RECHTBANK NOORD-HOLLAND Handel, Kanton en Insolventie locatie Haarlem Zaaknr./rolnr.: 8403673 \ CV EXPL 20-2781 Uitspraakdatum: 14 april 2021 Vonnis van de kantonrechter in de zaak van: [de passagier] wonende te [woonplaats] eiser hierna te noemen: de passagier gemachtigde: mr. R. Bos tegen de buitenlandse rechtspersoon Cathay Pacific Airways Limited gevestigd te Hong Kong gedaagde hierna te noemen: de vervoerder gemachtigde: mr. M. de Wijs 1Het procesverloop 1.1. De passagier heeft bij dagvaarding van 16 maart 2019 een vordering tegen de vervoerder ingesteld. De vervoerder heeft schriftelijk geantwoord. 1.2. De passagier heeft hierop schriftelijk gereageerd, waarna de vervoerder een schriftelijke reactie heeft gegeven. 2De feiten 2.1. De passagier heeft met de vervoerder een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan de vervoerder de passagier diende te vervoeren van Amsterdam naar Mactan Cebu Airport (Filipijnen) via Hongkong (China) op 13 november 2018, hierna: de vlucht. 2.2. De vlucht van Amsterdam naar Hongkong is vertraagd uitgevoerd. De passagier heeft zijn aansluitende vlucht naar Mactan Cebu gemist. 2.3. De passagier heeft compensatie van de vervoerder gevorderd in verband met voornoemde vertraging. 2.4. De vervoerder heeft geweigerd tot betaling over te gaan. 3De vordering en het verweer 3.1. De passagier vordert – na vermindering van eis – dat de vervoerder wordt veroordeeld tot betaling van:- € 90,00 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente;- de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente. 3.2. De passagier ziet af van zijn vordering tot compensatie, omdat niet langer in geschil is dat sprake is geweest van buitengewone omstandigheden in de zin van de (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van de verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: de Verordening). 3.3. De passagier handhaaft echter zijn vordering tot vergoeding van de buitengerechtelijke kosten en de proceskosten. Daartoe stelt de passagier dat de vervoerder de passagier nodeloos heeft gedwongen tot een procedure. Indien de vervoerder bij het eerste verzoek, of bij één van de latere verzoeken van de gemachtigde van de passagier tot betaling van compensatie in verband met vertraging, zijn verweer deugdelijk met documenten had onderbouwd, dan was deze procedure voorkomen. De vervoerder beschikte wel over deze documenten, maar besloot om ze pas over te leggen nadat hij was gedagvaard. 3.4. Op het verweer zal – voor zover relevant – bij de beoordeling van het geschil worden ingegaan. 4De beoordeling 4.1. De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat de Nederlandse rechter in deze zaak bevoegd is om van de vordering kennis te nemen. 4.2. De passagier erkent bij repliek dat de vertraging van zijn vlucht het gevolg is geweest van een buitengewone omstandigheid, waardoor hij zijn eis met betrekking tot de hoofdsom heeft ingetrokken. De passagier vordert alsnog de buitengerechtelijke kosten en proceskosten vermeerderd met de wettelijke rente, omdat de vervoerder de passagier zijns inziens nodeloos heeft gedwongen tot een procedure doordat de passagier voorafgaand aan de procedure geen informatie over deze buitengewone omstandigheid van de luchtvaartmaatschappij heeft ontvangen. Volgens de passagier ligt het op de weg van de vervoerder om de passagier te informeren over de oorzaak van de vertraging. 4.3. De passagier vordert € 90,00 aan buitengerechtelijke incassokosten. Dit bedrag is berekend naar aanleiding van de bij dagvaarding gevorderde hoofdsom van € 600,00. Volgens vaste rechtspraak is voor vergoeding van kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid als bedoeld in artikel 6:96 lid 2, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), vereist dat:(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.