RECHTBANK NOORD-HOLLAND Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummer: HAA 20/1230 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 april 2021 in de zaak tussen [eiseres] , te [woonplaats] , eiseres (gemachtigde: mr. S. Atceken-Ata), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heemskerk, verweerder (gemachtigde: mr. M. van der Fluit). Procesverloop In het besluit van 23 oktober 2019 (primair besluit) heeft verweerder het recht van eiseres op uitkering op grond van de Participatiewet (Pw) herzien over de periode van 17 februari 2017 tot 1 januari 2018 en ingetrokken met ingang van 1 januari 2018. Verweerder heeft de over de periode van 17 februari 2017 tot 1 augustus 2019 als gevolg van de herziening en intrekking ten onrechte betaalde bijstand ad € 25.890,74 van eiseres teruggevorderd. In het besluit van 6 februari 2020 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 januari 2021. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en [naam 1] . Overwegingen 1. Eiseres heeft de rechtbank verzocht [naam 2] te horen als getuige. De rechtbank is van oordeel dat het horen van deze getuige niet aan de oordeelsvorming kan bijdragen. Daarom heeft de rechtbank met toepassing van artikel 8:63, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) afgezien van het horen van deze door eiseres meegebrachte getuige. Van belang daarbij is dat [naam 2] reeds een schriftelijke verklaring heeft afgelegd. 2. Eiseres ontvangt sinds 19 oktober 2010 een bijstandsuitkering (als alleenstaande). Tijdens een heronderzoek eind 2018 en de in dat kader ingeleverde bankafschriften van de laatste drie maanden bleek van diverse regelmatige en frequente boekingen, overschrijvingen en stortingen op de betaalrekening van eiseres, waarvan eiseres geen melding had gemaakt. Daarop is besloten tot het instellen van een rechtmatigheidsonderzoek. Het onderzoek heeft onder meer bestaan uit dossieronderzoek, raadplegen van geautomatiseerde systemen, open (internet)bronnen, controleren bankafschriften, controle paspoort en het voeren van een gesprek met eiseres op 3 juni 2019 en 18 juli 2019. In het dossier zitten ook twee anonieme meldingen. Het onderzoek is afgerond op 14 augustus 2019. Naar aanleiding van de bevindingen en in afwachting van de besluitvorming is de betaling van de bijstand vanaf 1 augustus 2019 geblokkeerd. Bij het primaire besluit heeft verweerder het recht van eiseres op uitkering op grond van de Pw herzien over de periode van 17 februari 2017 tot 1 januari 2018 en ingetrokken met ingang van 1 januari 2018. Verweerder heeft de over de periode van 17 februari 2017 tot 1 augustus 2019 als gevolg van de herziening en intrekking ten onrechte betaalde bijstand ad € 25.890,74 van eiseres teruggevorderd. 3. Verweerder heeft uit de onderzoeksbevindingen afgeleid dat eiseres vanaf 17 februari 2017 over middelen (inkomsten) heeft kunnen beschikken, die zij niet heeft doorgegeven. Verweerder heeft vastgesteld dat op de betaalrekening van eiseres in de periode van 17 februari 2017 tot en met 31 mei 2019 diverse (over)boekingen en stortingen door derden en op de rekening zijn gedaan tot een totaalbedrag van € 43.654,56 (van 17 februari 2017 tot en met 31 december 2017 een bedrag van € 2847,61, over 2018 een bedrag van € 23.809,95 en van 1 januari 2019 tot en met 31 mei 2019 een bedrag van € 16.807,00). Het gaat volgens verweerder om oncontroleerbare overboekingen en stortingen. Verweerder heeft de, niet gemelde, overboekingen en stortingen aangemerkt als middelen dan wel inkomsten waarover eiseres kan beschikken. De hoogte van die bedragen is dusdanig dat eiseres vanaf 1 januari 2018 geen recht meer heeft op bijstand. De bijstand van 17 februari 2017 tot 1 januari 2018 wordt herzien. De bijstand is betaald tot 1 augustus 2019. Uit controle van het paspoort bleek verder nog dat eiseres in 2019 langer dan de wettelijke toegestane 28 dagen in het buitenland heeft verbleven. 4. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het ingenomen standpunt gehandhaafd. Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat eiseres de inlichtingenplicht heeft geschonden door geen melding te maken van de diverse boekingen en stortingen op haar betaalrekening. Verweerder stelt dat eiseres niet heeft aangetoond dat het geld van en voor andere mensen was en ook daadwerkelijk naar andere mensen is gegaan. De gegeven verklaringen en filmpjes acht verweerder onvoldoende. Omdat de stortingen een terugkerend/periodiek karakter hebben en door eiseres konden worden aangewend voor de kosten van het bestaan heeft verweerder deze aangemerkt als inkomsten. Gezien de hoogte ervan bestond geen (volledig) recht op bijstand vanaf 1 februari 2017. Verweerder stelt gehouden te zijn om de bijstand te herzien, in te trekken en terug te vorderen. Van dringende redenen om van terugvordering af te zien is volgens verweerder geen sprake. 5. Eiseres voert – kort samengevat – aan dat zij de inlichtingenplicht niet heeft geschonden en een afdoende verklaring heeft gegeven voor de bijschrijvingen en stortingen op haar bankrekening. Naast verklaringen heeft zij ook filmpjes laten zien, maar die zijn door verweerder ten onrechte niet in het dossier gevoegd. Eiseres verklaart dat de overgeschreven bedragen zijn bedoeld voor anderen. Zo kreeg zij regelmatig geld van derden, bestemd voor de betaling van kosten in verband met verkoop van grond in Marokko, medische kosten voor haar moeder in Marokko en voor hulp aan derden en goede doelen/projecten in Marokko. Zij nam die sommen geld in contanten mee naar Marokko. Dat zij het geld ontvangt om arme mensen te helpen blijkt onder meer uit de omschrijving ‘sadaka’. Dat betekent een vrijwillige vorm van geld of goederen weggeven, wat in de koran wordt aanbevolen en zo een sterk verplichtend karakter heeft. De eigen stortingen zijn gespaarde gelden. Dat blijkt volgens eiseres ook uit voorafgaande geldopnamen. Verweerder heeft volgens eiseres de bedragen ten onrechte als inkomsten aangemerkt. Deze bedragen moeten als gift worden beschouwd. Eiseres wilde in maart 2020 naar Marokko vliegen om bewijzen te verzamelen, maar dat is door coronamaatregelen niet doorgegaan. Eiseres voert vervolgens aan dat er dringende redenen zijn om af te zien van terugvordering. Zij heeft last van ernstige psychische en lichamelijke klachten waardoor zij vaak dingen vergeet, zoals ook blijkt uit de verklaring van haar huisarts. 6. De rechtbank stelt voorop dat de te beoordelen periode loopt van 17 februari 2017 (datum herziening) tot 23 oktober 2019 (datum primaire besluit). 7. Eiseres betoogt allereerst de inlichtingenverplichting niet te hebben geschonden. Dit betoog slaagt niet. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Pw doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. Deze inlichtingenverplichting is een objectief geformuleerde verplichting, waarbij onder meer de vraag naar verwijtbaarheid geen rol speelt. Het had eiseres redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat de diverse overboekingen en stortingen op haar bankrekening, ongeacht van wie afkomstig, van invloed kunnen zijn op haar recht op bijstand. Eiseres is bij de toekenning van de bijstand en ook op latere momenten nadrukkelijk gewezen op de wettelijke inlichtingenplicht. Voor zover bij haar twijfel bestond of al die transacties voor de verlening van bijstand van belang konden zijn, had zij daarin aanleiding moeten zien contact op te nemen met verweerder om op dit punt duidelijkheid te verkrijgen. Eiseres stelt wel melding te hebben gemaakt, maar dat vindt nergens steun in de stukken. Dat eiseres psychische en fysieke problemen had/heeft betekent niet dat zij verweerder daarom niet had kunnen en moeten informeren. Verweerder stelt dan ook terecht dat eiseres de inlichtingenplicht heeft geschonden. 8. Verweerder heeft de overboekingen en stortingen op de bankrekening van eiseres gerekend tot de middelen waarover eiseres kan beschikken en aangemerkt als inkomsten. Artikel 31, eerste lid, van de Pw bepaalt dat tot de middelen worden gerekend alle vermogens- en inkomensbestanddelen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Artikel 31, tweede lid, aanhef en onder m, van de Pw bepaalt dat giften niet tot de middelen worden gerekend voor zover deze naar het oordeel van het college uit een oogpunt van bijstandsverlening verantwoord zijn. In artikel 32, eerste lid, van de Pw staat dat onder inkomen wordt verstaan de op grond van artikel 31 in aanmerking genomen middelen voor zover deze (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.