RECHTBANK NOORD-HOLLAND Handel, Kanton en Insolventie locatie Haarlem Zaaknr./rolnr.: 8743150 \ CV EXPL 20-7513 Uitspraakdatum: 7 april 2021 Vonnis van de kantonrechter in de zaak van: 1 [eiser sub 1] wonende te Haarlem 2. [bewindvoerder] wonende te [woonplaats] , in zijn hoedanigheid van bewindvoerder van [moeder van eiser sub 1] wonende te [woonplaats] verder te noemen: [eiser sub 1] , [bewindvoerder] , [moeder van eiser sub 1] en tezamen [eiser sub 1] c.s. gemachtigde: mr. M. Baadoudi tegen de stichting Stichting Ymere gevestigd te Amsterdam gedaagde verder te noemen: Ymere gemachtigde: mr. M. Stokvis 1Het procesverloop 1.1. [eiser sub 1] c.s. heeft bij dagvaarding van 1 september 2020 een vordering tegen Ymere ingesteld. Ymere heeft hier schriftelijk op geantwoord. 1.2. Op 8 maart 2021 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Voorafgaand aan de zitting hebben partijen bij brieven van 17 en 18 februari 2021 nog stukken toegezonden. 2Feiten 2.1. In 2011 is [eiser sub 1] (geboren in 1983), zoon van [moeder van eiser sub 1] (geboren in 1942) en [vader van eiser sub 1] (geboren in 1934), bij zijn ouders gaan wonen aan [adres 1] . 2.2. [moeder van eiser sub 1] en [vader van eiser sub 1] hebben met ingang van 10 juni 2016 van Ymere de woning aan [adres 2] (hierna verder te noemen: de woning) gehuurd. 2.3. [eiser sub 1] is meeverhuisd naar de woning en heeft samen met [moeder van eiser sub 1] de zorg van [vader van eiser sub 1] , die op dat moment ernstig ziek was, op zich genomen. 2.4. Uit een brief van 29 maart 2017 van [betrokkene 1] van Stichting SHDH volgt: “(…) In 2011 heeft [moeder van eiser sub 1] een CVA gehad maar is redelijk hersteld. Wel nog krachtverlies in rechter hand. Zoon [eiser sub 1] heeft toen voor haar gezorgd in de herstelperiode. [vader van eiser sub 1] is al 15 jaar insuline afhankelijk diabetes. In 2013 is prostaatca geconstateerd waarvoor behandeling en bestraling heeft plaatsgevonden.(…) Er bleek bij de behandeling van de prostaat ook sprake te zijn van nierinsufficiëntie waarvoor dhr 3 x per week dialyseert in het dialysecentrum bij het Spaarngasthuis in zuid. (…) Dhr, mw en [eiser sub 1] zijn in juni 2016 verhuist naar een appartement met lift, omdat dhr geen trappen meer kon lopen. [eiser sub 1] verzorgt zijn vader volledig. Er is geprobeerd professionele zorg in te zetten bij dhr en mw, maar dit werkte niet. Omdat [eiser sub 1] een uitkering heeft en alle zorgtaken op zich neemt is het sociaal wijkteam betrokken. (…) Dhr en mw spreken nauwelijks Nederlands. Zoon spreekt goed nederlands. (…) Naast de persoonlijke verzorging. Regelt [eiser sub 1] het huishouding, de boodschappen voor zijn ouders. Het is voor dhr zijn geloofsuitoefening van belang dat hij schoon en verzorgd het gebed uitvoert. De verzorging van zijn zoon maakt dit mogelijk.” 2.5. [vader van eiser sub 1] is op 19 januari 2018 overleden. 2.6. [eiser sub 1] is na het overlijden van [vader van eiser sub 1] in de woning blijven wonen. 2.7. [moeder van eiser sub 1] is sinds februari 2019, nadat zij voor een tweede keer is getroffen door een beroerte, aan bed gekluisterd. [moeder van eiser sub 1] wordt thuis verzorgd door [eiser sub 1] en ontvangt hiervoor is een persoonsgebonden budget (pgb). 2.8. Bij beschikking van 17 september 2019 van de Rechtbank Noord-Holland, is [moeder van eiser sub 1] onder bewind en mentorschap gesteld van [bewindvoerder] (geboren in 1976). [bewindvoerder] is ook een zoon van [moeder van eiser sub 1] en [vader van eiser sub 1] . 2.9. Op enig moment heeft [eiser sub 1] een affectieve relatie met [echtgenote van eiser sub 1] gekregen. Zij zijn op 19 februari 2020 getrouwd in Marokko. [echtgenote van eiser sub 1] woont nog in Marokko maar is voornemens om naar Nederland te emigreren en zal ook in de woning komen wonen. 2.10. [eiser sub 1] c.s. heeft Ymere per e-mail van 13 juli 2020 verzocht om [eiser sub 1] als contractuele medehuurder aan te merken. In de toelichting bij dit verzoek geeft [eiser sub 1] aan: “(…) Als mantelzorger van mijn moeder die 24/7 zorg en verpleging nodig heeft, ben ik genoodzaakt om thuis te blijven wonen om mijn moeder te helpen. Mevrouw heeft in het verleden een dubbelzijdig en meerdere ICVA gehad resulterend in een minimale bewuste toestand samen met de thuiszorg proberen we haar zo comfortabel en optimaal te verzorgen. Afgelopen februari ben ik met mijn vriendin getrouwd, ze komt binnenkort ook bij ons intrekken om die reden wil ik ook financieel investeren in ons huis, om er en thuis van te maken. (…)” 2.11. Ymere heeft het verzoek van [eiser sub 1] c.s. bij brief van 14 juli 2020 geweigerd. Uit de weigeringsbrief volgt: “(…) Ymere ziet inwoning door een mantelzorger altijd als tijdelijk en mantelzorg leidt niet tot medehuurderschap. Dat betekent dat de mantelzorger geen aanspraak kan maken op de woning wanneer de huurder overlijdt of wanneer de huurder de woning opzegt. Om in aanmerking te kunnen komen voor een huurwoning moet u ingeschreven staan als woningzoekende, Daarom adviseren wij mantelzorgers om zich in te schrijven als woningzoekende. (…)” 2.12. [eiser sub 1] staat sinds 2 mei 2011 bij Woningnet geregistreerd als woningzoekende. 3De vordering 3.1. [eiser sub 1] c.s. vordert dat de kantonrechter, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, bepaalt dat: 1. [eiser sub 1] , met ingang van een door de kantonrechter te bepalen tijdstip, medehuurder is van de woning aan [adres 2] ; 2. Ymere haar medewerking dient te verlenen bij het aanvragen en verkrijgen van een huisvestingsvergunning ten behoeve van [eiser sub 1] voor het bewonen van de woning aan [adres 2] ; 3. Ymere zal worden veroordeeld in de kosten van de procedure. 3.2. [eiser sub 1] c.s. legt aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat [eiser sub 1] langer dan twee jaar zijn hoofdverblijf heeft in de woning en dat tussen [eiser sub 1] en [moeder van eiser sub 1] al jaren sprake is een duurzame gemeenschappelijke huishouding als bedoeld in artikel 7:267 lid 1 BW. Daartoe voert [eiser sub 1] c.s. aan dat [eiser sub 1] al sinds 2011 bij zijn ouders, [moeder van eiser sub 1] en [vader van eiser sub 1] , woont en dat hij in 2016 is mee verhuisd naar de woning met de bedoeling om daar langdurig te blijven wonen en het gemeenschappelijk huishouden met [moeder van eiser sub 1] en [vader van eiser sub 1] voort te zetten. 3.3. Dat sprake is van een duurzame gemeenschappelijke huishouding blijkt volgens [eiser sub 1] c.s. uit het gegeven dat tussen [moeder van eiser sub 1] , [vader van eiser sub 1] en [eiser sub 1] sprake was van wederzijdse zorg. Zo heeft [eiser sub 1] in 2011 voor [moeder van eiser sub 1] gezorgd nadat zij een beroerte heeft gehad en hebben [moeder van eiser sub 1] en [eiser sub 1] tussen 2012 en 2018 gezamenlijk voor [vader van eiser sub 1] gezorgd. Toen de gezondheid van [moeder van eiser sub 1] het nog toeliet werd gemeenschappelijk gekookt, gegeten en thee gedronken. Daarnaast werden en worden de kosten van het huishouden door [moeder van eiser sub 1] en [eiser sub 1] gedeeld. [moeder van eiser sub 1] betaalt de huur terwijl [eiser sub 1] de boodschappen, de kosten van gas, water en licht, de kosten van het internet en de telefoonkosten voor zijn rekening neemt. Daarnaast hebben [moeder van eiser sub 1] en [eiser sub 1] tot februari 2019 beiden gebruik gemaakt van de badkamer, keuken en woonkamer. 3.4. [eiser sub 1] c.s voeren verder aan dat [eiser sub 1] bewust heeft gekozen om langdurig bij zijn ouders te wonen. Dat volgt uit het feit dat hij is gestopt met werken om mantelzorg te verlenen, in het verleden aan zijn vader en nu aan zijn moeder. Daarnaast is [eiser sub 1] , hoewel hij al enige tijd een affectieve relatie heeft en inmiddels is getrouwd, bij [moeder van eiser sub 1] blijven wonen om voor haar te zorgen. 3.5. Tot slot stelt [eiser sub 1] c.s dat [eiser sub 1] vanuit financieel oogpunt voldoende waarborg biedt om de maandelijkse huurprijs te kunnen voldoen. 3.6. Voor zover voor bewoning van de woning een huisvestingsvergunning noodzakelijk is, dient Ymere mee te werken aan de verkrijging daarvan omdat [eiser sub 1] c.s. dat niet zelfstandig kan doen. 4Het verweer 4.1. Ymere betwist niet dat [eiser sub 1] zijn hoofdverblijf in de woning heeft maar betwist wel dat sprake is van een duurzame gemeenschappelijke huishouding. Daartoe voert zij aan – samengevat – dat [eiser sub 1] c.s. onvoldoende met stukken heeft aangetoond dat tussen [moeder van eiser sub 1] en [eiser sub 1] sprake is of was van financiële verwevenheid, van wederzijdse verzorging / wederkerigheid en van een gezamenlijk sociaal leven terwijl op hem een verzwaarde stelplicht rust. Gelet op de gezondheid en toestand van [moeder van eiser sub 1] , kan volgens Ymere überhaupt geen sprake zijn van enige wederzijdse verzorging en wederkerigheid. 4.2. Volgens Ymere is niet gesteld of gebleken dat in de periode voor 2019 sprake was van een gezamenlijke deelname van [moeder van eiser sub 1] en [eiser sub 1] aan het sociaal verkeer. Uit de door [eiser sub 1] c.s. overgelegde verklaringen volgt volgens Ymere dat de samenleving tussen [moeder van eiser sub 1] en [eiser sub 1] een samenleving is of was van ouder en kind. 4.3. Ymere voert verder aan dat slechts onder bijzondere omstandigheden een samenleven van kind en ouder kan worden aangemerkt als een blijvende samenwoning met een gemeenschappelijke huishouding. In de onderhavige situatie is geen sprake van genoemde bijzondere omstandigheden. De vordering van [eiser sub 1] c.s. heeft, nu [eiser sub 1] onlangs is getrouwd, kennelijk slechts de strekking om [eiser sub 1] op korte termijn de positie van huurder te verschaffen. 4.4. Ten slotte heeft Ymere aangevoerd dat [eiser sub 1] onvoldoende waarborg biedt voor een behoorlijke nakoming van de huur. 5De beoordeling 5.1. Deze vordering om te bepalen dat [eiser sub 1] medehuurder wordt, kan ingevolge artikel 7:267 lid 3 BW slechts worden afgewezen: a. indien de beoogde medehuurder niet gedurende tenminste twee jaren in de woonruimte zijn hoofdverblijf heeft en met de huurder een duurzame gemeenschappelijke huishouding heeft; b. indien, mede gelet op hetgeen is komen vast te staan omtrent de gemeenschappelijke huishouding en de tijdsduur daarvan, de vordering kennelijk slechts de strekking heeft de beoogde medehuurder op korte termijn de positie van huurder te verschaffen; c. indien de beoogde medehuurder vanuit financieel oogpunt onvoldoende waarborg biedt voor een behoorlijke nakoming van de huur. 5.2. Tussen partijen is niet in geschil dat [eiser sub 1] zijn hoofdverblijf in de woning heeft. Het geschil spitst zich in deze procedure toe op de vraag of hij met [moeder van eiser sub 1] een duurzame gemeenschappelijke huishouding heeft of heeft gehad (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.