vonnis RECHTBANK NOORD-HOLLAND Handel, Kanton en Insolventie Zittingsplaats Haarlem zaaknummer / rolnummer: C/15/303705 / HA ZA 20-364 Vonnis van 9 juni 2021 (bij vervroeging) in de zaak van 1 [eiser 1],
(1932)is voor de bepaling van de inhoud van de erfdienstbaarheid (naast de bewoordingen in de akte) tevens relevant het onder het oude recht toepasselijke artikel 733 BW (oud), dat een erfdienstbaarheid van weg omschreef als ‘het regt om met een wagen, een rijtuig, een (motor)fiets en met welk (passend) vervoermiddel over [eens anders land] te rijden’. Daaronder valt naar het oordeel van de rechtbank, naar huidige maatstaven bezien, eveneens het recht om per auto – en overigens ook per voet – over het dienende erf te gaan. Dit brengt met zich dat [eiser 1] c.s. (dus óók) het recht hebben om een auto in hun garage te parkeren, hetgeen [gedaagde 1] c.s. overigens ook lijken te erkennen met hun stelling dat een garage is bedoeld om een auto in te parkeren. Verder geldt nog het volgende. Het recht van uitweg is een onbelemmerd recht. Dit betekent dat de uitrit voor de garage van [eiser 1] c.s. te allen tijde door [gedaagde 1] c.s. vrij moet worden gelaten. [gedaagde 1] c.s. mogen – anders dan zij (stellig) menen – op het garageperceel dus geen auto parkeren vóór de garage van [eiser 1] c.s. Dit betekent dat de erfdienstbaarheid in ieder geval het onder 1) genoemde recht van uitweg vanaf de garage omvat. 5.12. Met betrekking tot het onder 2) genoemde recht van uitweg vanaf de tuinpoort stellen [eiser 1] c.s. zich op het standpunt dat de tuinpoort er al jarenlang zit. Daarbij stellen zij dat geen sprake is van een extra bezwaring, omdat de tuinpoort direct naast hun garagedeur zit en het aantal uitwegbewegingen – door de tuinpoort te gebruiken in plaats van de garagedeur – niet verandert. [gedaagde 1] c.s. betwisten dat de erfdienstbaarheid ook dit recht omvat. Zij hebben daartoe erop gewezen dat een erfdienstbaarheid op de minst bezwarende wijze moet worden uitgeoefend. Dit brengt volgens [gedaagde 1] c.s. mee dat gedragingen die verder gaan dan de uitdrukkelijke beschrijving van het recht van uitweg niet zijn toegestaan. 5.13. De rechtbank oordeelt als volgt. Anders dan [gedaagde 1] c.s. (kennelijk) menen, valt – zonder nadere toelichting, die ontbreekt – niet in te zien dat het gebruik van de tuinpoort als uitweg van het perceel van [eiser 1] c.s. naar het [adres 16] (en andersom) in strijd is met de in 1932 gevestigde erfdienstbaarheid. In de akte is immers niet opgenomen dat het recht van uitweg enkel kan worden uitgeoefend via gebruik van de garagedeuren van [eiser 1] c.s. Hoewel op zichzelf (ook onder oud recht) juist is dat een erfdienstbaarheid op de minst bezwarende wijze moet worden uitgeoefend, zegt deze wettelijke bepaling (thans: artikel 5:74 BW) in zijn algemeenheid niets over de inhoud van de erfdienstbaarheid in dit specifieke geval. Overigens hebben [gedaagde 1] c.s. de stelling van [eiser 1] c.s. dat het gebruik van de tuinpoort (in plaats van de garagedeur) niet leidt tot een verzwaring van de erfdienstbaarheid, niet weersproken. Naar het oordeel van de rechtbank omvat de gevestigde erfdienstbaarheid mede het onder 2) genoemde recht van uitweg vanaf de tuinpoort. 5.14. Wat betreft het onder 3) gestelde recht om te parkeren voor de garage is het volgende van belang. [eiser 1] c.s. hebben erop gewezen dat in de akte van 1932 is opgenomen dat de erfdienstbaarheid van uitweg zal worden uitgeoefend ‘op de wijze als thans bestaande’. Omdat [eiser 1] c.s. lastig iets kunnen zeggen over de wijze waarop de erfdienstbaarheid in 1932 werd uitgeoefend, hebben zij diverse getuigenverklaringen van oud bewoners van de [adres 2] en [adres 18] en door omwonenden laten opstellen over de wijze waarop de erfdienstbaarheid is uitgeoefend. Op basis van deze verklaringen staat volgens [eiser 1] c.s. vast dat er vanaf 1963 door de bewoners van de [adres 2] voor de garage werd geparkeerd. [gedaagde 1] c.s. hebben ook hiertegen aangevoerd dat een erfdienstbaarheid op de minst bezwarende wijze moet worden uitgeoefend. Dit brengt volgens [gedaagde 1] c.s. mee dat gedragingen die verder gaan dan de uitdrukkelijke beschrijving van het recht van uitweg niet zijn toegestaan. Uit de overgelegde getuigenverklaring kan volgens [gedaagde 1] c.s. geen recht van parkeren worden afgeleid. 5.15. De rechtbank is met [gedaagde 1] c.s. van oordeel dat een recht van uitweg niet aanstonds duidt op (ook) een recht van parkeren. De omstandigheid dat een erfdienstbaarheid op zichzelf op de minst bezwarende wijze moet worden uitgeoefend, betekent (zonder nadere toelichting, die ontbreekt) niet dat het onderhavige recht van uitweg ‘dus’ geen recht van parkeren omvat. Met [eiser 1] c.s. is de rechtbank van oordeel dat tevens relevant is dat in de akte van 1932 is opgenomen dat de erfdienstbaarheid van uitweg zal worden uitgeoefend ‘op de wijze als thans bestaande’. Niet is (meer) vast te stellen hetgeen hiermee in de akte van 1932 is bedoeld. Nu partijen zich niet hebben uitgelaten over het bestaan van ‘een plaatselijke gewoonte’ is, bij twijfel over de wijze van uitoefening van een erfdienstbaarheid, de wijze waarop een erfdienstbaarheid te goede trouw geruime tijd op een bepaalde wijze is uitgevoerd, beslissend. [eiser 1] c.s. hebben ter onderbouwing van hun standpunt dat het in ieder geval vanaf 1963 de gewoonte was dat de bewoners van de [adres 18] hun auto voor hun garage parkeerden een vijftal verklaringen overgelegd afkomstig van (de zoon van een) oud bewoner(
- s)van de [adres 2] en [adres 18] en van omwonenden. Uit de verklaringen volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de bewoners van de [adres 18] gedurende geruime tijd én te goeder trouw hun auto op het garageperceel vóór hun garage hebben geparkeerd. Zelfs indien geen waarde toegekend zou worden aan de verklaring van [betrokkene 2], omdat hij niet uit eigen waarneming zou kunnen verklaren, dan volgt ook uit de verklaring van de [betrokkene 3] dat zowel hijzelf vanaf 2013 tot 2017, als de voormalige bewoner van de [adres 18] sinds 1972 ongehinderd gebruik heeft gemaakt van de parkeerplaats voor de garage. Ook uit de verklaring van [betrokkene 4], (mede) eigenaar van de [adres 2] van 1998 tot juni 2017, leidt de rechtbank af dat de bewoners van de [adres 18] in die tijd hun auto(‘
- s)parkeerden op de oprit voor hun garage. Daarmee staat vast dat de erfdienstbaarheid te goeder trouw gedurende een geruime tijd op een bepaalde wijze is uitgeoefend, namelijk door het parkeren van een auto voor de garage. 5.16. Concluderend geldt dat de inhoud van de erfdienstbaarheid voor [eiser 1] c.s. zowel het recht van uitweg vanaf de tuinpoort als de garage naar de openbare weg (het [adres 16]) en terug bevat, inclusief het recht om een auto voor hun garage te parkeren. De primaire vordering zal worden toegewezen zoals gevorderd. De subsidiaire en meer subsidiaire vorderingen behoeven geen bespreking meer. Camera 5.17. [eiser 1] c.s. stellen dat [gedaagde 1] c.s. hun camera zo hebben afgesteld dat hierop te zien is wie gebruik maakt van de garage van [eiser 1] c.s. Zij ervaren dit als een inbreuk op hun privacy. Ter zitting hebben [gedaagde 1] c.s. desgevraagd verklaard dat zij aan hun garage een camera hebben bevestigd, omdat zij vanaf hun woonperceel geen zicht hebben op het garageperceel. Het doel van die camera is het beschermen van zowel het garageperceel als de op het garageperceel geparkeerde auto’s ter voorkoming van diefstal. 5.18. De vraag ligt voor welk recht er zwaarder weegt: het recht van [eiser 1] c.s. op bescherming van hun persoonlijke levenssfeer of het recht van [gedaagde 1] c.s. om hun perceel en hun daarop gestalde eigendommen met een camera te beveiligen. De rechtbank concludeert dat het recht van [eiser 1] c.s. zwaarder weegt en zal de vordering tot het verbieden van [gedaagde 1] c.s. om een of meer camera’s zo af te stellen dat daarop is te zien wie gebruik maakt van de garage van [eiser 1] c.s. dan ook toewijzen. Hiervoor is het volgende van belang. 5.19. In beginsel levert een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer een onrechtmatige daad op. De aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond kan echter aan een inbreuk het onrechtmatige karakter ontnemen. Of er sprake is van een dergelijke rechtvaardigingsgrond, moet worden beoordeeld door in het licht van de omstandigheden van het geval enerzijds de ernst van de inbreuk van de persoonlijke levenssfeer en anderzijds de belangen die met de inbreuk makende handelingen redelijkerwijs kunnen worden gediend tegen elkaar af te wegen (vgl. HR 31 mei 2002, NJ 2003, 589). De aard van een inbreuk moet naar objectieve maatstaven worden bezien. Daarbij dient te worden bedacht dat ook een inbreuk die naar objectieve maatstaven als gering moet worden beschouwd, toch als zeer ingrijpend door een betrokkene kan worden ervaren (vgl. gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 9 december 2014, NJF 2015, 30). 5.20. De rechtbank stelt vast dat [gedaagde 1] c.s. een camera hebben bevestigd aan hun eigen garage gericht naar het [adres 16]. Door [eiser 1] c.s. zijn foto’s overgelegd van camerabeelden. Daaruit blijkt dat de camera het deel van het garageperceel filmt dat voor de garagedeuren is gelegen, waaronder het deel voor de garage van [eiser 1] c.s. Het is goed zichtbaar als iemand via de tuinpoort dan wel de garage van [eiser 1] c.s. over het garageperceel richting het [adres 16] (en omgekeerd) gaat. Dit is een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van [eiser 1] c.s. De rechtbank vindt het standpunt van [gedaagde 1] c.s. dat zij de camera hebben geïnstalleerd vanuit het oogpunt van beveiliging begrijpelijk. Als gevolg van de toewijzing van de primaire vordering in conventie is het [gedaagde 1] c.s. evenwel niet toegestaan hun auto te parkeren voor de garage van [eiser 1] c.s. Het filmen van het garageperceel voor de garage van [eiser 1] c.s. ziet daardoor nog slechts op het beschermen van het perceel zelf en niet op het beschermen van een aan hen in eigendom toebehorende auto. De inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van [eiser 1] c.s. weegt naar het oordeel van de rechtbank zwaarder dan de belangen van [gedaagde 1] c.s. om hun perceel met gebruikmaking van een camera te beveiligen. Daarnaast hebben [gedaagde 1] c.s. ter zitting verklaard dat het mogelijk is om de camera zo af te stellen, dan wel een deel van de camera af te plakken, dat de camera voornamelijk gericht is op het perceeldeel voor de garage van [gedaagde 1] c.s. en de uitrit naar het [adres 16]. Een afweging van de belangen van partijen leidt er dan ook toe dat de rechtbank het gevorderde verbod voor [gedaagde 1] c.s. om een of meer camera’s zo af te stellen dat daarop is te zien wie gebruik maakt van de garage van [eiser 1] c.s. zal toewijzen. 5.21. De rechtbank ziet aanleiding om de hoogte van de gevorderde dwangsom per dag te matigen tot € 250,00 met een maximum van € 25.000,00. Proceskosten 5.22. [gedaagde 1] c.s. zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser 1] c.s. worden begroot op: - dagvaarding € 105,03 - griffierecht 304,00 - salaris advocaat 1.126,00 (2,0 punten × tarief € 563,00) Totaal € 1.535,03 5.23. De over de proceskosten gevorderde wettelijke rente zal als niet betwist worden toegewezen. De gevorderde nakosten worden toegewezen, zoals onder 6.5 begroot. in reconventie 5.24. De vorderingen in reconventie vormen feitelijk gezien het spiegelbeeld van de vorderingen in conventie. Uit hetgeen hiervoor is overwogen – en gelet op de toewijzing van de vorderingen in conventie – volgt dat de vorderingen in reconventie worden afgewezen. 5.25. [gedaagde 1] c.s. zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser 1] c.s. worden begroot op: - salaris advocaat 563,00 (2,0 punten × factor 0,5 × tarief € 563,00) Totaal € 563,00 6De beslissing De rechtbank in conventie 6.1. verklaart voor recht dat ten behoeve van de garage op het perceel van [eiser 1] c.s. ([adres 1]) en ten laste van het perceel van [gedaagde 1] c.s. ([adres 3]), een erfdienstbaarheid van uitweg bestaat om van en naar het [adres 16] te gaan, zowel vanaf de garage als vanaf de tuinpoort, inclusief het recht van [eiser 1] c.s. om hun auto voor de garage te parkeren, 6.2. verbiedt [gedaagde 1] c.s. om één of meer camera’s zo af te stellen dat daarop is te zien wie gebruik maakt van de garage van [eiser 1] c.s. op perceel [adres 1], 6.3. veroordeelt [gedaagde 1] c.s. om aan [eiser 1] c.s. een dwangsom te betalen van € 250,00 voor iedere keer dat zij niet aan de onder 6.2 uitgesproken hoofdveroordeling voldoen, tot een maximum van € 25.000,00 is bereikt, 6.4. veroordeelt [gedaagde 1] c.s. in de proceskosten, aan de zijde van [eiser 1] c.s. tot op heden begroot op € 1.535,03, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na dagtekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling, 6.5. veroordeelt [gedaagde 1] c.s. in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 163,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagde 1] c.s. niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis hebben voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 85,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening, 6.6. verklaart dit vonnis in conventie wat betreft de onder 6.2 tot en met 6.5 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad, 6.7. wijst het meer of anders gevorderde af, in reconventie 6.8. wijst de vorderingen af, 6.9. veroordeelt [gedaagde 1] c.s. in de proceskosten, aan de zijde van [eiser 1] c.s. tot op heden begroot op € 563,00. Dit vonnis is gewezen door mr. E.J. Bellaart en in het openbaar uitgesproken door mr. E.B. de Vries-van den Heuvel op 9 juni 2021. type: 1589 coll: