RECHTBANK NOORD-HOLLAND Team Straf, locatie Haarlem Meervoudige strafkamer Parketnummer: 15.209126.20 (P) Uitspraakdatum: 30 april 2021 Tegenspraak Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 16 april 2021 in de zaak tegen: [de verdachte] , geboren op [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats] , ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres] , thans gedetineerd in [detentieadres] . De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.G.T. Kramer, en van hetgeen verdachte en zijn raadsman, mr. G.L.D. Thomas, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht. 1Tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: 1.hij op of omstreeks 17 augustus 2020 te Haarlem, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen, briefgeld (van verschillende binnenlandse en buitenlandse valuta) en/of muntgeld en/of (een of meer) portemonnee (
- s)(met geld erin) en/of een goudklomp/goudstaaf (deurstopper), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan het goudwisselkantoor, gevestigd aan de Schoterweg 82 te Haarlem, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader (s), welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [het slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(
- s)hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, en/of met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld, [het slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van briefgeld (van verschillende binnenlandse en buitenlandse valuta) en/of muntgeld en/of (een of meer) portemonnee(
- s)(met geld erin) en/of een goudklomp/goudstaaf (deurstopper), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan het goudwisselkantoor, gevestigd aan de Schoterweg 82 te Haarlem, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte, een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op [het slachtoffer] heeft gericht en [het slachtoffer] met (duct) tape aan een stoel heeft vastgebonden; 2.hij op of omstreeks 17 augustus 2020 te Haarlem, een wapen van categorie III, onder 4 van de Wet wapens en munitie, te weten een alarmwapen (BBM model GAP), en/of een patroonmagazijn (behorende bij het alarmwapen BBM model GAP) en/of munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten vijf, althans meerdere, knalpatronen (G.F.L., 8mm) voorhanden heeft gehad; 2Voorvragen De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. 3Beoordeling van het bewijs 3.1. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten. 3.2. Standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. 3.3 Oordeel van de rechtbank De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit – zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten: de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 16 april 2021 afgelegd; het proces-verbaal van aangifte van [het slachtoffer] d.d. 17 augustus 2020 (p.16-18); het proces-verbaal Indicatief onderzoek vuurwapen, patroonmagazijn en munitie d.d. 18 augustus 2020 p.224-227). 3.4. Bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat: 1. hij op 17 augustus 2020 te Haarlem, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen, muntgeld en een goudklomp/goudstaaf (deurstopper), toebehorende aan het goudwisselkantoor, gevestigd aan de Schoterweg 82 te Haarlem, welke diefstal werd vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen [het slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken , hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, en met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld, [het slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van briefgeld (van verschillende binnenlandse en buitenlandse valuta) en een portemonnees (met geld erin), toebehorende aan het goudwisselkantoor, gevestigd aan de Schoterweg 82 te Haarlem, 2.hij op 17 augustus 2020 te Haarlem, een wapen van categorie III, onder 4 van de Wet wapens en munitie, te weten een alarmwapen (BBM model GAP), en een patroonmagazijn (behorende bij het alarmwapen BBM model GAP) en munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten vijf, knalpatronen (G.F.L., 8mm) voorhanden heeft gehad; Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. 4Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten Het bewezenverklaarde levert op: Feit 1: diefstal, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolen te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, alsmede medeplegen van afpersing. Feit 2: handelen in strijd met artikel 26 eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen, magazijn en munitie van categorie III. Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar. 5Strafbaarheid van verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar. 6Motivering van de sancties 6.1 Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, waarvan twaalf maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar. Daarbij dienen de bijzondere voorwaarden te worden opgelegd, zoals door de reclassering geadviseerd (toezicht en ambulante behandeling). 6.2 Standpunt van de verdediging De verdediging heeft in het kader van de strafmaat bepleit, ondanks de negatieve adviezen omtrent toepassing van adolescentenstrafrecht, deze modaliteit wel toe te passen. Er zijn volgens de verdediging termen aanwezig op grond van het wegingskader adolescentenstrafrecht en daaruit voortvloeiend, omdat zowel het persoonlijk belang van de verdachte als ook het maatschappelijk belang hierbij gebaat is. 6.3 Oordeel van de rechtbank Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede door de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Tevens zijn de volgende rapportages in ogenschouw genomen: het Psychologisch Onderzoek d.d. 17 november 2020, K. Oostra, GZ-psycholoog; aanvullend Psychologisch Onderzoek d.d. 5 februari 2021, K. Oostra, GZ-psycholoog; het reclasseringsadvies d.d. 30 oktober 2020; het reclasseringsadvies d.d. 5 februari 2021. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich voorgedaan als een bona fide cliënt van het goudwisselkantoor. Eenmaal binnen heeft de verdachte zich ontpopt als een overvaller. Het slachtoffer moest onder dreiging van een vuurwapen geld uit een kluis afgeven. Vervolgens heeft het slachtoffer onder dreiging ook een tweede kluis moeten openen. Het duurde minutenlang voor dat deze kluis open ging. Al die tijd verkeerde het slachtoffer in doodsangst. Hierna is het slachtoffer met ducttape op een stoel vastgebonden. Een dergelijke overval zorgt voor grote gevoelens van angst en onveiligheid bij de slachtoffers in het bijzonder en in de samenleving in het algemeen. Dit blijkt ook duidelijk uit de toelichting bij de schadevordering van het slachtoffer van de overval. Kennelijk waren de eigen (financiële) motieven van de verdachte belangrijker dan het leed van het slachtoffer en de schade van het goudwisselkantoor. Daarnaast is strafverzwarend dat de verdachte de overval samen met anderen heeft gepleegd en voorbereid. De verdachte heeft aangegeven de overval te hebben gepleegd onder druk van anderen. Wat er ook zij van wat die anderen mogelijk van verdachte vinden, de rechtbank acht niet aannemelijk geworden dat de verdachte zodanig onder druk heeft gestaan dat daarmee bij de strafoplegging rekening zou moeten worden gehouden. De rechtbank betrekt hierbij de afgeluisterde telefoongesprekken die de verdachte gedurende zijn voorlopige hechtenis vanuit de JJI heeft gevoerd. De inhoud en de toon van deze gesprekken met onder meer de medeverdachte zijn van dien aard dat daaruit geenszins het beeld opdoemt van iemand die onder druk is bezweken. Integendeel, de verdachte maakt in die gesprekken een intimiderende, berekenende en leidende indruk. De psycholoog heeft aanvankelijk geen aanwijzingen gevonden voor een ziekelijke stoornis en/of een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens en doet daarover in het aanvullende rapport geen uitspraken. Nu op dit punt ook geen verweer is gevoerd, gaat de rechtbank ervan uit dat het bewezen verklaarde feit hem volledig moet worden toegerekend. Aangaande het standpunt van de raadsman om het adolescentenstrafrecht toe te passen, overweegt de rechtbank het volgende. Aanvankelijk werd zowel in het psychologisch onderzoek d.d. 17 november 2020, als in het reclasseringsadvies d.d. 30 oktober 2020, geadviseerd tot een dergelijke modaliteit. In de rapportages nadien is teruggekomen op dat eerdere advies. Geadviseerd wordt om het volwassenenstrafrecht toe te passen. De reden hiervoor is gelegen in de genoemde als zeer intimiderend te duiden afgeluisterde telefoongesprekken, waarvan zowel de psycholoog als de reclassering kennis heeft genomen. Die gesprekken hebben, als vermeld, een ander beeld van verdachte laten zien en bovenal contra-indicaties opgeleverd voor het toepassen van het jeugdstrafrecht. Zo lijkt verdachte niet onder de indruk van justitiële autoriteiten en houdt hij zich vanuit detentie bezig met het afpersen en bedreigen van de medeverdachte. De reclassering heeft zich bij dit advies aangesloten. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om het adolescentenstrafrecht toe te passen. Het andere beeld van betrokkene en de twijfels over de betrouwbaarheid van de verkregen informatie, ook van moeder, maakt dat de deskundige terughoudend is in het doen van uitspraken ten aanzien van het best passende interventieadvies. Wel wordt nog steeds van belang geacht dat betrokkene een forensisch psychiatrische behandeling volgt bij een instelling als de Waag en is toezicht van de reclassering geïndiceerd. Een deels voorwaardelijke gevangenisstraf met bijzondere voorwaarden wordt daarom het meest passend geacht. Alles afwegende is de rechtbank, met de officier van justitie, van oordeel dat vanuit een oogpunt van vergelding en normbevestiging een vrijheidsbenemende gevangenisstraf van forse duur passend en geboden is. De rechtbank zal mede gelet op de adviezen van de psycholoog en de reclassering echter bepalen dat een gedeelte daarvan vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaren, opdat verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit. Daarnaast acht de rechtbank het verplichte contact met reclassering en een (ambulante) behandeling noodzakelijk. Voorwaarden van die strekking zullen aan het voorwaardelijk deel van de op te leggen straf worden verbonden. 6.4 Verbeurdverklaring De rechtbank is van oordeel dat het onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerp, te weten, - een ring, dient te worden verbeurd verklaard. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het onder 1. bewezen verklaarde feit met betrekking tot dat voorwerp is begaan. 6.5 Onttrekking aan het verkeer De rechtbank is van oordeel dat de onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten, een wapen, een patroonhouder, munitie, dienen te worden onttrokken aan het verkeer. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de onder 1. en 2. bewezen verklaarde feiten met betrekking tot die voorwerpen zijn begaan en het ongecontroleerde bezit van die voorwerpen in strijd is met de wet of het algemeen belang. 7De benadeelde partijen 7.1. [de benadeelde partij 1] vordert € 2.500,- aan vergoeding van immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De rechtbank overweegt aangaande de vordering het volgende. Voor vergoeding van ander nadeel dan vermogensschade geldt het bepaalde in artikel 6:106, eerste lid, onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW). Nu in deze zaak geen sprake is van lichamelijk letsel of van schade in eer en goede naam, is de vraag of de benadeelde partij ‘op andere wijze’ in de persoon is aangetast in de zin van genoemd artikel. Van een dergelijke aantasting in de persoon is in ieder geval sprake indien de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan, waartoe nodig is dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. In de toelichting bij de vordering is (onder meer) gesteld dat [de benadeelde partij 1] geen tot amper psychische schade heeft overgehouden aan de overval. Gelet op dat gegeven is hetgeen hij heeft gesteld – hoewel invoelbaar – ontoereikend om te kunnen spreken van een aantasting van de persoon ‘op andere wijze’ in even bedoelde zin. Aldus dient de vordering dan ook niet-ontvankelijk te worden verklaard. 7.2. [de benadeelde partij 2] vordert € 4.105,33 als vergoeding van materiële schade en € 435,60 aan proceskosten te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatrege1. Aangaande de post van de ruitschade (€ 547,33) is de rechtbank van oordeel dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde deze als rechtstreekse schade heeft geleden. Die gevorderde schadevergoeding is voldoende onderbouwd en zal worden toegewezen. Verdachte dient hierover de wettelijke rente te voldoen. De overige posten acht de rechtbank onvoldoende onderbouwd. Het betreft de schade die ziet op de inzet van de regiomanager, de inzet van de directeur en de kosten van ziekteverzuim. Als de rechtbank de benadeelde partij in de gelegenheid zou stellen die posten nader te onderbouwen, moet daarvoor de strafzaak aangehouden worden. Gelet op de verschillende belangen bij een voortvarende afdoening van de zaak, acht de rechtbank dat een onevenredige belasting van het strafgeding. De benadeelde partij zal daarom ten aanzien van die posten van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard. De benadeelde partij kan het resterende deel van haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen. De rechtbank bepaalt de hoogte van de proceskosten aan de hand van de forfaitaire bedragen die in het civiele recht worden gehanteerd (“het liquidatietarief”) waarbij aansluiting wordt gezocht bij het tarief voor kantonzaken voor vorderingen tot € 25.000. Het indienen van het verzoek tot schadevergoeding behelst 1 proceshandeling en op grond daarvan zal een bedrag van € 124, 00 worden toegewezen. De meergevorderde proceskosten worden afgewezen. Schadevergoedingsmaatregel De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder 1 bewezen verklaarde handelen aanleiding ter zake van de vordering van [de benadeelde partij 2] de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f Sr op te leggen, doch niet ten aanzien van de proceskosten nu deze geen deel uitmaken van de geleden schade. 8Toepasselijke wettelijke voorschriften De volgende wetsartikelen zijn van toepassing: 14a, 14b, 14c, 33a, 36d, 36f, 47, 57, 312, 317 van het Wetboek van Strafrecht, 26, 55 Wet wapens en munitie. 9Beslissing De rechtbank: Verklaart bewezen dat verdachte de onder 1. en 2. ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven. Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij. Bepaalt dat de onder 3.4 bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren. Verklaart verdachte hiervoor strafbaar. Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van DRIE [3] JAAR. Beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot TWAALF [12] MAANDEN niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren. Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. Stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte: - zich meldt bij de Reclassering Nederland op het adres Wibautstraat 12,1091 GM te Amsterdam en zich blijft melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt; - zich laat behandelen door De Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Betrokkene houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Geeft opdracht aan Reclassering Nederland, gevestigd te Amsterdam, tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden. Verklaart verbeurd: - een ring. Onttrekt aan het verkeer: een wapen, patroonhouder, munitie. Verklaart [de benadeelde partij 1] niet-ontvankelijk in de vordering. Wijst de vordering van [de benadeelde partij 2] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 547,33 aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 17 augustus 2020 tot aan de dag van de algehele voldoening. Veroordeelt verdachte tot hoofdelijke betaling van het toegewezen bedrag aan [de benadeelde partij 2] voornoemd. Veroordeelt verdachte in de kosten door [de benadeelde partij 2] gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken. tot op heden begroot op € 124,-. Wijst af de vordering voor het overige deel van de gevorderde proceskosten. Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is. Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van [de benadeelde partij 2] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 547,33 , bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 augustus 2020 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op. Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens de medeverdachte aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen. Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum Dit vonnis is gewezen door: mr. M. Visser, voorzitter, mr. W.J. van Andel en mr. S. Sicking, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier mr. A. Zeeman, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 30 april 2021. Mr. Sicking is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen. De door de rechtbank als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen. De bewijsmiddelen zijn, ook in onderdelen, telkens slechts gebruikt tot het bewijs van de feiten waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben.