Rechtbank noord-holland Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummer: HAA 19 / 4072 uitspraak van de meervoudige douanekamer van 12 januari 2021 in de zaak tussen [X] B.V., te [Z] , eiseres (gemachtigde: E. Stoker), en de inspecteur van de Belastingdienst / Douane Amsterdam, verweerder Procesverloop Op 3 juni 2018 heeft eiseres een verzoek tot terugbetaling van een bedrag van € 2.251,47 ingediend, welk verzoek bij beslissing van 17 januari 2019 door verweerder is afgewezen. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 5 juli 2019 het door eiseres tegen deze beslissing gemaakte bezwaar afgewezen. Eiseres heeft daartegen op 14 augustus 2019, ontvangen 16 augustus 2019, beroep ingesteld bij de rechtbank. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 december 2020 te Haarlem.Eiseres is vertegenwoordigd door haar gemachtigde verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [A] en [B] . Overwegingen Feiten 1. [C] V.O.F heeft op 6 juni 2015 als direct vertegenwoordiger van eiseres aangifte gedaan tot plaatsing onder de regeling ‘in het vrije verkeer brengen’ van goederen, onder meer voor drie verschillende soorten stickers, die blijkens de onderliggende stukken kunnen worden omschreven als “abc jewelry stickers”, “puffy stickers” en “letter stickers”. Eiseres heeft de stickers daarbij ingedeeld in de Gecombineerde Nomenclatuur (GN) onder Taric-code 3919 90 00 99, zelfklevende platte producten van kunststof. 2. Op 6 juni 2015 heeft verweerder ter zake van onder meer de stickers een verzameluitnodiging tot betaling uitgereikt. Hierin is voor de stickers een verschuldigd bedrag van € 2.251,47 douanerecht (6,5% van de douanewaarde) vermeld. 3. Op 3 juni 2018 heeft eiseres ter zake van de stickers een verzoek tot terugbetaling ingediend voor een bedrag van € 2.251,47, waarbij zij heeft verzocht om indeling van de stickers onder GS-post 4911, omdat het geen platte stickers betreft. 4. Verweerder heeft het verzoek om terugbetaling afgewezen omdat hij op basis van de overgelegde foto’s de aard en de samenstelling van de goederen niet kon vaststellen, zodat de goederen niet konden worden ingedeeld. 5. In de uitspraak op bezwaar van 5 juli 2019 heeft verweerder het standpunt ingenomen dat de abc jewelry stickers weliswaar niet plat zijn, maar dat daarop geen gedrukte tekst of illustratie is aangebracht, waardoor ze niet voor indeling in hoofdstuk 49 in aanmerking komen. Verweerder stelt dat deze stickers hadden moeten worden ingedeeld onder Taric-code 3926 90 97 90. Omdat het daarbij behorende tarief van het invoerrecht gelijk is aan het geheven tarief, is die indeling zonder gevolg gebleven. Ten aanzien van de letter stickers heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat deze plat zijn en niet voldoen aan Aantekening 2 op afdeling VII van de GN, waardoor zij niet kunnen worden ingedeeld onder hoofdstuk 49. Voor deze stickers is de juist goederencode aangegeven, aldus verweerder. Ten aanzien van de puffy stickers heeft verweerder gesteld dat daaraan geen enkel dikte- of hoogteverschil is te zien of te voelen, zodat deze plat zijn. Ook deze stickers zijn derhalve correct aangegeven, aldus verweerder. 6. Op de zitting heeft eiseres twee vellen met stickers overhandigd aan de rechtbank. Beide partijen hebben desgevraagd verklaard dat het één vel betreft, dat als voorbeeld kan dienen van de in de aangifte begrepen puffy stickers. Ten aanzien van het andere vel heeft verweerder gesteld dat, anders dan eiseres stelt, dit niet als voorbeeld kan dienen van de vellen letter stickers waarop de aangifte betrekking had. Geschil 7. In geschil is de indeling in de GN van de door eiseres als puffy stickers en puffy woordstickers aangeduide goederen, welke stickers door verweerder worden aangeduid als puffy stickers, respectievelijk letter stickers. De rechtbank zal in hetgeen hierna wordt overwogen de door verweerder gehanteerde begrippen volgen. Eiseres heeft het beroep nadrukkelijk niet gericht op de indeling van de abc jewelry stickers. 8. Eiseres stelt zich op het standpunt dat onder GN-post 3919 alleen platte producten kunnen worden ingedeeld, in welke visie het woord ‘plat’, onder verwijzing naar de Van Dale, moet worden opgevat als geen, althans geen noemenswaardige dikte hebbend. Omdat de stickers niet plat zijn, een zekere dikte hebben, moeten ze conform aantekening 2 op Afdeling VII worden ingedeeld onder hoofdstuk 49, aldus eiseres. Uit de toelichting op post 4911 onder 10 blijkt voorts dat de onderhavige stickers moeten worden ingedeeld in post 4911. Hoewel de toelichting niet wettelijk bepalend is, bevat die wel een belangrijke aanwijzing voor de indeling van de goederen. De stickers zijn reliëfstickers. Eiseres verwijst tot slot naar Verordening 2016/934, waarin de Europese Commissie haar beslissing over de indeling van reliëfstickers onder GN code 4911 49 00 als volgt motiveert: “Indeling onder post 3919 is uitgesloten omdat de voorgesneden reliëfstickers niet plat zijn”.Eiseres verzoekt de rechtbank het beroep gegrond te verklaren, de beslissing van 17 januari 2019 op het verzoek tot terugbetaling te vernietigen, te bepalen dat de aangegeven producten moeten worden ingedeeld onder postonderverdeling 4911 91 00 90 en te bepalen dat de inspecteur alsnog positief moet beslissen op het verzoek tot terugbetaling, met veroordeling van de inspecteur in de kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand en veroordeling van de inspecteur tot vergoeding van het griffierecht. 9. Ten aanzien van de puffy stickers stelt verweerder zich op het standpunt dat deze zich zouden kunnen lenen voor reliëf, maar dat daarin geen enkel dikte- of hoogteverschil te zien of te voelen is. De stickers zijn wel voorzien van gedrukte teksten of illustraties. Omdat ze echter plat zijn en dergelijke platte producten worden ingedeeld in GS-post 3919, zijn ook deze stickers niet op grond van Aantekening 2 op afdeling VII uitgezonderd van indeling onder Hoofdstuk 39. Van de toepassing van deze aantekening zijn immers de posten 3918 en 3919 uitgezonderd. Eiseres heeft deze stickers in de aangifte daarom correct aangegeven.Ten aanzien van de letter stickers stelt verweerder dat deze van kunststof zijn en zelfklevend, dat daarop geen gedrukte teksten of illustraties voorkomen, zodat ook deze stickers geen drukwerk zijn als bedoeld bij hoofdstuk 49. Ze zijn daarom niet, zoals eiseres meent, op grond van aantekening 2 op afdeling VII uitgezonderd van indeling onder hoofdstuk 39. Omdat de stickers plat zijn, moeten ze worden ingedeeld onder goederencode 3919 90 00 99. Eiseres heeft deze stickers in de aangifte daarom terecht onder deze goederencode aangegeven.Het product uit de indelingsverordening (EU) 2016/934 is niet vergelijkbaar met de onderhavige producten, omdat deze stickers geen deel uitmaken van een assortiment. Bovendien zijn de onderhavige stickers plat, zodat ze als ‘plat’ in de zin van GS-post 3919 moeten worden aangemerkt en indeling onder GS-post 4911 daardoor niet mogelijk is. 10. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken. Relevante regelgeving 11. De onderverdeling van post 3919 van de GN luidt op 6 juni 2015 voor zover van belang als volgt: 3919 Platen, vellen, foliën, stroken, strippen en andere platte producten, van kunststof, zelfklevend, ook indien op rollen 3919 10 - op rollen met een breedte van niet meer dan 20 cm (…) 3919 90 - andere: --- (…) 3919 90 00 10 -- bestemd voor bepaalde typen van luchtvaartvoertuigen -- andere --- (…) 3919 90 00 99 --- andere 12. Aantekening 2 bij afdeling VII van de GN, dat de hoofdstukken 39 en 40 bevat, luidt: “Met uitzondering van de bij de posten 39.18 en 39.19 bedoelde artikelen worden onder hoofdstuk 49 ingedeeld kunststof en rubber, alsmede werken daarvan, waarop gedrukte teksten of illustraties voorkomen, die een meer dan bijkomstig karakter hebben bij het primaire gebruik van de goederen.” 13. De Toelichting IDR op GS-post 3919 luidt als volgt: “Deze post omvat alle platte zelfklevende producten van kunststof, ook indien op rollen, andere dan vloer-, wand- en plafondbekleding van post 39.18. De draagwijdte van deze post beperkt zich tot de platte zelfklevende producten die door druk kunnen worden aangebracht. Dit wil zeggen dat zij bij kamertemperatuur zonder bevochtiging of enig andere toevoeging permanent aan een of beide zijden kleverig blijven en zich stevig vasthechten op een groot aantal sterk verschillende oppervlakken, door eenvoudig aanraken of drukken met de vinger of de hand. Opgemerkt wordt dat deze post eveneens artikelen omvat waarop gedrukte teksten of illustraties voorkomen, die een meer dan bijkomstig karakter hebben gelet op het primaire gebruik van de goederen (zie Aantekening 2 IDR op afdeling VII).” 14. De onderverdeling van post 4911 van de GN luidde op 6 juni 2015 voor zover van belang als volgt:4911 Ander drukwerk, prenten, gravures en foto's daaronder begrepen 4911 10 - reclamedrukwerk, handelscatalogi en dergelijke 4911 10 10 -- handelscatalogi4911 10 90 -- ander - ander 4911 91 00 -- prenten, gravures, foto's en andere afbeeldingen(…) 4911 99 00 -- andere 15. In de toelichting IDR op GS-post 4911 is onder meer opgenomen:“(…) Naast de artikelen waarvan de indeling onder deze post voor de hand ligt, omvat deze post onder meer: 1. reclamedrukwerk (…) 10. zelfklevende bedrukte stickers ontworpen om te worden gebruikt voor bijvoorbeeld publiciteits- of adverteerdoeleinden of slechts als decoratie, bijvoorbeeld ‘komische stickers’ en ‘raamstickers’ (…)” 16. Volgens Uitvoeringsverordening (EU) 2016/934 van 8 juni 2016 wordt het volgende product onder GN-code 4911 91 00 ingedeeld: “Omschrijving: Een product bestaande uit de volgende onderdelen, verpakt als een assortiment: — Een rechthoekige plaat (ongeveer 14 bij 21
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.