RECHTBANK NOORD-HOLLAND Handel, Kanton en Bewind locatie Alkmaar Zaaknr./rolnr.: 8721541 \ CV EXPL 20-4238 (TB) Uitspraakdatum: 20 januari 2021 Vonnis van de kantonrechter in de zaak van: [eiser] , h.o.d.n. [naam bedrijf 1] wonende te [woonplaats 1] eiser verder te noemen: [eiser] gemachtigde: mr. A.J. Engelsma tegen [gedaagde] , h.o.d.n. [naam bedrijf 2] wonende te [woonplaats 2] gedaagde verder te noemen: [gedaagde] procederend in persoon 1Het procesverloop 1.
- [eiser] heeft bij dagvaarding van 14 augustus 2020 een vordering tegen [gedaagde] ingesteld. [gedaagde] heeft mondeling geantwoord. 1.
- Op 14 december 2020 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Voorafgaand aan de zitting heeft [eiser] bij brief van 7 december 2020 nog stukken toegezonden. 2De feiten 2.
- [gedaagde] exploiteert een keukenfirma en verkoopt keukens. 2.
- Partijen zijn mondeling overeengekomen dat [eiser] een periode in het bedrijf van [gedaagde] zou gaan werken, waarbij hij enerzijds werkzaamheden zou verrichten gericht op het verkopen van keukens en anderzijds gekeken zou worden of [eiser] in de onderneming van [gedaagde] zou willen en kunnen deelnemen. 2.
- [eiser] heeft voor de werkzaamheden een tweetal facturen aan [gedaagde] toegestuurd voor in totaal € 6.352,
- 2.
- [gedaagde] heeft op 29 februari 2020 in een WhatsApp bericht het volgende gezegd, voor zover relevant: “Jij hebt nog recht op salaris. Jou factuur zoals je het voorrekende is in orde en kan je insturen. […] Dan graag een bedrag zonder deel voor meneer belasting maar voel jij je beter bij deze factuur dan zorg ik dat deze betaald wordt” 3De vordering 3.
- [eiser] vordert dat de kantonrechter [gedaagde] veroordeelt tot betaling van € 4.912,75 (€ 4.352,50 aan hoofdsom en € 560,25 buitengerechtelijke incassokosten), vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf de vervaldag van de individuele factuur, althans vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag van algehele betaling, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure. 3.
- [eiser] legt aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat hij gedurende een periode werkzaamheden voor [gedaagde] heeft verricht en [eiser] volgens afspraak de uren aan [gedaagde] heeft gefactureerd. [gedaagde] heeft expliciet aangegeven het eens te zijn met de berekeningswijze van [eiser] en tot betaling over te zullen gaan van de factuur. [gedaagde] heeft daarna al tweemaal een betaling gedaan. 4Het verweer 4.
- [gedaagde] betwist de vordering. Hij voert aan – samengevat – dat [eiser] zich mogelijk in zijn onderneming zou inkopen en dat partijen hebben afgesproken dat [eiser] een maand met [gedaagde] mee kon draaien. Er zijn geen afspraken gemaakt over een vergoeding voor de werkzaamheden die [eiser] zou verrichten gedurende de ‘snuffel’ periode. Het is echter wel gebruikelijk dat in ‘keukenland’ je als verkoper wordt betaald op het moment dat je een keuken hebt verkocht. [eiser] heeft echter geen keukens verkocht. De factuur is veel te hoog voor de werkzaamheden die [eiser] heeft verricht. [gedaagde] heeft aan [eiser] tweemaal € 1.000,00 betaald. Eenmaal halverwege februari 2020 en eenmaal begin maart
- 5De beoordeling 5.
- Het gaat in deze zaak om de vraag of [gedaagde] moet worden veroordeeld tot betaling van de facturen voor onderzoek naar het al dan niet deelnemen in de onderneming van [gedaagde] en de door [eiser] verrichte werkzaamheden gericht op het verkopen van keukens. 5.
- Wat betreft de tijd die [eiser] heeft besteed aan onderzoek naar het al dan niet deelnemen in de onderneming van [gedaagde] is de kantonrechter van oordeel dat hier geen vergoeding tegenover staat. Partijen zouden, zoals mondeling overeengekomen, gedurende een periode onderzoeken of [eiser] wil en kan deelnemen in de onderneming van [gedaagde] , en tegen welke prijs. Een vergoeding voor de tijd die [eiser] hierin heeft gestoken, zijn partijen niet overeengekomen. Door [eiser] is dit onvoldoende onderbouwd. 5.
- Ten aanzien van de werkzaamheden gericht op het verkopen van keukens geldt dat de tussen partijen gesloten overeenkomst moet worden gekwalificeerd als een overeenkomst van opdracht. Op grond van artikel 7:405 lid 1 BW is [gedaagde] loon aan [eiser] verschuldigd. [eiser] heeft voor zijn werkzaamheden in de periode van 10 februari 2020 tot en met 8 maart 2020 een factuur aan [gedaagde] toegestuurd. Ondanks dat partijen aan het begin van de overeenkomst geen afspraken hebben gemaakt over een vergoeding voor de werkzaamheden en [gedaagde] de factuur te hoog vond, heeft [gedaagde] bij WhatsApp bericht van 29 februari 2020 toch akkoord gegeven op deze factuur en heeft [gedaagde] toegezegd deze te betalen. 5.
- [gedaagde] is echter gebleken – nadat hij akkoord had gegeven op de factuur – dat [eiser] tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst. [eiser] maakte fouten in tekeningen. Fouten die iemand met ervaring niet behoort te maken. Door [eiser] is dit onvoldoende gemotiveerd betwist. Daar komt bij dat [eiser] vervolgens een paar dagen later zonder enige aankondiging vooraf definitief op 4 maart 2020 is vertrokken en het werk zonder enige overdracht heeft achtergelaten. [eiser] heeft zelf besloten om per direct te stoppen, omdat naar zijn idee [gedaagde] kwaad over hem sprak. Wat daar ook van zij, het gevolg daarvan is dat hij geen keukens heeft verkocht. Voor zover [eiser] met orders bezig was zaten die nog in de beginfase. 5.
- Tegen deze achtergrond kan [eiser] [gedaagde] niet houden aan hetgeen [gedaagde] in het WhatsApp bericht van 29 februari 2020 heeft geschreven naar aanleiding van de factuur. [gedaagde] ging er bij dat bericht namelijk nog van uit dat [eiser] door zou gaan met zijn werkzaamheden – en keukens zou verkopen - en dat partijen nog zouden uitzoeken of [eiser] zou deelnemen in de onderneming. Dit kan ook worden afgeleid uit de contante betaling die [gedaagde] nog aan [eiser] heeft gedaan begin maart 2020 en het feit dat [eiser] deze betaling vervolgens in mindering heeft gebracht op de factuur. Ook valt dit uit het door [eiser] ingenomen standpunt af te leiden, aangezien hij stelt dat [gedaagde] hem, zelfs nadat hij is weggegaan, heeft gezegd dat ze opnieuw konden starten en hij alsnog kon deelnemen in de onderneming van [gedaagde] . Nu de werkzaamheden van [eiser] door zijn plotselinge vertrek geen resultaat voor [gedaagde] hebben opgeleverd, is het reeds betaalde gedeelte een redelijk loon voor de verrichte werkzaamheden. 5.
- [gedaagde] heeft tweemaal € 1.000,00 betaald aan [eiser] . [eiser] heeft gelet op het voorgaande onvoldoende onderbouwd dat [gedaagde] daarnaast nog meer loon aan hem was verschuldigd. 5.
- De conclusie is dat de kantonrechter de vordering van [eiser] zal afwijzen. 5.
- De proceskosten komen voor rekening van [eiser] , omdat hij ongelijk krijgt. Omdat niet is gebleken van kosten van [gedaagde] die voor vergoeding in aanmerking komen, zullen deze kosten tot op heden worden vastgesteld op nihil. 6De beslissing De kantonrechter: 6.
- wijst de vordering af; 6.
- veroordeelt [eiser] tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor [gedaagde] worden vastgesteld op nihil. Dit vonnis is gewezen door mr. A.E. Merkus en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier. De griffier De kantonrechter