vonnis RECHTBANK NOORD-HOLLAND Handel, Kanton en Insolventie Zittingsplaats Haarlem zaaknummer / rolnummer: C/15/301648 / HA ZA 20-225 Vonnis van 14 april 2021 in de zaak van [eiser] , wonende te [woonplaats], eiser, advocaat mr. H. Oomen te Haarlem, tegen 1. de maatschap naar burgerlijk recht VELTHUIZEN ADVOCATUUR, gevestigd te Zaandam, 2. [gedaagde2], wonende te [woonplaats], gedaagden, advocaat mr. J.D. Kraaikamp te Amsterdam. Eiser zal hierna [eiser] genoemd worden. Gedaagden zullen hierna gezamenlijk Velthuizen Advocatuur c.s. en ieder afzonderlijk Velthuizen Advocatuur en mr. [gedaagde2] genoemd worden. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het tussenvonnis van 21 oktober 2020 de mondelinge behandeling van 15 februari 2021, waarvan de griffier aantekeningen heeft bijgehouden. Partijen hebben gebruik gemaakt van pleitaantekeningen, die zijn overgelegd. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. Velthuizen Advocatuur is de handelsnaam van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Brefcôch B.V. Brefcôch B.V. is op 1 januari 2014 een maatschap aangegaan met de praktijkvennootschappen van mr. [gedaagde2], [gedaagde2] Advocatuur B.V., en mr. S.S.H. Orsel, Orsel Advocatuur B.V., welke maatschap (gedaagde sub 1) – eveneens – opereerde onder de naam Velthuizen Advocatuur. 2.2. Mr. H.R. Kant heeft [eiser] in het verleden bijgestaan in het kader van de echtscheidingsprocedure van [eiser] en diens ex-vrouw bij deze rechtbank (hierna ook: de rechtbank). Omdat [eiser] niet tevreden was met het verloop van de procedure heeft hij de opdracht van dienstverlening met mr. Kant beëindigd. Mr. Kant heeft vervolgens nagelaten zich te onttrekken als advocaat, waardoor de rechtbank op 24 juni 2015 een beschikking op tegenspraak heeft gegeven in de echtscheidingsprocedure (hierna: de echtscheidingsbeschikking) met als uitgangspunt dat [eiser] was verschenen in de procedure zonder dat hij verweer had gevoerd. 2.3. In de echtscheidingsbeschikking heeft de rechtbank de echtscheiding tussen [eiser] en zijn ex-vrouw uitgesproken. Daarnaast heeft de rechtbank - bij gebreke van verweer – in de echtscheidingsbeschikking onder meer bepaald dat [eiser] voor zijn kinderen [A.] en [B.] een bedrag van € 250,000 per kind per maand dient te voldoen en aan partneralimentatie een bedrag van € 400,00 bruto per maand. Verder heeft de rechtbank in de echtscheidingsbeschikking partijen bevolen over te gaan tot verdeling van hun ontbonden huwelijksgemeenschap ten overstaan van een notaris. 2.4. De echtscheidingsbeschikking van de rechtbank is op 6 oktober 2015 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Daarmee is het huwelijk per die datum ontbonden. 2.5. Nadat [eiser] bekend was geworden met de echtscheidingsbeschikking door betekening aan hem daarvan op 17 november 2015, heeft hij zich op 18 november 2015 gewend tot Velthuizen Advocatuur voor juridische bijstand. Op 20 november 2015 heeft hij vervolgens een gesprek gehad met mr. [gedaagde2]. 2.6. Bij e-mail van 23 november 2015 heeft mr. [gedaagde2], voor zover hier van belang, het volgende aan [eiser] meegedeeld: “Naar aanleiding van ons gesprek op 20 november jl. bevestig ik door middel van deze brief uw opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand terzake hoger beroep echtscheidingsbeschikking. Wij hebben besproken dat ik voor mijn werkzaamheden een uurtarief hanteer van € 185,-- exclusief BTW. Voorts heb ik tijdens het onderhoud meegedeeld dat de door mij te maken kosten eveneens aan u zullen worden doorberekend, zoals deurwaarder, griffierecht e.d. Tevens spraken wij af dat ik u een voorschotnota zal toezenden van € 2.000,- eveneens is dit bedrag exclusief BTW. Verder heb ik in mijn bijgevoegde nota rekening gehouden met de griffiekosten van € 285,--. U dient totaal een bedrag van € 2.705,-- te betalen inclusief BTW en griffiekosten. Mijn nota heb ik bijgesloten: waarin de betalingsgegevens zijn aangegeven. Ik zal pas met mijn werkzaamheden aanvangen (o.a. een brief schrijven aan de deurwaarder etc. ) als u mijn nota heeft betaald. Verder wil ik u wijzen op de algemene voorwaarden die op ons kantoor van toepassing zijn. (…) Met vriendelijke groet, [gedaagde2]” 2.7. Door Velthuizen Advocatuur c.s. is bij conclusie van antwoord een brief overgelegd die volgens Mr. [gedaagde2] door haar eveneens op 23 november 2015 aan [eiser] is verstuurd. Deze opdrachtbevestiging luidt, voor zover hier van belang, als volgt: “Naar aanleiding van ons gesprek op 20 november jl. bevestig ik door middel van deze brief uw opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand. U wenst in hoger beroep te gaan tegen de echtscheidingsbeschikking. De heer Kant heeft u bijgestaan in de eerste aanleg procedure. Wij spraken af dat u bij hem het dossier zal opvragen waarna ik mijn werkzaamheden kan starten. Wij hebben besproken dat ik voor mijn werkzaamheden een uurtarief hanteer van € 185,-, te vermeerderen met een eenmalig bedrag aan kantoorkosten (bestaande uit 4% van mijn honorarium met een minimum van € 40,= en een maximum van € 750,=), beide tarieven exclusief BTW. Tevens spraken wij af dat ik u een voorschotnota zal toezenden ad. € 2000,- eveneens is dit bedrag exclusief BTW. Voorts heb ik tijdens het onderhoud meegedeeld dat de door mij te maken kosten eveneens aan u zullen worden doorberekend, zoals griffierechtkosten. Verder wil ik u wijzen op de algemene voorwaarden die op ons kantoor van toepassing zijn. (…) Met vriendelijke groet, Mw. mr. [gedaagde2]” Onderaan de brief staat de volgende tekst: "Velthuizen Advocatuur is een kostenmaatschap waarbij ieder afzonderlijk voor eigen rekening en risico werkzaam is. De algemene voorwaarden van de advocaat zijn van toepassing op alle door deze advocaat aangegane werkzaamheden en worden op eerste verzoek verstrekt. Uitsluitend de advocaat waarmee een overeenkomst tot dienstverlening is aangegaan, kan aansprakelijk zijn. Iedere aansprakelijkheid is beperkt tot het bedrag waarop de beroepsaansprakelijkheidsverzekering aanspraak geeft, vermeerderd met het eigen risico onder de verzekering." 2.8. Bij e-mail van 24 november 2015 heeft mr. [gedaagde2] het volgende geschreven aan de advocaat van de ex-vrouw van [eiser], mr. C.A.F. Visser: “In bovengenoemde zaak heeft de heer [eiser] zich tot mij gewend met het verzoek om zijn belangen te behartigen terzake hoger beroep echtscheiding. De hoger beroepstermijn is nog niet begonnen met lopen, daar aan de betekeningseisen niet is voldaan. In dit verband verwijs ik u kortheidshalve naar mijn schrijven aan uw deurwaarder, Schoonebeek en Partners (bijlage). Verder kunnen de alimentatiebedragen zoals is bepaald in de echtscheidingsbeschikking op dit moment niet afgedwongen worden, daar de echtscheidingsbeschikking niet is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Pas dan dient cliënt zich te houden aan de vastgestelde bijdragen van de echtscheidingsbeschikking en niet eerder. Ik verwijs u gemakshalve naar de echtscheidingsbeschikking. De deurwaarderskosten kunnen derhalve niet verhaald worden op cliënt. Client is pas op het moment van het exploot van 17 november jl. op de hoogte dat er een echtscheidingsbeschikking is afgegeven. Hij heeft ook geen betekeningsexploot van het verzoekschrift echtscheiding ontvangen. Graag ontvang ik van u een kopie van het betekeningsexploot en de onderliggende stukken in eerste aanleg.” 2.9. Bij e-mail van diezelfde dag heeft mr. Visser als volgt gereageerd: “Hierbij zend ik u het echtscheidingsvonnis alsmede de inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand. Zoals ook uit het vonnis blijkt, heeft mr. Kant zich in de echtscheidingsprocedure voor uw cliënt gesteld. Hierdoor is de procedure op tegenspraak gevoerd. Betekening van het vonnis hoeft in dat geval niet plaats te vinden. De termijn voor hoger beroep begint meteen te lopen. Op dit moment is de termijn van hoger beroep verlopen. Nu uw client in de procedure is verschenen, is het ongeloofwaardig dat hij geen verzoekschrift heeft ontvangen. Uw cliënt kan zich wenden tot mr. Kant voor nadere stukken uit zijn procedure. Daarnaast is de echtscheiding ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Een afschrift hiervan is aan mr. Kant toegezonden: Uw cliënt is derhalve verplicht vanaf datum inschrijving de alimentatie aan cliënte te voldoen. Ik ga ervan uit dat uw cliënt aan zijn betalingsverplichting zal voldoen, bij gebreke er invorderingsmaatregelen zullen worden getroffen.” 2.10. Waarna mr. [gedaagde2] op haar beurt bij e-mail van diezelfde dag als volgt heeft gereageerd: “Ook ingeval mr. Kant zich heeft gesteld als de advocaat van cliënt, dan nog geldt artikel 820 Rv. Cliënt betoogt dat de beschikking van de rechtbank niet aan hem is betekend overeenkomstig het bepaalde in artikel 820 leden 1 en 2 Rv, zodat de appèltermijn nog niet is verstreken/ingegaan en hij mitsdien in zijn hoger beroep kennelijk ontvankelijk zal zijn. Gelet op het feit dat cliënt in eerste aanleg geen verweerschrift heeft ingediend en hij - nu geen mondelinge behandeling bij de rechtbank heeft plaatsgevonden - evenmin ter zitting is verschenen, moet worden aangenomen dat de man "niet is verschenen" als bedoeld in vermeld artikellid (vgl. Gerechtshof Arnhem 3 februari 2009, ECLl:NL:GHARN:2009:BH5748). Op grond van het vorenstaande is het dan volstrekt onbegrijpelijk dat uw cliënte de echtscheidingsbeschikking heeft kunnen laten inschrijven in de registers van de burgerlijke stand. Graag ontvang ik van u de griffiersverklaring van non-appel, die nodig is voor inschrijving daarvan. Indien uw cliënte overgaat tot inning van de vastgestelde alimentatie bij echtscheidingsbeschikking, dan loopt zij de risico dat in hoger beroep vernietigd wordt. Dan heeft cliënt recht op terugvordering. Mocht uw cliënte overgaan tot inning, dan zal ik cliënt adviseren om een kortgedingprocedure aan te spannen. Nogmaals, ik adviseer uw cliënte om niet tot inning van de alimentatiebedragen over te gaan. Simpelweg om de eenvoudige reden: cliënt heeft de draagkracht daartoe niet en de kans is zeer groot dat het Gerechtshof de beslissing van de Rechtbank zal vernietigen.” 2.11. Bij e-mail van 4 februari 2016 heeft mr. [gedaagde2], voor zover hier van belang, het volgende aan [eiser] meegedeeld: “Hierbij als bijlage een concept appelschrift, waarnaar ik u kortheidshalve verwijs. (…) Graag verneem ik van u of de feitelijkheden, zoals vermeld in het appelschrift, kloppen: inkomsten van mevrouw en die van u. De schulden en de hoogte daarvan. Om het appelschrift compleet te maken benodig ik van u de volgende stukken: uw jaarcijfers van 2014 en 2015. Verder ontvang ik van u uw de salarisstroken vanaf 1 januari 2015 tot en met nu. Aan de hand van deze stukken kan ik namelijk aan het Hof laten zien, dan u niet in staat bent om alimentatie te betalen maar dat u juist alimentatie nodig heeft.(…)” 2.12. Mr. [gedaagde2] heeft op 12 februari 2016 namens [eiser] beroep ingesteld tegen de echtscheidingsbeschikking bij het gerechtshof Amsterdam, onder meer met een beroep op artikel 820 Rv. 2.13. Bij uitspraak van 13 september 2016 heeft het hof Amsterdam vastgesteld dat gesteld noch gebleken was van een verschoonbare overschrijding van de appeltermijn, zodat [eiser] niet-ontvankelijk is verklaard, omdat hij niet binnen de wettelijke termijn van drie maanden hoger beroep heeft ingesteld. 2.14. Mr. [gedaagde2] heeft vervolgens op 7 december 2016 bij de rechtbank een verzoekschrift ingediend tot wijziging van de in de echtscheidingsbeschikking vastgestelde alimentatie met een beroep op wijziging van omstandigheden als bedoeld in artikel 1:401 lid 1 BW. 2.15. Mr. [gedaagde2] heeft daarnaast, naar de rechtbank begrijpt eveneens op 7 december 2016, bij de rechtbank een procedure aanhangig gemaakt met betrekking tot de boedelverdeling. 2.16. Bij e-mail van 5 april 2017 heeft mr. [gedaagde2], voor zover hier van belang, het volgende aan [eiser] meegedeeld: “Hierbij zend ik u ter kennisname nogmaals het tussenvonnis van de Rechtbank, waarnaar ik u kortheidshalve verwijs. (…) Namens u moet ik uiterlijk 2 weken voor de mondelinge behandeling een conclusie van antwoord in reconventie nemen. Graag ontvang ik van u een schriftelijke reactie op de door mij aan u verzonden conclusie van antwoord in conventie van de wederpartij. Indien u uw standpunt kunt aantonen met schriftelijke stukken, dan zie ik deze stukken ook tegemoet.(…)” 2.17. Bij e-mail van diezelfde dag heeft [eiser] als volgt gereageerd. “Ik heb het nogal druk, Maar ga er mee aan de gang Verhinder datums zijn er wat mij betreft niet” 2.18. Bij e-mail van 17 mei 2017 heeft mr. [gedaagde2], voor zover hier van belang, het volgende aan [eiser] meegedeeld: “De mondelinge behandeling voor de bodemzaak boedelverdeling inclusief schulden en de woning is door de rechtbank bepaald: (…) Voor de zitting heb ik van de rechtbank de gelegenheid gekregen om te reageren op de Conclusie van Antwoord (CvA) van de wederpartij.(…) Als bijlage 2 heb ik mijn concept Conclusie van Antwoord in reconventie bijgevoegd. Ik verzoek u dit document goed door te nemen. Graag verneem ik van u wat voor aanpassingen/veranderingen/stukken ik nog moet bijvoegen. Kunt u mij aangeven wat u met het geld van de Volvo heeft gedaan? Kunt u aan het saldo van de Creditcard komen op 11 februari 2015? Wat is er gebeurd met het bedrag wat u heeft gekregen van de belastingdienst? Heeft u dat bedrag al terugbetaald, zo ja graag bewijsstuk toevoegen. Wat heeft u gedaan met het bedrag van de levensverzekering bij Aegon ad. € 8.472,--? Schulden daarmee betaald? Zo ja, graag bewijsstukken van betalingen.(…)” 2.19. In de procedure met betrekking tot de boedelscheiding heeft de rechtbank bij tussenvonnis van 21 juni 2017 bepaald dat partijen zich gelet op de echtscheidingsbeschikking, waarin de rechtbank partijen heeft bevolen over te gaan tot verdeling van de gemeenschap ten overstaan van een notaris, pas tot de rechtbank konden wenden na het volgen van de procedure van artikel 677 e.v. Rv en na overlegging van een zogeheten proces-verbaal van non-vereniging. De procedure is vervolgens aangehouden. 2.20. Bij e-mail van 29 augustus 2017 heeft mr. [gedaagde2], voor zover hier van belang, het volgende aan [eiser] meegedeeld: “Hierbij zend ik u de alhier ontvangen e-mail van de advocaat van de wederpartij. Heeft u nog opmerkingen in verband met de brief van de advocaat? Bijvoorbeeld nog andere bewijsstukken dan u heeft geleverd? Na uw reactie zal ik ook een reactie geven aan de notaris. Uiteraard zult eerst in concept ontvangen.” 2.21. Bij e-mail van diezelfde dag heeft [eiser] als volgt gereageerd: “Ik ben het met de benoemde punten van de tegen partij niet eens. Het is zoals het er voor staat, graag dan terug naar de rechtbank.” 2.22. Bij e-mail van 11 oktober 2017 heeft mr. [gedaagde2] het volgende aan [eiser] meegedeeld: “Op 24 oktober a.s. zal de mondelinge behandeling plaatsvinden van de alimentatie. Wellicht zal de rechter uw recente salarisstroken willen inzien. Kunt u mij uiterlijk aanstaande vrijdag de laatste 3 salarisstroken mailen?” 2.23. Bij e-mail van 13 oktober 2017 heeft [eiser] als volgt gereageerd: “Hierbij de 3 salarisstroken, inclusief oktober.” 2.24. In de procedure met betrekking tot de wijziging van de alimentatie heeft de rechtbank bij beschikking van 22 november 2017 (in r.o. 5.3) onder meer als volgt geoordeeld: "Naar het oordeel van de rechtbank heeft de man thans onvoldoende financiële gegevens over de huwelijksperiode overgelegd om aan de hand daarvan te beoordelen of de rechter, achteraf bezien, in de beschikking van 24 juni 2015 is uitgegaan van onjuiste of onvolledige gegevens. Het had op de weg van de man gelegen om jaarstukken over te leggen van zijn ondernemingen en belastingaanslagen. Dat de man in 2015 slechts een inkomen heeft genoten van € 3.800,- bruto over het gehele jaar acht de rechtbank niet aannemelijk." 2.25. Vervolgens heeft de rechtbank bij diezelfde beschikking de draagkracht van [eiser] op grond van de draagkrachtformule uit het Tremarapport bepaald op € 360,- per maand en op basis daarvan de kinderalimentatie voor [A.] en [B.] gewijzigd. Voor de periode 7 december 2016 tot 28 oktober 2017 diende [eiser] respectievelijk te voldoen een bedrag van € 157,- en € 203,- per maand. Per 28 oktober 2017 heeft de rechtbank het voor [A.] te betalen bedrag bepaald op € 259,- per maand en voor [B.] op nihil. De partneralimentatie is met ingang van 7 december 2016 door de rechtbank op nihil gesteld. 2.26. Bij e-mail van 27 november 2017 heeft mr. [gedaagde2] de beschikking van de rechtbank van 22 november 2017 aan [eiser] toegestuurd. In deze e-mail schrijft mr. [gedaagde2] onder meer: “(…) In mijn optiek is de beschikking vatbaar voor hoger beroep, gezien (…) Daarnaast heeft u genoeg inkomensgegevens verstrekt waaruit blijkt dat u niet in staat bent enige bijdrage in kinderalimentatie te betalen. (…)” 2.27. Bij vonnis van 24 januari 2018 heeft de rechtbank in de procedure over de boedelscheiding onder meer overwogen dat [eiser] een aantal stellingen niet (althans onvoldoende) heeft onderbouwd. 2.28. Bij e-mail van 8 februari 2018 heeft mr. [gedaagde2], voor zover hier van belang, het volgende aan [eiser] meegedeeld: “Hierbij zend ik u in concept een appelrekest terzake kinder- en partneralimentatie, waarnaar ik u kortheidshalve verwijs. Graag verneem ik zo spoedig mogelijk van u of u akkoord bent met de inhoud ervan. Wilt u de gevraagde stukken aan mij doen toekomen, zodat alles compleet is? Wat betreft hoger beroep inzake de boedelverdeling: ik kan u weer een voorschotnota sturen van € 2.000,- exclusief BTW en daarnaast moet u nog het griffiegeld voor hoger beroep betalen. Mijn uurtarief blijft uiteraard hetzelfde. Gaat u ermee akkoord?” 2.29. Mr. [gedaagde2] heeft namens [eiser] op 19 februari 2018 hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank van 22 november 2017. 2.30. Mr. [gedaagde2] heeft op 16 april 2018 tegen het vonnis van de rechtbank van 24 januari 2018 beroep aangetekend. Bij arrest van 23 april 2019 heeft ook het hof onder meer overwogen dat [eiser] een aantal stellingen niet heeft onderbouwd. 2.31. Bij e-mail van 21 juni 2018 heeft mr. [gedaagde2], voor zover hier van belang, het volgende aan [eiser] meegedeeld: “(…)Verder zie ik de omzetgegevens, aangifte omzetbelasting, aangifte BTW en winst- en verliesbalans van uw eenmanszaak tegemoet.(…)” 2.32. Met betrekking tot het hoger beroep tegen de beschikking van 22 november 2017 heeft het hof bij beschikking van 9 juli 2019 onder meer als volgt overwogen: “(…) 5.1 De man stelt dat de beschikking van 24 juni 2015, voor zover deze betrekking heeft op de onderhoudsbijdrage voor de vrouw en de kinderen, van aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft voldaan; artikel 1:401, vierde lid Burgerlijk Wetboek (BW) . Voor een geslaagd beroep hierop dient vast te staan dat in de beschikking waarvan wijziging wordt verzocht van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan, waardoor de rechterlijke uitspraak van het begin af aan niet aan de wettelijke maatstaven heeft voldaan. Ook als de beschikking waarvan wijziging wordt verzocht niet berust op een grondig onderzoek naar de draagkracht ligt het op de weg van degene die wijziging verzoekt om aannemelijk te maken dat de uitspraak van de aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft voldaan. Dit uitgangspunt brengt in dit geval met zich dat de man gemotiveerd en gespecificeerd dient aan te geven met welk gegeven niet of onjuist rekening is gehouden en dat een juiste toepassing van dit gegeven zou hebben geleid tot andere onderhoudsbijdragen dan die welke de rechtbank in haar beschikking van 24 juni 2015 heeft vastgesteld. Het hof is van oordeel dat de man hierin niet is geslaagd. De man heeft, voor het eerst in hoger beroep, summiere financiële gegevens uit de huwelijkse periode overgelegd maar heeft niet aannemelijk gemaakt dat juiste toepassing van deze gegevens tot een ander resultaat zou hebben geleid dan de bijdragen die in de beschikking waarvan wijziging wordt verzocht zijn vermeld. Het beroep van de man op artikel 1:401, vierde lid (BW) wordt verworpen. Vervolgens komt de vraag aan de orde of sprake is van een wijziging van omstandigheden in de zin van artikel 1:401, lid 1 BW na de datum van de bestreden beschikking. Het hof beantwoordt deze vraag bevestigend nu de vrouw thans aanzienlijk meer verdient dan ten tijde van de beschikking waarvan wijziging wordt verzocht. De man is dan ook ontvankelijk in zijn wijzigingsverzoek van zowel de partnerbijdrage als de kinderbijdrage. (…) 6 De beslissing Het hof: vernietigt de beschikking van de rechtbank Noord-Holland (locatie Haarlem) van 22 november 2017 voor wat betreft de door de man te betalen onderhoudsbijdrage voor [A.] en [B.] en opnieuw rechtdoende; bepaalt, met wijziging van de beschikking van de rechtbank Noord-Holland (locatie Haarlem) van 24 juni 2015, de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [B.] op nihil met ingang van 7 december 2016; bepaalt met wijziging van de beschikking van de rechtbank Noord-Holland (locatie Haarlem) van 24 juni 2015 in zoverre, de door de man te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van [A.] op nihil gedurende de periode 7 december 2016 tot 28 oktober 2017 en met ingang van 28 oktober 2017 op € 157,- per maand; bepaalt dat [A.] en de vrouw, voor zover de man meer heeft betaald dan de in deze beschikking vastgestelde bijdragen het meerdere niet behoeven terug te betalen; (…)” 2.33. Mr. [gedaagde2] heeft voor haar werkzaamheden een honorarium van € 223,85 inclusief btw (€ 185,00 exclusief btw) per uur bij [eiser] in rekening gebracht. In totaal heeft [eiser] een bedrag van € 26.865,74 aan honorarium inclusief verschotten betaald aan mr. [gedaagde2]. 2.34. Naar aanleiding van een door [eiser] ingediende tuchtklacht heeft het hof van discipline bij beslissing van 6 september 2019 de beslissing van de raad van discipline van 10 juli 2018 bekrachtigd, waarbij mr. Kant de maatregel van een schorsing voor de duur van 24 weken, waarvan 12 weken voorwaardelijk, was opgelegd. 2.35. Bij e-mail van 30 augustus 2019 heeft mr. [gedaagde2], voor zover hier van belang het volgende aan de advocaat van de ex-echtgenote van [eiser] bericht: “(…)In overleg met cliënt stel ik voor dat partijen over een weer niets van elkaar te vorderen hebben wat betreft de boedelverdeling en de alimentatie, waarvoor [B.] en [A.] eveneens hun akkoord en instemming dienen te geven. Dat is het voorstel van client. Uiteraard zal de overwaarde van de woning en de afkoopwaarde van de polis bij helfte tussen partijen worden verdeeld. Gaarne verneem ik van uw cliënte, [B.] en [A.] of zij akkoord gaan met dit voorstel. In en buiten rechte kan op dit voorstel geen beroep op worden gedaan. Dit voorstel is puur uit coulance. Mocht uw cliënte, [B.] en [A.] niet akkoord gaan, dan zal ik na mijn vakantie verder met mijn client beraden.” 2.36. Bij e-mail van 9 oktober 2019 heeft [eiser], voor zover hier van belang, het volgende aan mr. [gedaagde2] bericht: “De overdracht is vooralsnog 21 nov. Nog wel [C.] [ex-partner [eiser], rechtbank] gesproken, zij vind dat de deurwaarders het maar uit moeten vechten. Ze gaan zo goed als zeker bij de notaris beslag leggen. Al iets van de deurwaarder vernomen? (…)” 2.37. Bij brief van 25 oktober 2019 heeft de advocaat van [eiser] namens [eiser] mr. [gedaagde2] aansprakelijk gesteld voor de door [eiser] geleden schade en mr. [gedaagde2] gesommeerd om een bedrag van € 20.958,00 te betalen. 2.38. Bij brief van 12 november 2019 heeft mr. [gedaagde2] onder verwijzing naar een brief aan haar beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar van diezelfde datum, aan de advocaat van [eiser] meegedeeld geen aansprakelijkheid te erkennen en niet bereid te zijn de schade van [eiser] te vergoeden. 2.39. Bij brief van 23 december 2019 aan de advocaat van [eiser] heeft de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar van mr. [gedaagde2] iedere aansprakelijkheid van mr. [gedaagde2] van de hand gewezen. 2.40. Mr. [gedaagde2] en mr. Orsel hebben zich op 1 januari 2020 respectievelijk 15 mei 2020 laten schrappen van het tableau van de Orde van Advocaten, hetgeen tot gevolg heeft dat [gedaagde2] Advocatuur B.V. en Orsel Advocatuur B.V. per genoemde data uit de maatschap (Velthuizen Advocatuur) zijn getreden. 3Het geschil 3.1. [eiser] vordert bij dagvaarding bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, hoofdelijke veroordeling van Velthuizen Advocatuur c.s. tot betaling van € 35.569,83, te vermeerderen met rente en (na)kosten. Ter zitting van 15 februari 2021 heeft [eiser] zijn eis met € 8.526,94 vermeerderd zodat de vordering in hoofdsom thans € 42.977,27 bedraagt. Velthuizen Advocatuur c.s. hebben tegen die vermeerdering van eis bezwaar gemaakt, maar de rechtbank verwerpt dat bezwaar omdat zij Velthuizen Advocatuur c.s. door de vermeerdering van eis niet in hun verdediging geschaad acht. 3.2. [eiser] legt - samengevat - aan zijn vordering ten grondslag dat mr. [gedaagde2] tekort is geschoten in de nakoming van de met hem gesloten overeenkomst van opdracht dan wel jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld, omdat mr. [gedaagde2] niet de zorgvuldigheid van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot heeft betracht. In de eerste plaats heeft mr. [gedaagde2] volgens [eiser] verzuimd hem te informeren over de mogelijkheid om gefinancierde rechtsbijstand aan te vragen. Daarnaast heeft zij verzuimd tijdig en op deugdelijke wijze namens hem te procederen. Niet alleen heeft mr. [gedaagde2] te lang gewacht met het instellen van procedures, maar zij heeft ook nog eens een kansloze en onnodige procedure bij het gerechtshof gevoerd, verzuimd tijdig de benodigde financiële gegevens over te leggen in de alimentatieprocedure, de boedelverdelingsprocedure prematuur gestart en onzorgvuldig gehandeld bij de afwikkeling van de verdeling. [eiser] heeft bij dagvaarding de overeenkomst met mr. [gedaagde2] dan ook ontbonden. Door de handelwijze van mr. [gedaagde2] heeft [eiser] schade geleden. Deze schade bestaat uit te lang doorgelopen alimentatieverplichtingen, ten onrechte in rekening gebracht honorarium, beslagkosten, het verschil tussen het uurtarief dat door mr. [gedaagde2] in rekening is gebracht en het basis uurtarief bij toevoegingen voor rechtsbijstand en ten slotte buitengerechtelijke incassokosten, aldus [eiser]. 3.3. Velthuizen Advocatuur c.s. voeren verweer en concluderen tot afwijzing van de vordering. Samengevat stellen zij zich primair op het standpunt dat [eiser] de verkeerde partijen heeft gedagvaard en dat er geen sprake is van een rechtsgeldige ontbinding van de overeenkomst van opdracht. Velthuizen Advocatuur doet daarnaast een beroep op de exoneratie op het briefpapier. Subsidiair betwisten Velthuizen Advocatuur c.s. de aansprakelijkheid en de schade en, voor zover de rechtbank zou oordelen dat [eiser] wel schade heeft geleden, doen Velthuizen Advocatuur c.s. een beroep op artikel 6:101 BW (eigen schuld). 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling Verkeerde partij(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.