ECLI:NL:RBNHO:2021:574
Rechtbank noord-holland Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummer: HAA 18/4843 uitspraak van de meervoudige douanekamer van 12 januari 2021 in de zaak tussen [X] , gevestigd te [Z] , eiseres, (gemachtigden: mrs. J.A. Biermasz en A. Wolkers), en de inspecteur van de Belastingdienst/Douane, kantoor Arnhem, verweerder.
Procesverloop Verweerder heeft op 15 juli 2016 aan eiseres een uitnodiging tot betaling (hierna: de utb) uitgereikt voor een bedrag van € 612.558,65 aan rechten bij invoer, zijnde € 504.015,90 aan definitieve antidumpingrechten en € 108.542,75 aan definitieve compenserende rechten.
Verweerder heeft bij uitspraak van 6 september 2018 het bezwaar van eiseres tegen de utb ongegrond verklaard.
Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Bij brief van 11 februari 2019 heeft hij een beroep gedaan op artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ten aanzien van een bijlage bij het verweerschrift.
Eiseres heeft bij brief van 22 februari 2019 op het verzoek van verweerder gereageerd en verzocht om het verzoek af te wijzen.
Op 22 juli 2019 heeft de rechtbank Noord-Holland, sectie Bestuursrecht, in het geding tussen partijen een beslissing gegeven als bedoeld in artikel 8:29, derde lid, Awb.
Eiseres heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 december 2020 te Haarlem.
De gemachtigden van eiseres zijn verschenen en verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [A] en [B] .
Overwegingen Feiten 1. [C] B.V., gevestigd te [D] , heeft in naam en voor rekening van eiseres op 1 en 2 december 2014 in totaal zes aangiften gedaan tot plaatsing van goederen onder de douaneregeling ‘in het vrije verkeer brengen’ (hierna: aangiften) van in totaal 8780 zonnepanelen (in de aangiften als ‘lichtgevoelige halfgeleiderelementen’ aangegeven met GN-code 8541 4090 29) met vermelding van de oorsprong Taiwan.
Geschil 4. In geschil is of de utb kon worden opgelegd. Daarbij dient te worden beoordeeld of het beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging is geschonden en zo ja, of deze schending dan tot vernietiging van de utb dient te leiden. Indien het gelijk ten aanzien van voornoemd geschil aan verweerder is, dient vervolgens beoordeeld te worden of verweerder aan de op hem rustende bewijslast heeft voldaan, dat de in het vrije verkeer gebrachte partijen zonnepanelen de niet-preferentiële Chinese oorsprong hebben behouden omdat in Taiwan geen bewerking heeft plaatsgevonden.
Verweerder kan zijn standpunt dat de door eiseres bij de invoer aangegeven oorsprong van de zonnepanelen, zijnde Taiwan, onjuist is en dat deze oorsprong China moet zijn niet baseren op het OLAF-rapport. Eiseres stelt dat dit rapport niet als bewijs kan dienen, omdat OLAF niet bevoegd was tot het uitvoeren van het externe onderzoek, het door OLAF opgestelde rapport – gelet op de onderzoeksperiode waarop dit rapport betrekking heeft en de inhoud en conclusie daarvan – niet van toepassing kan zijn op de in deze zaak in geschil zijnde aangiften, dit rapport niet als betrouwbaar kan worden aangemerkt en met het OLAF-rapport en de bijbehorende bijlagen niets is vastgelegd over de oorsprong van de goederen.
Zowel het voornemen als de utb zijn in de Nederlandse taal opgesteld en werden zonder een bijgevoegde vertaling aan eiseres, die de Nederlandse taal niet machtig is, gezonden.
Verweerder heeft daardoor niet voldaan aan de formaliteiten die daaraan worden gesteld in de Europese en nationale wet- en regelgeving. Uit de Sopropé-norm (arrest van het Hof van Justitie van 18 december 2008, zaak C-349/07), artikel 48 van het Handvest en artikel 6, derde lid, sub a van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM) volgt dat de handelswijze van verweerder dient te leiden tot vernietiging van de beslissing op bezwaar en de onderliggende utb. Verweerder heeft gehandeld in strijd met het beginsel van eerbieding van de rechten van verdediging (hierna: het verdedigingsbeginsel).
Verweerder heeft nagelaten om in haar voorlopige beschouwing en beslissing op bezwaar inhoudelijk te reageren op de uitvoerige kritische kanttekeningen die eiseres in haar materieel bezwaarschrift en de schriftelijke reactie op de aanvullend toegestuurde stukken heeft geplaatst bij het OLAF-rapport. Verweerder refereert slechts aan onderdelen van het OLAF-rapport, zonder in te staan voor de betrouwbaarheid daarvan.
Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de utb, met veroordeling van verweerder in de proceskosten van de bezwaar- en beroepsprocedure.
OLAF heeft tijdens de missie vastgesteld dat zendingen zonnepanelen vanuit China via Taiwan werden doorgevoerd naar de EU. Van de Taiwanese douaneautoriteiten heeft OLAF extra gegevens ontvangen over de in- en uitvoer van de zonnepanelen via Taiwan met de in de aangiften van eiseres vermelde containers. Het betreft een exportoverzicht van de FTZ in Taiwan met daaraan gekoppeld de bijbehorende importen in deze FTZ. Uit dit overzicht blijkt de link tussen de uitvoeraangiften (F5) zoals deze zijn ingediend bij de Taiwanese douaneautoriteiten voor de uitvoer uit de FTZ in Taiwan naar Nederland. De in die aangiften vermelde containernummers komen vrijwel allemaal overeen met de containernummers zoals opgenomen in de overzichten uit Taiwan. Hiermee staat vast dat de ingevoerde zonnepanelen afkomstig zijn uit de FTZ in Taiwan.
Volgens de Taiwanese douanewetgeving mogen in de FTZ geen be- of verwerkingen van goederen worden verricht. De invoer van Chinese zonnepanelen in tijdelijke opslag in de FTZ is verboden. Het Taiwanese Bureau of Foreign Trade en de Taiwanese douaneautoriteiten hebben bevestigd dat de invoer van Chinese panelen verboden is.
Op grond van de ontvangen informatie staat voor verweerder vast dat de vanuit China in de FTZ in Taiwan binnengebrachte zonnepanelen in deze FTZ zijn overgeladen in andere containers en vervolgens naar de EU zijn uitgevoerd. OLAF heeft volgens verweerder terecht en op goede gronden geconstateerd dat de onderhavige zonnepanelen van niet-preferentiële oorsprong zijn.
De door eiseres aangevoerde grieven tegen de bevoegdheid, betrouwbaarheid en bewijsvoering roepen bij verweerder geen enkele en zeker geen ernstige twijfels op aan de bevindingen van OLAF.
Naar de mening van verweerder zijn het verdedigings- en het motiveringsbeginsel niet geschonden. Verweerder verwijst naar het bepaalde in artikel 2:6 van de Awb. Het is de Nederlandse Douane op grond van dit artikel voorgeschreven om in de Nederlandse taal communiceren.
Verweerder is niet duidelijk op welke specifieke aspecten van het onderzoek eiseres nog meer duidelijkheid wenste te verkrijgen. In het missierapport wordt duidelijk het doel van het onderzoek, de wijze van bewijsvergaring, de onderzoeksmethode en de onderzochte en vastgestelde feiten en omstandigheden beschreven. Vervolgens is in het missierapport beschreven op welke feiten en omstandigheden OLAF de conclusie trekt dat de onderhavige zonnepanelen van Chinese oorsprong zijn. De door OLAF onderzochte stukken zijn verkregen van de Taiwanese autoriteiten. De betrouwbaarheid van de onderzochte stukken is daardoor voor verweerder voldoende geborgd en met zijn verwijzing naar deze stukken heeft verweerder voldoende gemotiveerd. De door eiseres ter zake aangehaalde artikelen uit de Awb zijn ingevolge het bepaalde in artikel 1:18 van de Algemene Douanewet niet van toepassing. Zowel in het voornemen als in de motivering van de utb wordt duidelijk verwezen naar de relevante feiten en omstandigheden inclusief de resultaten van de OLAF-missie. De utb bevat de motivering van de correctie en alle elementen waarop de navordering is gebaseerd. Voor verweerder staat vast dat het besluit voldoende is gemotiveerd.
In alle fasen van de procedure heeft eiseres de beschikking gehad over het missierapport en de relevante bijlagen. Tevens is eiseres in de gelegenheid gesteld om het dossier in te zien, maar van dit aanbod heeft zij geen gebruik gemaakt. Veel informatie is echter nadien nog aan eiseres verzonden.
Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep. Voor zover in deze procedure niet bewezen mocht zijn dat de zonnepanelen van oorsprong uit China zijn, stelt verweerder zich subsidiair op het standpunt dat de zonnepanelen verzonden zijn uit China.
Toepasselijke regelgeving 8. Artikel 24 van het Communautair douanewetboek (hierna: CDW) luidt als volgt: Goederen bij welker vervaardiging twee of meer landen betrokken zijn geweest, zijn van oorsprong uit het land waar, in een daartoe ingerichte onderneming, de laatste ingrijpende en economisch verantwoorde verwerking of bewerking heeft plaatsgevonden die hetzij tot de fabricage van een nieuw product heeft geleid, hetzij een belangrijk fabricagestadium vertegenwoordigt.
Onderneming Recht Aanvullende Tariccode Alle overige ondernemingen 53,4% B999”.
Artikel 1, lid 2 van deze verordening luidt als volgt: “Het definitieve compenserende recht, dat van toepassing is op de nettoprijs, franco grens Unie, vóór inklaring, van de in lid 1 omschreven producten, vervaardigd door onderstaande ondernemingen, is als volgt:
Onderneming Recht Aanvullende Tariccode Alle overige ondernemingen 11,5% B999”.
Beoordeling van het geschil De ontvankelijkheid van het bezwaar 13. Het bezwaar van eiseres (dagtekening: 13 juni 2017) tegen de utb van 15 juli 2016 is door verweerder op 19 juni 2017 ontvangen. De bezwaartermijn lijkt hierbij mogelijk overschreden. Eiseres heeft verklaard dat zij de utb niet heeft ontvangen. Tijdens het onderzoek ter zitting heeft verweerder desgevraagd verklaard dat zij geen bewijs kan bijbrengen van de postverzending van de utb. Dit betekent dat de utb niet is bekend gemaakt op de voorgeschreven wijze en de bezwaartermijn niet is gaan lopen. Naar aanleiding van de invorderingsmelding van de Deense douaneautoriteiten van 5 mei 2017 heeft eiseres zich tot haar gemachtigde gewend, die, terwijl eiseres slechts over het voornemen beschikte, namens eiseres bezwaar heeft gemaakt tegen de utb. Op 29 juni 2017 heeft verweerder de utb van 15 juli 2016 in afschrift aan (de gemachtigde van) eiseres gezonden. Daarmee is de utb op de voorgeschreven wijze bekend gemaakt en de dag na de bekendmaking is de bezwaartermijn gaan lopen. Gelet op deze gang van zaken is de rechtbank met verweerder, zij het op een andere grond, van oordeel dat eiseres in haar (premature) bezwaar kan worden ontvangen.
Strijdigheid van het voornemen en de utb met het verdedigingsbeginsel.
De enkele omstandigheid dat verweerder het voornemen en de utb in de Nederlandse taal aan eiseres heeft gestuurd, maakt dit naar het oordeel van de rechtbank niet anders. De wet (artikel 2:6 Awb) verplicht verweerder om de Nederlandse taal te gebruiken; van een structurele dan wel incidentele uitzondering is geen sprake. Van een deelnemer aan het internationale handelsverkeer mag worden verwacht dat hij weet hoe hij met een in een buitenlandse taal opgesteld stuk moet omgaan.
Naar het oordeel van de rechtbank is het verdedigingsbeginsel derhalve niet geschonden.
Heeft verweerder voldaan aan de op hem rustende bewijslast?
Eiseres voert onder meer aan dat dit rapport niet als bewijs kan dienen, omdat OLAF niet bevoegd was tot het uitvoeren van een onderzoek in Taiwan.
Met betrekking tot dit betoog van eiseres overweegt de rechtbank dat zij geen reden heeft om te twijfelen aan de vermelding in het missierapport dat OLAF de Taiwanese autoriteiten heeft verzocht om mee te werken aan de missie en dat de Taiwanese autoriteiten daarmee hebben ingestemd. Dit maakt naar het oordeel van de rechtbank dat OLAF in deze situatie zonder de aanwezigheid van een verdrag bevoegd is om onderzoek te doen en dat het rapport van OLAF in principe als bewijs kan dienen.
Proceskosten 25. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. C.M. van Wechem, voorzitter en mrs. M.P.E. Oomens en S. Kleij, leden, in aanwezigheid van mr. W.G. van Gastelen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 januari 2021. griffier voorzitter Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (douanekamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen: