeling. Naar aanleiding van het aanbod van [eiser] om de zaak af te doen tegen betaling van € 26.438,87 inclusief btw hebben [gedaagde sub 1] c.s. bij brief van 23 november 2018, verstuurd per e-mail van die dag met als onderwerp “Onze reactie op je e-mail van 16 november”, gereageerd met een gemotiveerd tegenbod van € 13.019,60. Daarbij zijn in de berekening die [gedaagde sub 1] c.s. daaraan ten grondslag hebben gelegd de bedragen expliciet vermeld inclusief btw. De kantonrechter gaat voorbij aan het verweer van [eiser] dat hij de e-mail met als bijlage de brief van [gedaagde sub 1] c.s. van 23 november 2018 niet heeft ontvangen. Uit het onderwerp van de door [eiser] op 2 december 2018 aan [gedaagde sub 1] c.s. verstuurde e-mail volgt namelijk dat zijn e-mail een reactie is op voornoemde e-mail van [gedaagde sub 1] c.s. van 23 november 2018 te weten: “Onderwerp: Re: Onze reactie op je e-mail van 16 november”. Bovendien heeft [eiser] in zijn factuur van 2 december 2019 exact het bedrag opgenomen zoals door [gedaagde sub 1] c.s. in hun brief van 23 november 2018 staat vermeld, waarbij [eiser] over dit bedrag nog btw heeft berekend. 5.6. Volgens [gedaagde sub 1] c.s. heeft [eiser] in de factuur van 2 december 2018 een onjuist bedrag opgenomen, omdat het door hen voorgestelde schikkingsbedrag inclusief btw was maar blijkt uit het feit dat [eiser] in die factuur is uitgegaan van het door hen genoemde bedrag wel dat sprake was van overeenstemming. Er kan echter pas wilsovereenstemming worden aangenomen als er sprake is van een gedraging of verklaring van [eiser] waaruit zijn wil blijkt tot het sluiten van een overeenkomst conform het aanbod van [gedaagde sub 1] c.s. of wanneer zij redelijkerwijs mochten begrijpen dat [eiser] dat wilde. Juist omdat het door [eiser] opgenomen bedrag in de factuur van 2 december 2018 gebaseerd is op het voorstel van [gedaagde sub 1] c.s. maar dan nog vermeerderd met btw, kan dit echter niet anders worden opgevat dan als een nieuw tegenbod. Deze factuur kan dan ook niet worden gezien als verklaring of gedraging waaruit de wil van [eiser] blijkt tot het sluiten van een overeenkomst conform het voorstel van [gedaagde sub 1] c.s. Andere aanknopingspunten daarvoor ontbreken. Bovendien volgt uit de brief van [gedaagde sub 1] c.s. van 23 november 2018 dat hun voorstel bij het uitblijven van een reactie voor 30 november 2018 zou vervallen. Nu [eiser] pas bij e-mail van 2 december 2018 heeft gereageerd kan ook daarom niet worden geconcludeerd dat partijen een minnelijke regeling zijn overeengekomen. 5.7. Op grond van het voorgaande geldt dat het bestaan van een bindende overeenkomst niet is komen vast te staan, zodat de primaire vordering in reconventie zal worden afgewezen. Ontbinding 5.8. Ingevolge artikel 6:265 lid 1 BW geeft iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding en haar gevolgen niet rechtvaardigt. Daarbij geldt op grond van artikel 6:265 lid 2 BW dat, voor zover nakoming niet blijvend of tijdelijk onmogelijk is, de bevoegdheid tot ontbinding pas ontstaat, wanneer de schuldenaar in verzuim is. Is voor de nakoming geen termijn bepaald, dan treedt volgens artikel 6:82 lid 1 BW het verzuim in, wanneer de schuldenaar in gebreke wordt gesteld bij een schriftelijke aanmaning waarin hem een redelijke termijn voor de nakoming wordt gesteld, en nakoming binnen deze termijn uitblijft. De functie van de ingebrekestelling is om de schuldenaar nog een laatste termijn voor nakoming te geven en aldus te bepalen tot welk tijdstip nakoming nog mogelijk is zonder dat van een tekortkoming sprake is, bij gebreke van welke nakoming de schuldenaar vanaf dat tijdstip in verzuim is. De lengte van de termijn voor nakoming die aan de schuldenaar moet worden gegeven hangt van de omstandigheden af. Op grond van artikel 6:82 lid 2 BW kan, indien de schuldenaar tijdelijk niet kan nakomen of uit zijn houding blijkt dat aanmaning nutteloos zou zijn, de ingebrekestelling plaatsvinden door een schriftelijke mededeling waaruit blijkt dat hij voor het uitblijven van de nakoming aansprakelijk wordt gesteld. Verzuim kan ook zonder ingebrekestelling intreden. Artikel 6:83 BW noemt drie gevallen waarin het verzuim zonder ingebrekestelling intreedt, maar dit is geen limitatieve opsomming. 5.9. Tussen partijen is in geschil of 1 november 2018 is overeengekomen als uiterste opleverdatum en daarmee heeft te gelden als een fatale termijn in de zin van artikel 6:83 BW. [gedaagde sub 1] c.s. stellen dat 1 november 2018 een fatale termijn was. [eiser] betwist dat het werk uiterlijk 1 november 2018 zou worden opgeleverd en voert aan dat [gedaagde sub 1] c.s. slechts de wens hebben uitsproken op die datum de woning te kunnen betrekken. Van een fatale termijn is zijns inziens dan ook geen sprake. 5.10. De kantonrechter stelt vast dat de overeenkomst tot stand is gekomen doordat [gedaagde sub 1] c.s. de offerte van [eiser] hebben geaccepteerd en dat daarin niet staat dat op 1 november 2018 moest worden opgeleverd. [gedaagde sub 1] c.s. hebben weliswaar verwezen naar overlegde WhatsApp correspondentie, maar anders dan zij menen bevat deze geen afspraken tussen hen en [eiser] voor oplevering op 1 november 2018. Ook uit de door [gedaagde sub 1] c.s. overgelegde verklaringen van [betrokkene] van Prevoo Totaalonderhoud B.V. en [betrokkene 2] van TH Totaalonderhoud blijkt niet dat tussen [eiser] en [gedaagde sub 1] c.s. is afgesproken dat op 1 november 2018 zou worden opgeleverd. Zij verklaren beiden dat tijdens de bijeenkomst van 27 juli 2018 is besproken wat er moest gebeuren, met als uitgangspunt dat de werkzaamheden op 1 november 2018 klaar moesten zijn. Op die dag was er echter nog geen sprake van enige overeenkomst tussen partijen. Het enkele feit dat [gedaagde sub 1] c.s. op 27 juli 2018 een streefdatum van 1 november 2018 hebben uitgesproken, dat erkent [eiser] wel, is dan ook onvoldoende voor het oordeel dat tussen partijen is afgesproken dat 1 november 2018 zou worden opgeleverd. De kantonrechter gaat voorbij aan het aanbod van [gedaagde sub 1] c.s. om getuigenbewijs te leveren door het horen van anderen die aanwezig waren op 27 juli 2018 nu gesteld noch gebleken is dat zij meer of anders kunnen verklaren dan [betrokkene] en [betrokkene 2] . Er is ook niet gesteld of gebleken dat [eiser] harde toezeggingen heeft gedaan omtrent oplevering op 1 november 2018. Hoewel [gedaagde sub 2] op 1 november 2018 aan [eiser] heeft geschreven dat die dag in principe de opleverdatum is, heeft zij eerder op 16 oktober 2018 in de groeps-chat een overzicht gezet van de werkzaamheden die nog uitgevoerd dienden te worden (r.o. 2.8). Volgens dit overzicht zou de uitvoering van diverse werkzaamheden pas na 1 november 2018 plaatsvinden. Gelet op het voorgaande is van een fatale termijn op 1 november 2018 in de zin van artikel 6:83 BW dan ook geen sprake, zodat verzuim pas intreedt wanneer [eiser] schriftelijk in gebreke is gesteld waarbij hem een redelijke termijn voor de nakoming is geboden. 5.11. Vervolgens ligt de vraag voor of [gedaagde sub 1] c.s. deugdelijke ingebrekestellingen hebben verstuurd voor zover het gaat om de door hen genoemde nog niet uitgevoerde werkzaamheden en geleverde zaken. In het kader van de tijdigheid van de prestatie heeft een ingebrekestelling als functie om te bepalen tot welk moment de schuldenaar uiterlijk nog kan presteren, zonder dat kan worden gezegd dat hij daarmee te laat is. Bij gebrek aan duidelijkheid over dat moment valt niet te rechtvaardigen dat de schuldeiser door ontbinding de schuldenaar de mogelijkheid van nakoming respectievelijk zijn aanspraak op de tegenprestatie ontneemt. Van een deugdelijke ingebrekestelling is naar het oordeel van de kantonrechter geen sprake, nu [gedaagde sub 2] alleen per WhatsApp bericht van 1 november 2018 heeft bericht dat ‘het klaar is’ en zij een andere aannemer zullen inschakelen. [gedaagde sub 1] c.s. hebben daarmee uitdrukkelijk geen termijn gesteld waarbinnen nakoming alsnog kon plaatsvinden. Dat aanmaning nutteloos zou zijn is niet gebleken, nu [eiser] bij e-mail van 16 november 2018 juist heeft benadrukt de volledige werkzaamheden te willen verrichten. Dit betekent dat – nu een deugdelijke ingebrekestelling ontbreekt – [eiser] niet in verzuim is. De subsidiaire vordering in reconventie tot ontbinding van de overeenkomst voor zover het gaat om de door [gedaagde sub 1] c.s. genoemde nog niet uitgevoerde werkzaamheden en geleverde zaken zal om die reden worden afgewezen. Betaling € 20.911,30 5.12. [eiser] vordert [gedaagde sub 1] c.s. te veroordelen tot betaling van € 20.911,30, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de datum van de dagvaarding. Dit bedrag bestaat uit een hoofdsom van € 30.328,32 (eindfactuur), incassokosten van € 1.078,28 en rente van € 346,30, waarop in mindering is gebracht de betaling van [gedaagde sub 1] c.s. van 23 mei 2019 van € 10.841,60. Deze betaling heeft [eiser] eerst in mindering gebracht op de rente en buitengerechtelijke incassokosten en voor het overige op het resterende deel van de verschuldigde hoofdsom. [eiser] voert aan dat [gedaagde sub 1] c.s. tekort zijn geschoten in de nakoming van de overeenkomst, omdat de eindfactuur niet volledig is betaald. 5.13. Vast staat dat sprake is van een overeenkomst van aanneming van werk als bedoeld in artikel 7:750 BW. Naar het oordeel van de kantonrechter blijkt uit het WhatsAppbericht van [gedaagde sub 2] van 1 november 2018 dat [gedaagde sub 1] c.s. [eiser] niet meer in de gelegenheid wenste te stellen om het werk te voltooien. Dit bericht kwalificeert dan ook als een opzegging in de zin van artikel 7:764 BW. De opzegging van een aannemingsovereenkomst door de opdrachtgever laat diens verbintenis tot betaling van de aanneemsom onverlet, zij het dat daarop in mindering komen de besparingen die voor de aannemer uit de opzegging voortvloeien. 5.14. Op grond van het bovenstaande zijn [gedaagde sub 1] c.s. in beginsel de totale aanneemsom verschuldigd aan [eiser] , maar daarop komt in mindering hetgeen reeds is betaald alsmede de besparingen van [eiser] en eventuele andere posten naar aanleiding van het verweer van [gedaagde sub 1] c.s. [gedaagde sub 1] c.s. hebben de volgende door [eiser] gevorderde posten betwist:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.