← Nederland

ECLI:NL:RBNHO:2021:5599

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Handel, Kanton en Insolventie locatie Haarlem Zaaknr./repnr.: 8280662 \ EJ VERZ 20-3 Uitspraakdatum: 23 juni 2021 Beschikking van de kantonrechter in de zaak van: [verzoeker] wonende te [woonplaats] verzoekende partij verder te noemen: [verzoeker] gemachtigde: mr. L.H. Toonen tegen [verweerder] wonende te [woonplaats] (Frankrijk) verwerende partij verder te noemen: [verweerder] procederend in persoon 1Het procesverloop 1.

  1. [verzoeker] heeft een verzoekschrift ingediend, ter griffie ingekomen op 20 januari
  2. [verweerder] heeft een verweerschrift ingediend. 1.
  3. Op 9 oktober 2020 heeft een zitting plaatsgevonden. De gemachtigde van [verzoeker] heeft zittingsaantekeningen overgelegd. Daarnaast heeft de griffier aantekeningen gemaakt van wat [verzoeker] ter toelichting van zijn standpunten verder nog naar voren heeft gebracht. [verweerder] is niet verschenen. 1.
  4. De beslissing in onderhavige zaak is vervolgens op verzoek van [verzoeker] aangehouden in afwachting van de (uitkomst van de) bodemprocedure met zaaknummer 8580904 \ CV EXPL 20-
  5. In die procedure is vonnis gewezen op 3 februari
  6. Per e-mail van 11 februari 2021 heeft de gemachtigde van [verzoeker] verzocht om deze procedure nog drie maanden aan te houden. Per e-mail van 11 mei 2021 heeft de gemachtigde van [verzoeker] meegedeeld dat [verweerder] hoger beroep heeft ingesteld tegen de uitspraak in de bodemprocedure en verzocht om een beschikking te wijzen in deze procedure. 2Het verzoek en het verweer 2.
  7. Het verzoekschrift strekt ertoe dat de kantonrechter een voorlopig getuigenverhoor zal bevelen. [verzoeker] stelt dat hij daar belang bij heeft ten behoeve van en in voorbereiding op een eventuele beslag- en/of incassoprocedure. Tijdens de oplevering en de sleuteloverdracht van de huurwoning op 2 december 2019 is [verzoeker] mondeling met [verweerder] overeengekomen dat partijen over en weer niets meer aan elkaar verschuldigd zouden zijn, behoudens de terugbetaling van de waarborgsom door [verweerder] binnen twee weken. [verweerder] ontkent dat nu. [verzoeker] kan bewijs leveren van zijn stelling door het horen van getuigen. Naast [verweerder] en [verzoeker] was de dochter van [verweerder] aanwezig bij de oplevering, zodat het horen van [verweerder] en zijn dochter noodzakelijk is om vast te kunnen stellen wat op 2 december 2019 mondeling is afgesproken. 2.
  8. [verweerder] verweert zich tegen het verzoek om een voorlopig getuigenverhoor. 3De beoordeling 3.
  9. Op grond van artikel 186 lid 1 Rv kan, voordat een zaak aanhangig is, op verzoek van de belanghebbende onverwijld een voorlopig getuigenverhoor worden bevolen. Lid 2 van dat artikel regelt de situatie dat sprake is van een reeds aanhangig geding. In dat geval kan de rechter op verzoek van een partij een voorlopig getuigenverhoor bevelen. 3.
  10. Op het moment van indiening van het verzoekschrift op 20 januari 2020 was sprake van de situatie als bedoeld in artikel 186 lid 1 Rv: er was nog geen zaak aanhangig. Daar kwam echter verandering in toen [verweerder] op 5 juni 2020 een dagvaarding uitbracht en daarmee de bodemprocedure begon. Daarin vorderde hij een bedrag van [verzoeker] wegens tekortschieten in de nakoming van zijn opleveringsverplichting van de huurwoning. [verzoeker] vorderde in reconventie terugbetaling van de waarborgsom op grond van de volgens hem op 2 december 2019 gemaakte afspraken. Bij vonnis van 3 februari 2021 heeft de kantonrechter in de bodemprocedure de vordering van [verweerder] afgewezen en de tegenvordering van [verzoeker] toegewezen. Vervolgens heeft [verweerder] hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis. Op dit moment is dan ook sprake van een geding dat aanhangig is bij het gerechtshof Amsterdam. Uitgangspunt is dat als het geding reeds aanhangig is, het verzoek wordt gedaan aan de rechter waar het geding aanhangig is, zo staat in artikel 187 lid 2 Rv. In dit geval is het verzoek echter al ingediend vóórdat de zaak aanhangig werd bij het gerechtshof Amsterdam. De eerste vraag is daarom of de kantonrechter bevoegd is om te beslissen op het verzoek. 3.
  11. Volgens de Hoge Raad is het moment van de indiening van het verzoek bepalend voor de bevoegdheid van de rechter (Hoge Raad 7 november 1986, ECLI:NL:HR:1986:AG5457). Het verzoek is ingediend bij de kantonrechter vóórdat [verweerder] op 5 juni 2020 de dagvaarding uitbracht in de bodemprocedure. Gelet daarop is de kantonrechter bevoegd om te beslissen op het verzoek. 3.
  12. [verzoeker] wil de getuigen horen om zijn stelling te bewijzen dat hij bij de oplevering van de huurwoning op 2 december 2019 mondeling met [verweerder] is overeengekomen dat partijen over en weer niets meer aan elkaar verschuldigd zouden zijn, behoudens de terugbetaling van de waarborgsom door [verweerder] binnen twee weken. Deze stelling lag ook ten grondslag aan de tegenvordering van [verzoeker] tot terugbetaling van de waarborgsom in de bodemprocedure. Die tegenvordering is toegewezen. Het is de kantonrechter niet bekend of die kwestie onderdeel is van de appelprocedure bij het gerechtshof Amsterdam. De vraag is dan ook welk belang [verzoeker] nog heeft bij zijn verzoek om een voorlopig getuigenverhoor te bevelen. De kantonrechter ziet daarin aanleiding om [verzoeker] in de gelegenheid te stellen om zich daarover bij akte uit te laten. [verweerder] krijgt vervolgens de gelegenheid om daarop te reageren. 3.
  13. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden. 4De beslissing De kantonrechter: 4.
  14. bepaalt dat [verzoeker] zich bij akte op 7 juli 2021 mag uitlaten over zijn belang zoals vermeld in r.o. 3.4; 4.
  15. houdt iedere verdere beslissing aan. Deze beschikking is gegeven door mr. M.M. Kruithof en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.