Rechtbank noord-holland Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummer: HAA 17/5661 uitspraak van de meervoudige douanekamer van 1 april 2021 in de zaak tussen [X] B.V., gevestigd te [Z] , eiseres (gemachtigde: mr.ing B.J.B. Boersma RB en mr. L. Hoekstra) en de inspecteur van de Belastingdienst/Douane, kantoor Groningen, verweerder. Procesverloop Verweerder heeft met dagtekening 22 juli 2016 aan eiseres een uitnodiging tot betaling (hierna: utb) uitgereikt ten bedrage van € [$] aan douanerechten op industriële producten. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de utb gehandhaafd. Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Eiseres heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan verweerder. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 juli 2020 te Alkmaar. Namens eiseres zijn verschenen gemachtigden voornoemd. Namens verweerders zijn verschenen mr. [A] (Eindhoven), mr. [B] (Arnhem/Nijmegen), mr. [C] (Groningen) en mr. [D] (Groningen). De zaak is ter zitting gelijktijdig behandeld met de zaken HAA 18/4813 en HAA 19/4605 van [E] B.V., HAA 17/5451 van [F] B.V., HAA 17/5662 van [G] B.V. en HAA 19/1092 van [H] B.V. Overwegingen Feiten 1. Eiseres exploiteert een groothandel in vis, schaal- en weekdieren. De activiteiten van eiseres bestaan uit het verwerken van en handel in vis. 2. Op 1 februari 2013 is aan eiseres een vergunning bijzondere bestemming (hierna: vergunning) verleend voor de verwerking van (bepaalde soorten) vis. De vergunning heeft betrekking op de periode 1 februari 2013 tot en met 1 februari 2016. De vergunning heeft betrekking op de onder 7 in de vergunning vermelde goederen, die zijn vermeld in de aan de vergunning aangehechte lijst. Hierin is - voor zover van belang - het volgende vermeld: “(…) Omschrijving (…) Waarde per jaar Hoeveelheid per jaar Alaska koolvis, (Theragra Chalcogramma) € [$] ,-- Ca. [#] kg bevroren filets, in de vorm van industriële blokken of losse filets of IQF bevroren, bestemd om te worden verwerkt. (…)” Op 29 juli 2014 heeft verweerder de aan eiseres verleende vergunning met terugwerkende kracht tot 1 februari 2013 gewijzigd. 3. Op 15 juni 2015 heeft eiseres een verzoek ingediend tot wijziging van de aan haar verleende vergunning. Op 29 juni 2015 heeft verweerder de vergunning gewijzigd. De gewijzigde vergunning heeft betrekking op de periode 1 februari 2013 tot en met 1 februari 2016. In de aan de vergunning aangehechte lijst is - voor zover van belang - het volgende vermeld: “(…) Omschrijving (…) hoeveelheid p.jr. Alaska koolvis filets (Theragra Chalgogramma) 0304 7500 10 [#] kg. (…)” 4. Verweerder heeft een administratieve controle ingesteld naar de naleving van de vergunning voorwaarden en een initieel onderzoek naar de administratieve organisatie en de maatregelen van interne beheersing (AO/IB). De bevindingen zijn opgenomen in het controlerapport van 14 juli 2016. In het controlerapport is - voor zover van belang - het volgende vermeld: “(…) 5.3 Controle regeling bijzondere bestemming (…) Over de periode 1 februari 2015 tot 1 februari 2016 is de hoeveelheid en de douanewaarde Alaska Pollack met GN code 0304750010 overschreden. Op 29 juli 2014 is de vergunning bijzondere bestemming aangepast op verzoek van de heer [I] . In de aanhef van de nieuwe vergunning is de volgende tekst opgenomen: “Uit een recente rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie blijkt dat de voorwaarden, die gelden voor onder douanetoezicht staande goederen, strikt moeten worden nageleefd. Dat betekend bijvoorbeeld dat de omschrijving van de goederen zodanig moet zijn, dat ze kunnen worden ingedeeld in de gecombineerde nomenclatuur (gebruikstarief)” (…) de voorwaarden zijn daarnaast besproken tijden een bedrijfsbezoek op 13 mei 2015 door de heer [J] en mevrouw [K] . In het verslag dat naar aanleiding van dit bedrijfsbezoek is opgemaakt en per mail is opgestuurd naar de heer [I] van [X] is de volgende alinea opgenomen: “Wat verder ter tafel komt: a. De strengere handhaving van de voorwaarden / verplichtingen welke gekoppeld zijn aan douanevergunningen (zowel materieel als ook formeel) en de eventuele fiscale gevolgen hij niet-naleving. Hierbij valt te denken aan b.v. .naleven aanzuiveringstermijnen, gebruikmaking van juiste goederencodes, eventuele overschrijding van hoeveelheden en waarde.” (…) In totaal is in de periode 1 februari 2015 tot 1 februari 2016 [#] kg met een douanewaarde van € [$] onder de regeling bijzondere bestemming verwerkt. In de vergunning is [#] kg met een douanewaarde van € [$] opgenomen. Dit betekent een forse overschrijding van [#] kg en een overschrijding van de douanewaarde van € [$] . (…) Voor de overschrijding van de hoeveelheid en douanewaarde is een berekening gemaakt waarin gestart wordt met de berekening op 1 februari 2015 en van daaraf de overschrijding van de [#] kg respectievelijk € [$] aan douanewaarde wordt berekend.(…) De overschrijding van [#] kg is bij de berekening buiten beschouwing gelaten. (…) Na interne afstemming is gekozen voor een correctie op de waarde-overschrijding. De vergunning is verleend voor een bepaalde hoeveelheid goederen tegen een bepaalde waarde. Het fiscale risico wordt gelopen over het verschil in douanerechten dat wordt berekend als percentage van de waarde. Een sterke waardestijging is een element dat van invloed is op de vergunning en dat gemeld had moeten worden. (…)” 5. Naar aanleiding van de bevindingen van de onder 4 genoemde controle is de onderhavige utb uitgereikt. Geschil 6.In geschil is of de utb terecht en tot het juiste bedrag is uitgereikt. Meer in het bijzonder is in geschil: - of sprake is van een schending van de voorwaarden van de vergunning; - welk criterium bepalend is voor de vaststelling of sprake is van een overschrijding; - of een douaneschuld is ontstaan en zo ja, op welke grondslag; - of artikel 212bis van het CDW van toepassing is; - of de voorwaarden van artikel 220, tweede lid, aanhef en sub b, van het CDW zijn vervuld; - of de douaneschuld tenietgaat op grond van artikel 124 van het DWU respectievelijk niet is ontstaan op grond van artikel 859 van de UCDW; - of de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zijn geschonden; en - of is voldaan aan de voorwaarden van artikel 239 van het CDW. 7. Eiseres stelt primair dat geen sprake is van een schending van de voorwaarden van de vergunning. Eiseres kan de in haar vergunning vermelde hoeveelheden niet overschrijden, omdat de in de vergunning vermelde hoeveelheden niet als maximale hoeveelheden kunnen worden gelezen. Eiseres meent dat de hoeveelheden te verwerken vis slechts worden beperkt door de actuele ruimte binnen de geldende contingenten. Subsidiair stelt zij dat als de hoeveelheden in de vergunning al maximale hoeveelheden zijn, deze hoeveelheden dan per maand, of hooguit per jaar gelden. Een eventuele overschrijding van de vergunning kan voorts alleen plaatsvinden aan de hand van de vergunde hoeveelheid en niet aan de hand van de waarde. Verder stelt eiseres dat als al een overschrijding van de hoeveelheid koolvis uit de vergunning heeft plaatsgevonden, dit niet leidt tot een douaneschuld, omdat een overschrijding van de hoeveelheid geen schending van de vergunningvoorschriften inhoudt. Als de koolvis wegens een hoeveelheidsoverschrijding niet onder de regeling bijzondere bestemmingen gebracht had mogen worden dan is de douaneschuld ontstaan op grond van artikel 201 van het CDW. Nu de utb is opgelegd op grond van artikel 204 van het CDW, kan deze hierdoor niet in stand blijven. Voorts stelt eiseres dat de utb niet in stand kan blijven, omdat op grond van artikel 212bis van het CDW voor de koolvis een gunstige tariefbehandeling krachtens artikel 21 van het CDW gold die ook van toepassing is wanneer een douaneschuld is ontstaan op grond van artikel 204 van het CDW. Eiseres stelt nog meer subsidiair dat de utb niet in stand kan blijven omdat sprake is van een vergissing in de zin van artikel 220, tweede lid, onder b, van het CDW nu verweerder in het verleden geen gevolgen heeft verbonden aan overschrijding van vergunningen. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de douaneschuld teniet is gegaan in de zin van artikel 124 van het DWU, omdat het eventuele verzuim zonder werkelijke gevolgen is gebleven. Voorts stelt eiseres dat de utb niet in stand blijven, omdat deze is uitgereikt in strijd met het gelijkheidsbeginsel en het verbod van willekeur. Onduidelijkheden in vergunningen worden in andere douaneregio’s uitgelegd in het voordeel van de vergunninghouder en dat hoort ook voor eiseres te gelden. Tot slot stelt eiseres dat de douaneschuld moet worden kwijtgescholden in de zin van artikel 239 van het CDW, omdat verweerder geen landelijk uniform beleid hanteerde, onvoldoende vooraf heeft duidelijk gemaakt dat zij vergunningen strenger dan voorheen zou gaan controleren en de financiële belangen van de EU niet zijn geraakt. Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en de utb. Voorts verzoekt eiseres om veroordeling van verweerder tot een integrale proceskostenvergoeding en om toekenning van een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. 8. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de vergunning is overschreden met de hoeveelheden en waardes zoals in het controlerapport vermeld. Er moet immers worden uitgegaan van het financiële risico van het overschrijden van de vergunning. Voor de koolvis is een douaneschuld ontstaan op grond van artikel 204, eerste lid, aanhef en onder b, van het CDW, omdat eiseres voor een hogere waarde aan goederen onder haar vergunning heeft gebracht dan waarvoor deze was verleend. Artikel 212bis van het CDW kan niet worden toegepast, omdat de koolvis met een bijzondere bestemming in het vrije verkeer is gebracht zonder een daartoe vereiste vergunning. Verder stelt verweerder dat de douaneschuld niet teniet is gegaan, omdat niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 124, eerste lid, onder h, van het DWU en, voor zover de douaneschuld is ontstaan onder het CDW, een situatie als de onderhavige niet is opgenomen in de limitatieve opsomming van artikel 859 van de UCDW. Tot slot voert verweerder aan dat de artikelen 119 en 120 van het DWU de mogelijkheid bieden een verzoek om terugbetaling wegens een vergissing van de douaneautoriteiten respectievelijk wegens bijzondere omstandigheden in te dienen maar dit kan enkel door het indienen van een separaat verzoek en kan niet worden beoordeeld in de bezwaarprocedure tegen de utb. Van een actieve gedraging van verweerder jegens eiseres, bijvoorbeeld in de afhandeling van de aangiften, in de vergunning of in de vergunningen van derden, is geen sprake, zodat artikel 220, tweede lid, aanhef en onder b, van het CDW niet van toepassing is. Voorts kunnen nationale algemene beginselen van behoorlijk bestuur niet worden getoetst in een zaak over de navordering van douanerechten. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep. 9. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken. Beoordeling van het geschil Horen van getuigen 10. Het als getuigen horen van medewerkers van verweerder, zoals eiseres de rechtbank heeft voorgesteld, acht de rechtbank, mede gelet op de hierna in overweging 20 aangehaalde arresten van het HvJ, niet van belang voor enig te nemen beslissing, zodat de rechtbank geen gevolg zal geven aan dit voorstel (vgl. HR 15 november 2019, nr. 18/04315, ECLI:NL:HR:2019:1786, r.o. 2.4.3). Stukken van het geding 11.1. Op grond van artikel 8:42, eerste lid, van de Awb dient het bestuursorgaan in beginsel alle op de zaak betrekking hebbende stukken die aan dat orgaan ter beschikking staan of hebben gestaan aan de rechter over te leggen. Tot de op grond van die bepaling over te leggen stukken behoren alle stukken die het bestuursorgaan ter raadpleging ter beschikking staan of hebben gestaan en die van belang kunnen zijn voor de beslechting van de (nog) bestaande geschilpunten. 11.2. Artikel 8:42, eerste lid, van de Awb strekt ertoe dat de gegevens die van belang zijn voor de beoordeling van het bestreden besluit van het bestuursorgaan aan de rechter - en de wederpartij - beschikbaar worden gesteld. De in die bepaling neergelegde verplichting heeft ten doel te waarborgen dat een geschil over een door het bestuursorgaan genomen besluit wordt beslecht op basis van alle relevante feitelijke gegevens die aan het bestuursorgaan ter beschikking staan, zodat de belanghebbende zich daarover kan uitlaten en de rechter daarmee bij zijn beoordeling rekening kan houden (zie de arresten van de HR van 10 april 2015, nr. 14/01189, ECLI:NL:HR:2015:874, 4 mei 2018, nr. 16/04237, ECLI:NL:HR:2018:672 en 23 oktober 2020, nr.19/04499, ECLI:NL:HR:2020:1670). 11.3. Indien een partij verzuimt te voldoen aan de verplichting om stukken over te leggen is het op grond van artikel 8:31 van de Awb aan de rechter om daaruit de gevolgtrekkingen te maken die hem geraden voorkomen. Dit voorschrift staat toe dat de rechter onder omstandigheden de gevolgtrekking maakt dat voorbijgegaan moet worden aan dit verzuim (zie het arrest van de HR van 14 november 2014, nr. 12/05832, ECLI:NL:HR:2014:3041, BNB 2015/46). 11.4. Eiseres heeft verweerder gevraagd om inzage in stukken van de coördinatiegroep. Deze stukken heeft verweerder ter zitting overgelegd, zodat verweerder voor deze stukken heeft voldaan aan zijn verplichting van artikel 8:42 van de Awb. Verder stelt eiseres dat verweerder beschikt over al dan niet nog geldige vergunningen bijzondere bestemmingen van onbenoemde vergunninghouders die wellicht zijn afgegeven voor andere hoeveelheden en over andere tijdvakken dan de vergunning die aan eiseres is verstrekt. Het gaat volgens eiseres dan vooral over vergunningen die niet tot bezwaar- en beroepsprocedures hebben geleid. De rechtbank acht deze beschrijving te algemeen om te kunnen spreken van stukken van het geding in de zin van artikel 8:42 van de Awb. 11.5 De rechtbank stelt vast dat de aanvraag voor de vergunning en de aanvraag voor de wijziging zich niet in het dossier bevinden. Dit zijn op de zaak betrekking hebbende stukken in de zin van artikel 8:42 van de Awb en moeten door verweerder worden ingediend. Verweerder heeft verzuimd deze stuk te overleggen en heeft desgevraagd verklaard niet meer over deze stukken te beschikken. De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:31 van de Awb voorbijgaan aan dit verzuim omdat de rechtbank zich, gelet op de overige tussen partijen gewisselde stukken en hetgeen ter zitting is besproken, voldoende voorgelicht acht om over het geschil te oordelen. Schending voorwaarden vergunning 12. In de periode van 1 januari 2013 tot en met 31 december 2015 gold op grond van Verordening (EU) nr. 1220/2012 een contingent voor Alaska koolvis van GN-code 0304 7500, bestemd om te worden verwerkt, met een jaarlijks volume van 350.000 ton. De rechten bij invoer voor deze koolvis werden in deze periode geschorst. In de periode van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2018 gold op grond van Verordening (EU) nr. 2015/2265 een contingent voor Alaska koolvis van GN-code 0304 7500, bestemd om te worden verwerkt, met een jaarlijks volume van 300.000 ton. De rechten bij invoer voor deze koolvis werden in deze periode geschorst. In voetnoot 2 bij de beschrijvingen van de goederen waarop de contingenten van toepassing zijn, is bepaald dat het contingent afhankelijk is van de in de artikelen 291 tot en met 300 van de UCDW bepaalde voorwaarden. Dit betreft de voorwaarden voor het toepassen van een nulrecht uit hoofde van de bijzondere bestemming van goederen. Dergelijke goederen bevinden zich op grond van artikel 82 van het CDW in het vrije verkeer onder douanetoezicht totdat zij hun bestemming hebben gevolgd. Artikel 292 van de UCDW bepaalt vervolgens, dat de toekenning van het nulrecht afhankelijk is van een schriftelijke vergunning. Deze vergunning wordt afgegeven overeenkomstig het model in bijlage 67 bij de UCDW. Volgens dat model worden van de goederen die onder de douaneregeling in het vrije verkeer brengen met een bijzondere bestemming mogen worden geplaatst, de GN-code, de omschrijving, de hoeveelheid en de waarde in de vergunning opgenomen. 13. Uit bovenstaande bepalingen volgt naar het oordeel van de rechtbank dat slechts voor de hoeveelheden koolvis waarvoor een vergunning bijzondere bestemmingen is afgegeven de rechten bij invoer kunnen worden geschorst in het kader van eerdergenoemde contingenten. De stelling van eiseres dat de hoeveelheden vis die onder de vergunning kunnen worden verwerkt slechts worden beperkt door de actuele ruimte binnen de tariefcontingenten, kan niet worden aanvaard. Het afhankelijk maken van een contingent zou het wettelijk voorgeschreven vergunningensysteem immers betekenisloos maken en bovendien een nuttige werking ervan te zeer beperken. Uit de toepasselijke wetgeving is niet af te leiden dat een dergelijke beperking is beoogd. De rechtbank volgt ook niet de stelling van verweerder dat de overschrijding van de vergunning moet worden vastgesteld aan de hand van de waarde van de vis, aangezien een vergunning noodzakelijk is in het kader van (de beheersing van en het toezicht
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.