RECHTBANK NOORD-HOLLAND Team Straf, locatie Alkmaar Meervoudige strafkamer Parketnummer: 15.102307.19 Uitspraakdatum: 8 juni 2021 Tegenspraak Vonnis Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 25 mei 2021 in de zaak tegen: [verdachte] geboren op [geboortedatum- en plaats] ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres 1] De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.A. Hobbelink. Verdachte is niet verschenen. Zijn raadsman mr. P.M. Rombouts, advocaat te Amsterdam, was ter terechtzitting aanwezig en heeft verklaard niet langer bepaaldelijk gemachtigd te zijn. 1Tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: Feit 1 hij op of omstreeks 19 april 2019 te Volendam, gemeente Edam-Volendam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag van ongeveer 1.500 euro en/of een telefoon, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 1] toebehoorde, door- [slachtoffer 1] te bedreigen met een mes en/of- die [slachtoffer 1] (op dreigende toon) om geld en/of zijn telefoon te vragen en/of- die [slachtoffer 1] te dwingen om op zijn knieën te gaan zitten in de kluisruimte en/of- die [slachtoffer 1] te dwingen om de kluis te openen en/of- die [slachtoffer 1] te dwingen om geld en/of zijn telefoon af te geven; Feit 2 hij op of omstreeks 26 maart 2019 te Volendam, gemeente Edam-Volendam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen drie halskettingen van bloedkoraal, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/ of zijn mededader(s); subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 26 maart 2019 te Volendam, gemeente Edam-Volendam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een goed, te weten drie halskettingen van bloedkoraal heeft verworven, voorhanden gehad en/of overgedragen, terwijl hij en zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof. 2Voorvragen De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. 3Beoordeling van het bewijs 3.1 Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 en 2 primair ten laste gelegde feiten. 3.2 Oordeel van de rechtbank 3.2.1 Redengevende feiten en omstandigheden De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1 en 2 primair ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat. 3.2.2 Bewijsmotivering/nadere bewijsoverwegingen feit 2 primair Op 26 maart 2019 doet winkelier [slachtoffer 2] aangifte van de diefstal van drie bloedkoralen kettingen, die volgens [slachtoffer 2] kort na 15:30 uur gestolen zijn door een man met een Marokkaans uiterlijk, gekleed in een grijs vest, spijkerbroek, blauwe jas en een groene baseballpet. Om 15:49 uur wordt via een camera geregistreerd dat een manspersoon die voldoet aan voornoemd signalement en met rood/oranje voorwerpen in zijn hand voorbij rent langs [adres 2] , komende uit de richting van het Zuideinde (en aldus [adres 3] , waar de winkel van aangever is gevestigd) en in de richting van het Noordeinde. De medeverdachte [naam 1] heeft als getuige bij de rechter-commissaris verklaard dat hij op 26 maart 2019 is gebeld door verdachte met de vraag om hem op te halen bij de [adres 4] in Volendam en hem naar een juwelier te brengen De [adres 4] ligt op ongeveer 400 meter van de winkel van aangever [slachtoffer 2] en aldus op loopafstand. In de auto vertelde de verdachte aan [naam 1] dat hij bloedkoralen had. De verdachte heeft kort daarna bloedkoralen kettingen met [naam 1] ingeleverd bij juwelier [naam 2] aan de [adres 5] [naam 2] heeft bevestigd dat hij drie bloedkoralen kettingen heeft gekocht van [naam 1] en een andere man die hij kent als [naam 5] ’. Zij zijn om 16:11 uur in de juwelierszaak. De reistijd van de [adres 4] in Volendam naar de [adres 5] bedraagt ongeveer 13 minuten, zodat verdachte dus kort vóór 16:00 uur moet zijn opgehaald bij de [adres 4] . De rechtbank is van oordeel dat omdat de verdachte vlak na de diefstal in de buurt van de plaats delict is opgehaald door [naam 1] en toen reeds in het bezit was van bloedkoralen kettingen en hij al om 16.11 uur in Monnickendam 3 bloedkoralen kettingen, gelijk aan het aantal dat is gestolen in Volendam, heeft verkocht, het niet anders kan zijn dan dat het de verdachte is geweest die op 26 maart 2019 uit de winkel van aangever [slachtoffer 2] drie bloedkoralen halskettingen heeft weggenomen. 3.3 Bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 en 2 primair ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat Feit 1 hij op 19 april 2019 te Volendam, gemeente Edam-Volendam, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag van ongeveer 1.500 euro en een telefoon, die aan [slachtoffer 3] of [slachtoffer 1] toebehoorden, door- [slachtoffer 1] te bedreigen met een mes en- die [slachtoffer 1] (op dreigende toon) om geld en zijn telefoon te vragen en- die [slachtoffer 1] te dwingen om op zijn knieën te gaan zitten in de kluisruimte en- die [slachtoffer 1] te dwingen om geld en zijn telefoon af te geven; Feit 2 hij op 26 maart 2019 te Volendam, gemeente Edam-Volendam, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen drie halskettingen van bloedkoraal, toebehorende aan [slachtoffer 2] . De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging. Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. 4Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten Het bewezenverklaarde levert op: ten aanzien van feit 1 Afpersing ten aanzien van feit 2 primair Diefstal Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar. 5Strafbaarheid van verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar. 6Motivering van de sanctie 6.1 Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaar, met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Zij heeft gewezen op de omstandigheid dat de redelijke termijn is overschreden. Ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] heeft de officier van justitie zich op het volgende standpunt gesteld. De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] moet hoofdelijk worden toegewezen, met wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel. De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] moet niet-ontvankelijk worden verklaard, nu er geen bedrag is vermeld in de vordering en het zonder nadere onderbouwing niet eenvoudig is om een bedrag vast te stellen. De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] moet eveneens niet-ontvankelijk worden verklaard, nu deze onvoldoende is onderbouwd en er in de vordering wordt gesproken over drie kettingen, terwijl uit het dossier blijkt dat één ketting terug is. 6.2 Oordeel van de rechtbank Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede door de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich binnen een maand schuldig gemaakt aan een diefstal en een afpersing. Hij heeft uit een winkel drie kettingen weggenomen met een aanzienlijke waarde. Verdachte doet zich voor als bonafide klant en op het moment dat hij met de winkelier overeenstemming bereikt over de prijs en de winkelier wil afrekenen, grist verdachte de kettingen van de toonbank en verlaat de winkel. Enkele weken later als in een café alleen nog het latere slachtoffer aanwezig is, wordt die door verdachte bedreigd met een mes en gedwongen tot afgifte van geld en een telefoon. Een dergelijk feit maakt naar zijn aard grote indruk en veroorzaakt gevoelens van angst, die nog lange tijd kunnen voortduren. De impact hiervan op het slachtoffer is aanzienlijk geweest. Hij heeft na dit feit veel angst ervaren en kon daardoor niet eten en slapen. Ook durfde hij niet meer alleen aanwezig te zijn op zijn werkplek, terwijl dit voor het gepleegde feit een voor hem vertrouwde plek was. Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 6 mei 2021 en het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport gedateerd 11 mei 2021 van het Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering. Verder stelt de rechtbank vast dat gelet op de datum van de aanhouding van verdachte op 26 april 2019 en het feit dat de rechtbank op 8 juni 2021 vonnis wijst, de redelijke termijn van twee jaar is overschreden met een maand. De rechtbank is van oordeel dat gezien de mate van termijnoverschrijding, met de enkele constatering van die overschrijding kan worden volstaan. Nu verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan afpersing en diefstal en met name het eerste feit een ernstig strafbaar feit betreft, is de rechtbank – ook gelet op de straffen die doorgaans voor afpersing worden opgelegd – van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere straf dan een vrijheidsbenemende straf. Voor wat betreft de duur van die straf overweegt de rechtbank dat de strafeis van de officier van justitie in lijn is met de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). In de omstandigheden waaronder het feit is begaan, noch in de persoonlijke omstandigheden van verdachte, vindt de rechtbank aanleiding daarvan af te wijken. De rechtbank acht dan ook een gevangenisstraf van twee jaren met aftrek van voorarrest passend en geboden. 7Vordering benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregel 7.1 Vordering benadeelde partij [slachtoffer 1] De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 1.000,00 ingediend tegen verdachte wegens immateriële schade die hij als gevolg van het onder 1 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De rechtbank is van oordeel dat deze schade rechtstreeks voortvloeit uit het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde feit. Vergoeding van de schade komt de rechtbank ook billijk voor gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting. De vordering zal dan ook worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 19 april 2019 tot aan de dag der algehele voldoening. Daarbij zal de rechtbank bepalen dat indien door of namens de medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk is betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd. Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken, tot op heden begroot op nihil. schadevergoedingsmaatregel De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder feit 1 bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: afpersing] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen. 7.2 Vordering benadeelde partij [slachtoffer 3] De benadeelde partij [slachtoffer 3] heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend om verdachte bewust te maken van hetgeen hij als gevolg van het onder 1 ten laste gelegde feit zou hebben aangericht. De benadeelde partij wil de ontvangen vergoeding aan een goed doel schenken. De rechtbank is van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding vormt, zodat de benadeelde partij niet in de vordering zal kunnen worden ontvangen. De rechtbank overweegt hiertoe dat door de benadeelde partij in de vordering geen schadebedrag vermeld is en voornoemd bedrag niet eenvoudig door de rechtbank kan worden vastgesteld. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij niet ontvankelijk is in de vordering. 7.3 Vordering benadeelde partij [slachtoffer 2] De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 1.536,40 ingediend tegen verdachte wegens materiële schade die hij als gevolg van het onder 2 ten laste gelegde feit zou hebben geleden. De rechtbank is van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding vormt, zodat de benadeelde partij niet in de vordering zal kunnen worden ontvangen. De rechtbank overweegt hiertoe dat de vordering niet nader onderbouwd is met onderliggende stukken. Daarbij komt dat er zich aanwijzingen in het dossier bevinden dat één van de drie kettingen geen echte bloedkoralen bevatte en dat de benadeelde partij een ketting terug heeft ontvangen, terwijl uit de toelichting bij de vordering blijkt dat in het gevorderde schadebedrag wel drie kettingen zijn meegenomen. Het voorgaande maakt dat het voor de rechtbank niet eenvoudig is om te komen tot vaststelling van de hoogte van het toe te wijzen schadebedrag. Derhalve zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij niet ontvankelijk is in de vordering. 8Toepasselijke wettelijke voorschriften De volgende wetsartikelen zijn van toepassing: 36f, 63, 310, 317 van het Wetboek van Strafrecht. 9Beslissing De rechtbank: Verklaart bewezen dat verdachte de onder 1 en 2 primair ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.3 weergegeven. Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij. Bepaalt dat de onder 1 en 2 primair bewezen verklaarde feiten de hierboven onder
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.