Rechtbank noord-holland Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummer: HAA 17/5451 uitspraak van de meervoudige douanekamer van 1 april 2021 in de zaak tussen [X] B.V., gevestigd te [Z] , eiseres (gemachtigde: mr.ing B.J.B. Boersma RB en mr. L. Hoekstra) en de inspecteur van de Belastingdienst/Douane, kantoor Groningen, verweerder Procesverloop Verweerder heeft met dagtekening 19 mei 2017 aan eiseres een uitnodiging tot betaling (hierna: utb) uitgereikt ten bedrage van € [$] aan douanerechten op industriële producten en € [$] aan rente op achterstallen. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de utb gehandhaafd. Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Eiseres heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan verweerder. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 juli 2020 te Alkmaar. Namens eiseres zijn verschenen gemachtigden voornoemd. Namens verweerders zijn verschenen mr. [A] (Eindhoven), mr. [B] (Arnhem/Nijmegen), mr. [C] (Groningen) en mr. [D] (Groningen). De zaak is ter zitting gelijktijdig behandeld met de zaken HAA 18/4813 en HAA 19/4605 van [F] B.V., HAA 17/5661 van [G] B.V., HAA 17/5662 van [H] B.V. en HAA 19/1092 van [I] B.V. Overwegingen Feiten 1. Eiseres exploiteert een groothandel in vis en schaal- en weekdieren. De activiteiten van eiseres bestaan uit de handel in en het bewerken van vis en visproducten. 2. In de periode van 22 december 2010 tot 22 december 2013 beschikte eiseres over een vergunning bijzondere bestemming voor de verwerking van diverse soorten vis. In deze vergunning waren hoeveelheden per vissoort op jaarbasis opgenomen. Op verzoek van eiseres heeft verweerder deze vergunning per 31 juli 2012 gewijzigd, waarbij - voor zover van belang - de hoeveelheid en waarde van Alaska koolvis filet zijn verhoogd. 3. Op 1 november 2013 heeft eiseres een aanvraag ingediend voor een vergunning bijzondere bestemming (hierna: de vergunning). Op 18 december 2013 is de vergunning verleend. In de vergunning is onder meer het volgende vermeld: “(…) 6. Geldigheidsduur van de vergunning a. Ingangsdatum 22 december 2013 b. Vervaldatum 22 december 2016 7 Onder de regeling te plaatsen goederen : GN-code 1. 0304.7500.10 2. 03048390.21 3. 0304.9490.10 4. 0304.9525.10 5. 0304.7190.10 6. 0304.795010 Omschrijving 1. Alaska koolvis filet ( Theragra chalcogramrnain de vorm van industriële blokken . 2. Platvis filet ( Limanda aspera, Lepidopsetta bilineata, Pleuronectes Quadrituberculatus, Limanda ferruginea, Lepidopsetta polyxystra ) 3. Alaska koolvis visviees ( Theragra chalcogramma in de vorm van industriële blokken , 4. Kabeljauw mmce ( visviees Gadus Morhua 5. Kabeljauw filet ( Gadus Morhua 6. Hoki filet ( macruronus novaezelandiea Hoeveelheid / waarde ( op jaarbasis) [#] kg € [$] ,- 2. 50.000 kg € 200.000 3. 350.000 kg € 600.000 ,- 4. 60.000 kg € 125.000 ,- 5. 100.000kg € 400.000 6. 200.000 kg € 650.000 ,- (…)” 4.1. Verweerder heeft een administratieve controle ingesteld naar de naleving van de voorwaarden van de vergunning en een initieel onderzoek naar de administratieve organisatie en de maatregelen van interne beheersing (AO/IB). De bevindingen zijn opgenomen in het controlerapport van 8 mei 2017. In het controlerapport is - voor zover van belang - het volgende vermeld: “(…) 7.3.4. Hoeveelheden en waarden Op 28 september 2014 is aan [X] een brief gestuurd waarin de formaliteiten met betrekking tot de vergunning voorwaarden zijn uitgelegd. Met name zijn de volgende onderwerpen genoemd: - Voor welke goederen de vergunning is afgegeven; - De hoeveelheid goederen, die onder de regeling mag worden gebracht; - De termijn, waarbinnen de goederen de voorgeschreven bestemming moeten hebben bereikt; - De plaatsen, waar aan de goederen de voorgeschreven bestemming moet worden gegeven; - De geldigheidsduur van de vergunning. Deze en eventueel andere voorwaarden en gegevens vinden hun basis in het Communautair Douane Wetboek (CDW) en de Toepassingsverordening CDW. De vergunninghouder moet alle gebeurtenissen die gevolgen kunnen hebben voor de vergunning aan de bevoegde douaneautoriteiten meedelen. Ook bij overdracht van goederen, waarvoor een bijzondere bestemming geldt, moet aan diverse voorwaarden worden voldaan. Daarnaast is vermeld, dat naar aanleiding van een recente rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie, dat de voorwaarden, die gelden voor onder douanetoezicht staande goederen, strikt moeten worden nageleefd. Indien niet aan deze voorwaarden wordt voldaan, kan er een douaneschuld ontstaan, ook al hebben de goederen bijvoorbeeld een toegestane bestemming bereikt. De in de tabel in paragraaf 7.1 vermelde hoeveelheden zijn de maximale hoeveelheden die per jaar in het vrije verkeer mogen worden gebracht met een bijzondere bestemming. De vergunning is ingegaan op 22 december 2013. Jaar 1 loopt dan van 22 december 2013 tot en met 21 december 2014. Jaar 2 loopt van 22 december 2014 tot en met 21 december 2015 en jaar 3 loopt van 22 december 2015 tot en met 21 december 2016. Op basis van de DSI en AGS aangiften is de hoeveelheid en waarde per vissoort voor alle jaren in beeld gebracht. Ook heeft [X] nog vis op T5 overgedragen gekregen van andere vergunninghouders. (…) Jaar 1: Vastgesteld is dat in het eerste jaar de hoeveelheid en de waarde van Alaska koolvis is overschreden. Na interne afstemming is gekozen voor een correctie op de waarde-overschrijding. De vergunning is verleend voor een bepaalde hoeveelheid goederen tegen een bepaalde waarde. Het fiscale risico wordt gelopen over het verschil in douanerechten dat wordt berekend als percentage van de waarde. Een sterke waardestijging is een element dat van invloed is op de vergunning en dat gemeld had moeten worden (…) Jaar 2: (…) Vastgesteld is dat in jaar 2 de hoeveelheid en de waarde van Alaska koolvis is overschreden. Zoals in de vorige paragraaf beschreven wordt de correctie berekend over de waarde-overschrijding. (…) Jaar 3: In jaar 3 wordt van de Alaska koolvis de waarde en hoeveelheid overschreden. (…) Naast de Alaska koolvis is de waarde van de kabeljauw filet in 2016 overschreden. (…)” 4.2. In bijlage 5 bij het controlerapport is opgenomen dat eiseres in 2016 een hoeveelheid van [#] kg kabeljauwfilet onder haar vergunning heeft gebracht. 5. Op 19 mei 2017 is de onderhavige utb uitgereikt. In deze utb is - voor zover van belang - het volgende vermeld: “(…) Uit mijn gegevens blijkt dat u € [$] aan belasting verschuldigd bent. U bent dit bedrag verschuldigd op grond van artikel 79 van de Verordening (EU) nr. 952/2013, voor 1 mei 2016 op grond van 204 CDW Verordening (EEG) 2913/92. Voor deze boeking achteraf wordt een uitnodiging tot betaling verzonden. Deze is gebaseerd op artikel 102 lid 1 DWU en artikel 7:6 Algemene douanewet, voor de schuld ontstaan voor 1 mei 2016 op grond van artikel 221 CDW. Over het deel van de correctie wat na 1 mei 2016 is ontstaan zal op grond van artikel 114 lid 2 DWU rente op achterstallen in rekening worden gebracht. Over het deel van de correctie wat voor 1 mei 2016 is ontstaan wordt rente op achterstallen in rekening gebracht vanaf 1 mei 2016. (…)” Geschil 6.In geschil is of de utb terecht en tot het juiste bedrag is uitgereikt. Meer in het bijzonder is in geschil: - of sprake is van een schending van de voorwaarden van de vergunning; - welk criterium bepalend is voor de vaststelling of sprake is van een overschrijding; - of een douaneschuld is ontstaan en zo ja, op welke grondslag; - of artikel 212bis van het CDW van toepassing is; - of de voorwaarden van artikel 220, tweede lid, aanhef en sub b, van het CDW zijn vervuld; - of de douaneschuld tenietgaat op grond van artikel 124 van het DWU respectievelijk niet is ontstaan op grond van artikel 859 van de UCDW; - of de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zijn geschonden; - of de rente op achterstallen terecht en op juiste wijze is berekend; en - of is voldaan aan de voorwaarden van artikel 239 van het CDW respectievelijk de artikelen 119 of 120 van het DWU. 7. Eiseres stelt primair dat geen sprake is van een schending van de voorwaarden van de vergunning. Eiseres kan de in haar vergunning vermelde hoeveelheden niet overschrijden, omdat de in de vergunning vermelde hoeveelheden niet als maximale hoeveelheden kunnen worden gelezen. Eiseres meent dat de hoeveelheden te verwerken vis slechts worden beperkt door de actuele ruimte binnen de geldende contingenten. Subsidiair stelt zij dat als de hoeveelheden in de vergunning al maximale hoeveelheden zijn, deze hoeveelheden dan per maand, of hooguit per jaar gelden. Nog meer subsidiair stelt eiseres dat een eventuele overschrijding van de vergunning alleen kan worden bepaald aan de hand van de vergunde hoeveelheid en niet aan de hand van de waarde. Verder stelt eiseres dat als al een overschrijding van de hoeveelheid vis uit de vergunning heeft plaatsgevonden, dit niet leidt tot een douaneschuld, omdat een overschrijding van de hoeveelheid geen schending van de vergunningvoorschriften inhoudt. Als de vis wegens een hoeveelheidsoverschrijding niet onder de regeling bijzondere bestemmingen gebracht had mogen worden dan is de douaneschuld ontstaan op grond van artikel 201 van het CDW respectievelijk artikel 77 van het DWU. Nu de utb is opgelegd op grond van artikel 204 van het CDW, respectievelijk artikel 79 van het DWU, kan deze niet in stand blijven. Voorts stelt eiseres dat de utb niet in stand kan blijven, omdat op grond van artikel 212bis van het CDW voor de koolvis en de kabeljauwfilet een gunstige tariefbehandeling krachtens artikel 21 van het CDW gold die ook van toepassing is wanneer een douaneschuld is ontstaan op grond van artikel 204 van het CDW. Eiseres stelt nog meer subsidiair dat de utb niet in stand kan blijven, omdat sprake is van een vergissing in de zin van artikel 220, tweede lid, onder b, van het CDW nu verweerder in het verleden geen gevolgen heeft verbonden aan overschrijding van vergunningen. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de douaneschuld voor de periode na 1 mei 2016 teniet is gegaan in de zin van artikel 124 van het DWU, omdat het eventuele verzuim zonder werkelijke gevolgen is gebleven. Eiseres stelt voorts dat de utb niet in stand kan blijven, omdat deze is uitgereikt in strijd met het gelijkheidsbeginsel en het verbod van willekeur. Onduidelijkheden in vergunningen worden in andere douaneregio’s uitgelegd in het voordeel van de vergunninghouder en dat hoort ook voor eiseres te gelden. Eiseres stelt voorts dat rente op achterstallen in de zin van artikel 114, tweede lid, van het DWU uitsluitend kan worden berekend over douaneschulden die zijn ontstaan vanaf 1 mei 2016. Verweerder brengt ten onrechte vanaf 1 mei 2016 rente op achterstallen in rekening voor douaneschulden die zijn ontstaan vóór 1 mei 2016. Verweerder heeft voorts in zijn voornemen tot het vaststellen van de utb niet het bedrag en de berekening van de rente op achterstallen opgenomen, zodat op dit punt het verdedigingsbeginsel is geschonden. Tot slot stelt eiseres dat de douaneschulden moeten worden kwijtgescholden in de zin van artikel 239 van het CDW respectievelijk artikel 119 dan wel artikel 120 van het DWU, omdat verweerder geen landelijk uniform beleid hanteerde, onvoldoende vooraf heeft duidelijk gemaakt dat zij vergunningen strenger dan voorheen zou gaan controleren en de financiële belangen van de EU niet zijn geraakt. Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en de utb. Voorts verzoekt eiseres om veroordeling van verweerder tot een integrale proceskostenvergoeding en om toekenning van een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. 8. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de vergunning is overschreden met de waardes en hoeveelheden zoals in het controlerapport vermeld. Er moet immers worden uitgegaan van het financiële risico voor de EU van het overschrijden van de vergunning. Voor de koolvis en de kabeljauwfilet is een douaneschuld ontstaan op grond van artikel 204, eerste lid, aanhef en onder b, van het CDW respectievelijk artikel 79 van het DWU, omdat eiseres voor een hogere waarde aan goederen onder haar vergunning heeft gebracht dan waarvoor deze was verleend. Verweerder voert aan dat artikel 212bis van het CDW niet kan worden toegepast, omdat de koolvis en de kabeljauwfilet met een bijzondere bestemming in het vrije verkeer zijn gebracht zonder een daartoe vereiste vergunning. Verder stelt verweerder dat de douaneschuld niet teniet is gegaan, omdat niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 124, eerste lid, onder h, van het DWU en, voor zover de douaneschuld is ontstaan onder het CDW, een situatie als de onderhavige niet is opgenomen in de limitatieve opsomming van artikel 859 van de UCDW. De verschuldigdheid van rente op achterstallen is een formele bepaling, die is ingegaan op 1 mei 2016 dus ook over douaneschulden die onder het CDW zijn ontstaan. Tot slot voert verweerder aan dat de artikelen 119 en 120 van het DWU de mogelijkheid bieden een verzoek om terugbetaling wegens een vergissing van de douaneautoriteiten respectievelijk wegens bijzondere omstandigheden in te dienen maar dit kan enkel door het indienen van een separaat verzoek en kan niet worden beoordeeld in de bezwaarprocedure tegen de utb. Van een actieve gedraging van verweerder jegens eiseres, bijvoorbeeld in de afhandeling van de aangiften, in de vergunning of in de vergunningen van derden, is geen sprake, zodat artikel 220, tweede lid, aanhef en onder b, van het CDW niet van toepassing is. Voorts kunnen nationale algemene beginselen van behoorlijk bestuur niet worden getoetst in een zaak over de navordering van douanerechten. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep. 9. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken. Beoordeling van het geschil Horen van getuigen 10. Het als getuigen horen van medewerkers van verweerder, zoals eiseres de rechtbank heeft voorgesteld, acht de rechtbank, mede gelet op de hierna in overweging 20 opgenomen arresten van het HvJ, niet van belang voor enig te nemen beslissing, zodat de rechtbank geen gevolg zal geven aan dit voorstel (vgl. HR 15 november 2019, nr. 18/04315, ECLI:NL:HR:2019:1786, r.o. 2.4.3). Stukken van het geding 11.1. Op grond van artikel 8:42, eerste lid, van de Awb dient het bestuursorgaan in beginsel alle op de zaak betrekking hebbende stukken die aan dat orgaan ter beschikking staan of hebben gestaan aan de rechter over te leggen. Tot de op grond van die bepaling over te leggen stukken behoren alle stukken die het bestuursorgaan ter raadpleging ter beschikking staan of hebben gestaan en die van belang kunnen zijn voor de beslechting van de (nog) bestaande geschilpunten. 11.2. Artikel 8:42, eerste lid, van de Awb strekt ertoe dat de gegevens die van belang zijn voor de beoordeling van het bestreden besluit van het bestuursorgaan aan de rechter -en de wederpartij -beschikbaar worden gesteld. De in die bepaling neergelegde verplichting heeft ten doel te waarborgen dat een geschil over een door het bestuursorgaan genomen besluit wordt beslecht op basis van alle relevante feitelijke gegevens die aan het bestuursorgaan ter beschikking staan, zodat de belanghebbende zich daarover kan uitlaten en de rechter daarmee bij zijn beoordeling rekening kan houden (zie de arresten van de HR van 10 april 2015, nr. 14/01189, ECLI:NL:HR:2015:874, 4 mei 2018, nr. 16/04237, ECLI:NL:HR:2018:672 en 23 oktober 2020, nr.19/04499, ECLI:NL:HR:2020:1670). 11.3. Indien een partij verzuimt te voldoen aan de verplichting om stukken over te leggen is het op grond van artikel 8:31 van de Awb aan de rechter om daaruit de gevolgtrekkingen te maken die hem geraden voorkomen. Dit voorschrift staat toe dat de rechter onder omstandigheden de gevolgtrekking maakt dat voorbijgegaan moet worden aan dit verzuim (zie het arrest van de HR van 14 november 2014, nr. 12/05832, ECLI:NL:HR:2014:3041, BNB 2015/46). 11.4. Eiseres heeft verweerder gevraagd om inzage in stukken van de coördinatiegroep. Deze stukken heeft verweerder ter zitting overgelegd, zodat verweerder voor deze stukken heeft voldaan aan zijn verplichting van artikel 8:42 van de Awb. Verder stelt eiseres dat verweerder beschikt over al dan niet nog geldige vergunningen bijzondere bestemmingen van onbenoemde vergunninghouders die wellicht zijn afgegeven voor andere hoeveelheden en over andere tijdvakken dan de vergunning die aan eiseres is verstrekt. Het gaat volgens eiseres dan vooral over vergunningen die niet tot bezwaar- en beroepsprocedures hebben geleid. De rechtbank acht deze beschrijving te algemeen om te kunnen spreken van stukken van het geding in de zin van artikel 8:42 van de Awb. 11.5. De rechtbank stelt vast dat de aanvraag voor de vergunning zich niet in het dossier bevindt. Dit betreft een op de zaak betrekking hebbend stuk in de zin van artikel 8:42 van de Awb en moet door verweerder worden ingediend. Verweerder heeft verzuimd dit stuk te overleggen en heeft desgevraagd verklaard niet meer over dit stuk te beschikken. De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:31 van de Awb voorbijgaan aan dit verzuim omdat de rechtbank zich, gelet op de overige tussen partijen gewisselde stukken en hetgeen ter zitting is besproken, voldoende voorgelicht acht om over het geschil te oordelen. Schending voorwaarden vergunning 12. In de periode van 1 januari 2013 tot en met 31 december 2015 gold op grond van Verordening (EU) nr. 1220/2012 een contingent voor Alaska koolvis van GN-code 0304 7500, bestemd om te worden verwerkt, met een jaarlijks volume van 350.000 ton. Tevens gold een contingent voor kabeljauw van GN-code 0304 7190, bestemd om te worden verwerkt, met een jaarlijks volume van 30.000 ton. De rechten bij invoer voor deze koolvis en kabeljauw werden in deze periode geschorst. In de periode van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2018 gold op grond van Verordening (EU) nr. 2015/2265 een contingent voor Alaska koolvis van GN-code 0304 7500, bestemd om te worden verwerkt, met een jaarlijks volume van 300.000 ton. Tevens gold een contingent voor kabeljauw van GN-code 0304 7190, bestemd om te worden verwerkt, met een jaarlijks volume van 38.000 ton. De rechten bij invoer voor deze koolvis en kabeljauw werden in deze periode geschorst. In voetnoot 2 bij de beschrijvingen van de goederen waarop de contingenten van toepassing zijn, is bepaald dat het contingent afhankelijk is van de in de artikelen 291 tot en met 300 van de UCDW bepaalde voorwaarden. Dit betreft de voorwaarden voor het toepassen van een nulrecht uit hoofde van de bijzondere bestemming van goederen. Dergelijke goederen bevinden zich op grond van artikel 82 van het CDW in het vrije verkeer onder douanetoezicht totdat zij hun bestemming hebben gevolgd. Artikel 292 van de UCDW bepaalt vervolgens, dat de toekenning van het nulrecht afhankelijk is van een schriftelijke vergunning. Deze vergunning wordt afgegeven overeenkomstig het model in bijlage 67 bij de UCDW. Volgens dat model worden van de goederen die onder de douaneregeling in het vrije verkeer brengen met een bijzondere bestemming mogen worden geplaatst, de GN-code, de omschrijving, de hoeveelheid en de waarde in de vergunning opgenomen. 13. Uit bovenstaande bepalingen volgt naar het oordeel van de rechtbank dat slechts voor de hoeveelheden koolvis en kabeljauw waarvoor een vergunning bijzondere bestemmingen is afgegeven de rechten bij invoer kunnen worden geschorst in het kader van eerdergenoemde contingenten. De stelling van eiseres dat de hoeveelheden vis die onder de vergunning kunnen worden verwerkt slechts worden beperkt door de actuele ruimte binnen de tariefcontingenten, kan niet worden aanvaard. Het afhankelijk maken van een contingent zou het wettelijk voorgeschreven vergunningensysteem immers betekenisloos maken en bovendien een nuttige werking ervan te zeer beperken. Uit de toepasselijke wetgeving is niet af te leiden dat een dergelijke beperking, als door eiseres voorgestaan, is beoogd. De rechtbank volgt ook niet de stelling van verweerder dat de overschrijding van de vergunning moet worden vastgesteld aan de hand van de waarde van de vis, aangezien een vergunning noodzakelijk is in het kader van (de beheersing van en het toezicht
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.