Rechtbank noord-holland Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummer: HAA 19/3551 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juli 2021 in de zaak tussen [X] B.V., gevestigd te [Z] , eiseres (gemachtigde: A.F.M.J. Verhoeven), en de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Zwolle, verweerder. Procesverloop Op 28 november 2017 heeft eiseres de aangifte voor de BPM ingediend van een te betalen bedrag van € 7.881 ter zake van de registratie van een BMW X5 met een voertuigenidentificatienummer eindigend op [#] (hierna: de auto) en dit bedrag op 4 december 2017 voldaan. Verweerder heeft op 9 januari 2018 een bezwaarschrift van eiseres ontvangen tegen de betaling op aangifte voor de BPM van de auto. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 25 juli 2019 het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Op 24 november 2020, 11 december 2020 en 19 februari 2021 zijn in totaal 551 beroepen van eiseres bij een onderzoek ter zitting behandeld, waaronder het beroep inzake de registratie van de auto. Deze onderzoeken ter zitting hebben plaatsgevonden te Haarlem, middels een Skypeverbinding met partijen. Namens eiseres is verschenen, haar gemachtigde A.F.M.J. Verhoeven, vergezeld door [A] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde [B] en [C] . Partijen hebben in de loop van de procedure en tot tien dagen vóór de laatste zitting een groot aantal nadere stukken ingediend. In een bijlage bij deze uitspraak zijn deze stukken weergegeven met een vermelding van de afzender, een datering en de wijze van verzending. Deze stukken zijn telkens en voorafgaande aan de eerstvolgende behandeling ter zitting in afschrift verstrekt aan de wederpartij. Overwegingen Feiten 1. Eiseres heeft op 28 november 2017 de aangifte BPM ingediend voor de auto. De volgens de aangifte verschuldigde BPM van € 7.881 heeft zij voldaan. De verschuldigde BPM is berekend aan de hand van de koerslijst X-ray marge, zijnde een ex-rental. De Datum Eerste Toelating van de auto betreft 25 november 2016. 2. Met dagtekening 2 juli 2018 2018 wordt de voorgenomen uitspraak op bezwaar aan de gemachtigde van eiseres gestuurd. Daarbij wordt eiseres in de gelegenheid gesteld om te worden gehoord. 3. Op 19 december 2018 heeft verweerder eiseres uitgenodigd om te worden gehoord op 29 januari 2019. 4. Uit een interne notitie van verweerder blijkt dat telefonisch het hoorgesprek is verplaatst naar 18 februari 2019. 5. Het geplande hoorgesprek op 18 februari 2019 bleek geen doorgang te kunnen vinden, waarna verweerder eiseres bij brief, met dagtekening 21 februari 2019, een aantal data heeft voorgesteld om gehoord te worden. 6. Op 3 april 2019 heeft verweerder eiseres uitgenodigd om te worden gehoord op 7 mei 2019. 7. Bij brief met dagtekening 1 mei 2019 heeft verweerder eiseres medegedeeld dat haar gemachtigde, A.F.M.J. Verhoeven, met ingang van 1 mei 2019 voor de duur van zes maanden als gemachtigde van eiseres wordt geweigerd. 8. Ook het geplande hoorgesprek op 7 mei 2019 heeft geen doorgang gevonden, gelet op de verhindering van [A] . Verweerder heeft de gemachtigde van eiseres, bij brief, met dagtekening 13 mei 2019, het volgende, van belang zijnde, medegedeeld: “[…] Omdat de heer Verhoeven per 1 mei 2019 geweigerd is als gemachtigde voor een periode van zes maanden heeft hij u [rechtbank: [D] ] aangewezen als zijn vervanger. Dit op grond van het aan hem in machtigingen verleende recht van substitutie. Ik heb om die reden vorige week – 2 mei 2019 – telefonisch contact met u opgenomen. Wij bespraken de op 3 april 2019 verzonden uitnodiging voor het hoorgesprek op 7 mei 2019. […] U vertelde mij in het telefooongesprek dat het hoorgesprek op 7 mei 2019 geen doorgang kon vinden omdat de heer [A] wegens vakantie verhinderd zou zijn. Een andere reden dan de eerder door u genoemde. Het betreft de 3e uitnodiging, de dossiers zijn naar mijn mening wel compleet en de heer [A] is geen belanghebbende of gemachtigde. Het verhinderd zijn van de heer [A] acht ik in casu geen gegronde reden voor het afzeggen van het hoorgesprek. Ik heb dan ook besloten uw afzegging te beschouwen als het afzien van het recht gehoord te worden en deze dossiers zonder hoorgesprek af te wikkelen. […]” 9. Met dagtekening 25 juli 2019 heeft verweerder uitspraak op bezwaar gedaan, waarbij de bezwaren ongegrond zijn verklaard. Geschil 10. Tussen partijen zijn de antwoorden op de volgende vragen is geschil: - Heeft verweerder in de bezwaarfase het hoorrecht van eiseres geschonden? - Op wie rust de bewijslast? - Is sprake van een schending van het Unierecht, omdat het tijdstip van het voldoen van belasting bij een geïmporteerde voertuig op een vroeger tijdstip dient plaats te vinden dan bij een binnenlands voertuig? Heeft eiseres, vanwege deze schending van het Unierecht, recht op een (extra) leeftijdskorting? - Is sprake van een schending van het Unierecht, omdat de wijziging van de CO2 meetmethode leidt tot verschillende heffingsmodaliteiten voor binnenlandse en buitenlandse voertuigen? - Is de auto terecht als zijnde een ex-rental aangemerkt? - Kan de te verlenen teruggave intern gecompenseerd worden? - Heeft eiseres recht op een rentevergoeding, vanwege de vooruitbetaling van de belasting? - Heeft eiseres recht op een rentevergoeding over een teruggave van de geheven belasting? - Is van eiseres terecht en naar het juiste bedrag griffierecht geheven? - Heeft eiseres recht op een rentevergoeding over het geheven griffierecht? - Heeft eiseres recht op immateriële schadevergoeding, wegens overschrijding van de redelijke termijn? - Heeft eiseres recht op een (integrale) proceskostenvergoeding? 11. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken. Beoordeling van het geschil Europees recht 12. Eiseres heeft ter onderbouwing van haar grieven veelvuldig een beroep gedaan op het Europees recht, met name op artikel 110 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU). Zij heeft daarbij het standpunt ingenomen dat het de nationale rechter niet vrijstaat een uitleg te geven aan het Unierecht zonder daaromtrent prejudiciële vragen voor te leggen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ EU). Dit geldt in de optiek van eiseres evenzeer indien sprake is van een zogenaamde ‘acte claire’. De rechtbank onderschrijft dit standpunt van eiseres niet. Een verplichting tot het stellen van prejudiciële vragen geldt ingevolge artikel 267 van het VWEU slechts voor het gerecht dat in hoogste instantie rechtspreekt, zoals ook blijkt uit het door eiseres genoemde arrest Cilfit (283/81). Een dergelijke verplichting geldt in beginsel niet voor de gerechtelijke instanties op lagere niveaus. De daarop geldende uitzondering, neergelegd in het arrest Foto-Frost (314/85) ziet op de situatie waarin de verwijzende rechter van oordeel is dat een handeling van een Europese instelling nietig is. Die situatie doet zich hier niet voor. 13. Het vorenstaande betekent dat de rechtbank in het hierna volgende per grief zal beoordelen of er aanleiding bestaat prejudiciële vragen te stellen aan het HvJ EU. De rechtbank zal daarbij ook meewegen of sprake is van een ‘acte claire’, dit wil zeggen een situatie waarin de betreffende Europeesrechtelijke bepaling dusdanig helder is geformuleerd dat redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan over de uitleg of het toepassingsbereik van die bepaling. Voor de visie van eiseres dat ook in geval van een ‘acte claire’ het stellen van prejudiciële vragen geïndiceerd kan zijn ziet de rechtbank geen aanknopingspunten. Evenmin volgt de rechtbank eiseres in haar stelling dat reeds de vraag of sprake is van een rechtsvraag die zich leent voor het stellen van prejudiciële vragen aan het HvJ EU er toe dient te leiden dat deze vragen moeten worden gesteld. Heeft verweerder in de bezwaarfase het hoorrecht van eiseres geschonden? 14. Eiseres stelt dat verweerder het hoorrecht van eiseres heeft geschonden. Verweerder heeft gesteld dat van een schending van het hoorrecht geen sprake is, omdat eiseres driemaal is uitgenodigd voor een hoorgesprek en voorts op het laatst geplande hoorgesprek van 7 mei 2019 eiseres, de gemachtigde van eiseres, dan wel [D] , niet zijn verschenen en dit niet te wijten is aan verweerder. 15. Blijkens de overgelegde stukken, hetgeen ook vermeld is in de rechtsoverwegingen 2 tot en met 6, heeft verweerder de gemachtigde van eiseres voor de onderliggende zaken driemaal uitgenodigd voor een hoorgesprek, voor het laatst bij brief van 3 april 2019, voor een hoorgesprek op 7 mei 2019. Voorts heeft de gemachtigde van eiseres niet weersproken dat hij voor de periode van zijn weigering vanaf 1 mei 2019, op grond van het door hem verleende recht van substitutie, [D] heeft aangewezen als zijn vervanger. 16. Onder voormelde omstandigheden ziet de rechtbank geen reden voor het oordeel dat verweerder het recht te worden gehoord heeft geschonden door in deze zaak zonder hoorgesprek uitspraak op bezwaar te doen. Daartoe is redengevend dat eiseres het feitenrelaas niet heeft tegengesproken. De rechtbank stelt vast dat verweerder meermalen diverse data heeft voorgesteld voor een hoorgesprek. De gemachtigde van eiseres heeft telkens aangegeven dat deze data niet uitkomen, maar geen enkel voorstel heeft gedaan voor data waarop de gemachtigde wel aanwezig zou kunnen zijn. Voor zover eiseres stelt dat verweerder de hoorplicht heeft geschonden, omdat verweerder geen kentekengegevens voorafgaand aan het horen heeft verstrekt, dan wel geen blijk heeft gegeven deze gegevens beschikbaar te willen stellen ten tijde van het horen, kan dit standpunt van eiseres niet slagen. Immers heeft eiseres niet het door verweerder ter zitting gestelde betwist dat in de door eiseres gedane aangiften is vermeld dat zij de aanvrager van het kenteken bij de RDW is en zij de tenaamstelling regelt, zodat ervan mag worden uitgegaan dat de eerste registratie op haar naam heeft plaatsgevonden. Aannemelijk is derhalve dat eiseres op de hoogte was dan wel kon zijn van de afgegeven kentekens. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder uit de gedragingen van de gemachtigde kunnen afleiden dat het aan feitelijke bereidheid om te worden gehoord, ontbrak (zie ook Hof Amsterdam, 17 december 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:3842). Voorts deelt de rechtbank het standpunt van verweerder dat het niet aanwezig zijn van [A] bij het hoorgesprek geen gegronde reden is om het hoorgesprek af te zeggen, gelet op het feit dat [A] geen belanghebbende of gemachtigde is. Omdat ook verder over de waardering van de in dit geval van belang zijnde feiten tussen partijen geen verschil van mening bestaat, kan aan verweerder dan ook niet worden tegengeworpen dat hij uitspraak op bezwaar heeft gedaan zonder de gemachtigde te horen. Op wie rust de bewijslast? 17. Eiseres heeft gesteld dat, wanneer in geschil is of een belasting wordt geheven in strijd met de bepalingen van het Unierecht, dan op verweerder de bewijslast rust om aannemelijk te maken dat geïmporteerde voertuigen en binnenlandse voertuigen op gelijke wijze worden belast. Verweerder heeft dit weersproken en heeft gesteld dat, indien eiseres een beroep doet op een vermindering van de geheven belasting, de bewijslast bij eiseres ligt. 18. De rechtbank merkt, in algemene zin, op dat uit de arresten van de Hoge Raad van 12 mei 2017 (ECLI:NL:HR:2017:847) en 17 januari 2020 (ECLI:NL:HR:2020:296) volgt dat op de belastingplichtige die zich beroept op een vermindering van de door hem op aangifte voldane BPM, de plicht rust om feiten te stellen, en bij betwisting aannemelijk te maken, die kunnen leiden tot een vermindering van de verschuldigde belasting. Indien eiseres er in is geslaagd dergelijke feiten aannemelijk te maken is het vervolgens aan verweerder om aan te tonen dat – die feiten in aanmerking genomen - de geheven belasting niet in strijd is met de in artikel 110 VWEU. De heffing op geïmporteerde gebruikte auto’s mag, al dan niet rechtstreeks, niet tot een hogere binnenlandse belasting leiden dan welke van gelijksoortige nationale producten wordt geheven en de import van dergelijke auto’s mag niet onderworpen zijn aan een zodanige binnenlandse belasting, dat daardoor andere producties zijdelings worden beschermd. De rechtbank wijst in dit verband op het arrest van de Hoge Raad van 15 november 2019; ECLI:NL:HR:2019:1783. Is sprake van een schending van het Unierecht, omdat het tijdstip van belasting van de belasting bij een geïmporteerde voertuig anders is dan bij een binnenlands voertuig? 19. Eiseres heeft gesteld dat sprake is een relevant verschil in heffingsmodaliteiten, nu zij de verschuldigde belasting reeds bij het doen van de aangifte BPM dient te voldoen, terwijl voor een binnenlands voertuig de restantbelasting, die nog drukt op soortgelijke binnenlandse gebruikte voertuigen, eerst wordt voldaan bij de voltooiing van de registratie in het kentekenregister (de tenaamstelling). Verweerder betwist dat er een verschil in heffingsmodaliteiten bestaat. 20. Voor de beantwoording van de vraag verwijst de rechtbank naar hetgeen de rechtbank Gelderland heeft overwogen in de uitspraak van 29 mei 2019, ECLI:NL:RBGEL:2019:2376: “15. De rechtbank overweegt dat het feit dat registratie ná aangifte plaatsvindt niet primair voortvloeit uit de Wet BPM en dus als uitgangspunt niet bij de fiscale beoordeling hoort (vergelijk Rechtbank Gelderland 12 maart 2019, ECLI:NL:RBGEL:2019:1050). Als de BPM niet wordt betaald, wordt het kenteken voor de auto niet verstrekt. Een afwijzing van de verstrekking van het kenteken is niet een beslissing die vatbaar is voor beroep bij de belastingrechter. De rechtbank zal er veronderstellenderwijs van uitgaan dat eiseres het oog heeft op artikel 6, tweede lid, van de Wet BPM. Deze regeling is naar het oordeel van de rechtbank echter niet in strijd met het Unierecht. Daarbij is van belang dat er standaard (op basis van goedkeurend beleid in het Kaderbesluit BPM, nr. 2017/1135M) rekening wordt gehouden met een termijn van vijf werkdagen tussen de aangifte en registratie. De rechtbank acht het aannemelijk dat in het merendeel van de gevallen die termijn genoeg is om de registratie af te ronden. Voor zover dat in het individuele geval niet lukt, bestaat recht op leeftijdskorting. Weliswaar dient verweerder te waken dat te veel wordt geheven en dient verweerder dus in voorkomend geval deze leeftijdskorting toe te passen, maar dat staat er naar het oordeel van de rechtbank niet aan in de weg dat bepaald kan worden dat de belastingplichtige de informatie moet verstrekken die leidt tot de conclusie dat er te veel is geheven (vergelijk de arresten van de Hoge Raad van 12 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:847, en 21 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1695).” De rechtbank volgt de rechtbank Gelderland in de conclusie dat de tenaamstelling en het moment daarvan geen onderdeel uitmaakt van de heffing of enig daarmee verband houdend voorschrift. Ook ziet de rechtbank geen zodanig verband dat in die gevallen waarin sprake is van een tijdsverloop van meer dan vijf dagen gesproken kan worden van een niet-rechtstreekse belemmering die wordt veroorzaakt door de wijze van heffen. Dit betekent tevens dat ook indien met eiseres moet worden geoordeeld dat de kentekengegevens van de geïmporteerde auto’s, waarvan de hoogte van de verschuldigde BPM in geschil is, in die belastingprocedure tot de stukken van het geding behoren, het enkele feit dat die gegevens niet of niet-tijdig zijn overgelegd nog niet met zich brengt dat eiseres in haar processuele belangen is geschaad en dat teveel BPM is betaald. Die conclusie is eerst gerechtvaardigd indien aannemelijk is geworden dat het langere tijdsverloop zijn oorzaak vindt in een handelen of nalaten van verweerder. De rechtbank wijst in dit verband op hetgeen door verweerder ter zitting is gesteld, namelijk dat in de door eiseres gedane aangiften is vermeld dat zij de aanvrager van het kenteken bij de RDW zij de tenaamstelling regelt en de verschuldigde BPM heeft voldaan, zodat ervan mag worden uitgegaan dat de eerste registratie op haar naam heeft plaatsgevonden. Eiseres heeft dit niet, dan wel onvoldoende betwist, zodat de rechtbank het aannemelijk acht dat eiseres op de hoogte was dan wel kon zijn van de afgegeven kentekens. Voorts acht de rechtbank het dan ook niet aannemelijk dat eiseres door het niet of niet tijdig overleggen van de kentekengegevens in haar processuele belangen is geschaad en dat teveel BPM is betaald. 21. De rechtbank acht bovenstaand oordeel in lijn met de Unierechtelijke jurisprudentie, zodat het voor het doen van uitspraak niet noodzakelijk is op dit punt het HvJ EU te verzoeken prejudiciële vragen te beantwoorden met betrekking tot de door eiseres opgeworpen rechtsvraag. Is sprake van een schending van het Unierecht, omdat de wijziging van de CO2 meetmethode leidt tot verschillende heffingsmodaliteiten voor binnenlandse en buitenlandse voertuigen? 22. Eiseres heeft betoogd dat de wijzigingen in de wijze waarop de CO2-meting van de auto wordt berekend leidt tot een te betalen bedrag aan BPM dat hoger is dan de BPM die is geheven bij gelijksoortige auto’s minus de afschrijving van de auto overeenkomstig het taxatierapport. Dit leidt volgens eiseres tot een op grond van artikel 110 VWEU verboden belastingheffing. De rechtbank begrijpt deze grief zo dat ten aanzien van de auto’s waarbij de datum eerste toelating is gelegen voor 1 september 2017 mogelijk te veel belasting is geheven en dat de betreffende uitspraak op bezwaar niet in stand kan blijven en dat de verschuldigde belasting in dat specifieke geval dient te worden verminderd. 23. De rechtbank stelt bij de beoordeling van deze grief voorop dat het aan de wetgever is belastingwetten vast te stellen en dat het hem daarbij vrij staat een tarief te bepalen dat hij geëigend acht. Dit uitgangspunt dient echter te wijken indien het gekozen tarief strijdig is met een eenieder verbindende verdragsbepaling, waaronder artikel 110 van het VWEU, waarop eiseres zich beroept. Dit artikel verbiedt de lidstaten op producten van andere lidstaten een hogere binnenlandse belasting te heffen dan wordt geheven op gelijksoortige nationale producten. Onder nationale producten moeten worden verstaan de producten die in deze lidstaat in de handel zijn gebracht en zich aldus in die lidstaat op de (handels)markt bevinden. Het artikel staat er niet aan in de weg dat een lidstaat een registratiebelasting heft voor uit een andere lidstaat afkomstige personenauto’s indien het vrije verkeer van goederen tussen de lidstaten voldoende is verzekerd, doordat die belasting volstrekt neutraal is ten aanzien van de mededinging tussen producten die zich al op de binnenlandse markt bevinden en producten die vanuit andere lidstaten worden binnengebracht. Deze volstrekte neutraliteit van de binnenlandse belastingen vereist dus dat de BPM zo wordt geheven dat deze de handel in nationale gebruikte voertuigen op de binnenlandse markt niet begunstigt, waardoor het binnenbrengen van gelijksoortige gebruikte voertuigen zou worden ontmoedigd. 24. De bewijslast dat aan deze voorwaarde is voldaan berust bij verweerder (Hoge Raad 15 november 2019; ECLI:NL:HR:2019:1783). 25. De wijziging in de wijze waarop de CO2-uitstoot werd gemeten en de daarop van toepassing zijnde (overgangs-)bepalingen in de Wet BPM luiden als volgt:Ten behoeve van de Europese typegoedkeuring (ETG) worden vanaf 1 september 2017 alle nieuwe automodellen gemeten volgens de WLTP-testmethode. Met ingang van 1 september 2018 worden ook alle bestaande automodellen ten behoeve van de ETG gemeten volgens de WLTP-testmethode. Per 1 september 2019 geldt de zogenaamde ‘restantvoorraadregeling’ die inhoudt dat alle personenauto’s die voor 1 september 2018 zijn geproduceerd en nog volgens NEDC zijn gemeten nog op basis daarvan mogen worden geregistreerd. Voor de Nederlandse heffing van BPM gelden in deze tijdvakken de volgende regelingen: Tot 1 september 2019 wordt voor de registratie van NEDC gekeurde auto’s geheven op basis van de NEDC-waarde. Voor auto’s die reeds aan de hand van de WLTP-methode waren gekeurd werd geheven op basis van een teruggerekende WLTP-waarde, NEDC 2.0 genoemd. Deze NEDC 2.0 waarde is voorts tot 1 juli 2020 aan alle BPM-berekeningen ten grondslag gelegd. Na 1 juli 2020 wordt uitsluitend geheven op basis van de WLTP-waarde. 26. Verweerder heeft op drie momenten een invulling gegeven aan de op hem rustende bewijslast. In zijn aanvullende verweerschrift van 27 augustus 2020 heeft hij met betrekking tot deze grief het standpunt ingenomen, dat de door eiseres aangedragen voorbeelden betrekking hebben op niet-vergelijkbare auto’s. Ook heeft verweerder betoogd dat een vergelijking van auto’s op verschillende heffingsmomenten reeds door de wijziging in de meetmethode onmogelijk is. Hij verwijst in dat verband tevens naar de reactie van de staatssecretaris op de door eiseres aangehaalde onderzoeksresultaten. De rechtbank acht deze toelichting ontoereikend, nu verweerder hiermee slechts reageert op de door eiseres voorgestane vergelijking, maar zich onvoldoende rekenschap geeft van de op haar rustende bewijslast. De rechtbank tekent daarbij aan dat de Staatssecretaris ook geen inzicht verschaft in de fiscale positie van geïmporteerde gebruikte auto’s in verhouding tot auto’s die reeds langer tot de Nederlandse markt behoren. In zijn pleitnota van 10 december 2020 heeft verweerder het volgende opgemerkt: “Op deze plaats belicht ik dat de WLTP meetmethode geldt vanaf september 2017 voor alle autofabrikanten binnen de EU voor alle nieuw te produceren auto's waarvoor een ETG (typegoedkeuring) wordt afgegeven/aangevraagd. Gedurende de overgangsperiode moet door de fabrikant ook nog de NEDC-waarde worden vastgesteld. Die is de NEDC2 waarde. Deze waarde wordt met een zogenaamde correlatietool, de CO2MPAS berekend en is een afgeleide van de WLTP. Indien in (bijv.) Duitsland auto’s op een eerder moment met de WLTP-waarde zijn geregistreerd dan moet er van dat voertuig ook een NEDC2 waarde bekend zijn waarmee het (soortgelijke) referentievoertuig in Nederland reeds is geregistreerd. Ergo, de nieuw te registreren auto van gelijke datum eerste toelating (DET) wordt dan in Nederland tegen diezelfde CO2 waarde geregistreerd.” 27. Ook heeft verweerder verwezen naar een door de Kennisgroep Auto opgestelde standaardreactie op de door de gemachtigde in dit kader aangevoerde algemene grief. Ook hiermee geeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende invulling aan de op hem rustende bewijslast. De besproken mogelijke verschillen met een in Duitsland aan een keuring onderworpen auto die verschilt van de op het moment van de keuring in Nederland aanwezig voertuig betreft immers slechts de aan de op het – in alle lidstaten gelijke - moment van de typegoedkeuring te bepalen uitstoothoeveelheid. Een mogelijk toereikende correctiemethode om de ongewenste effecten van verschillende meetmethodes bij de toelating van een bepaald type auto op de weg, weg te nemen is niet per definitie ook voldoende om de conclusie te rechtvaardigen dat daarmee ook de voor de heffing van een registratiebelasting waarbij de meting op de Datum Eerste Toelating van een auto, die bij geïmporteerde gebruikte auto’s niet gelijk is, relevant is, geen verboden onderscheid optreedt ten nadele van geïmporteerde auto’s. De stukken die afkomstig zijn van de Kennisgroep Auto bieden onvoldoende onderbouwing voor het door verweerder ingenomen standpunt. 28. Ook in zijn pleitnota bij de zitting van 19 februari 2021 heeft verweerder weersproken dat sprake is van verschillende heffingsmodaliteiten voor binnenlandse en buitenlandse voertuigen. Verweerder heeft in dit verband benadrukt dat voor alle, uit andere lidstaten afkomstige voertuigen met een zogenaamde ‘Datum Eerste Toelating’ tot 1 juli 2020, geldt, dat bij registratie in NL tot en met 30 juni 2020 de BPM wordt berekend naar een NEDC-waarde al dan niet herleid vanuit de WLTP waarde. Ook heeft verweerder gewezen op artikel VI van het voorstel van Wet tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Overige fiscale maatregelen 2020), waar de wijzigingen in de Wet BPM zijn opgenomen en het daarbij behorende onderdeel 14 van de Memorie van Toelichting. Volgens verweerder volgt uit de uitleg bij deze wetswijziging dat er geen sprake is van heffing volgens verschillende modaliteiten. De rechtbank volgt verweerder hierin niet. In de Memorie van Toelichting is immers ook uitsluitend ingegaan op de BPM-heffing bij nieuwe auto’s, maar is geen aandacht besteed aan de heffing bij de import van gebruikte auto’s. Ook het feit dat de herleiding van de gemeten WLTP-waarde van een auto naar een voor de BPM-heffing te gebruiken NEDC-waarde berust op een in EU-verband tot stand gekomen omrekenmethode, Co2mpas, rechtvaardigt verweerders conclusie niet. Deze methode is immers overeengekomen als overgangsregeling bij de strengere uitstootvoorwaarden van nieuw toe te laten modellen en aldus evenmin vastgesteld met het oog op de handel in tweedehands voertuigen met een gelijke Datum Eerste Toelating in verschillende lidstaten. De keuze van de Nederlandse wetgever om deze overgangsregeling van overeenkomstige toepassing te verklaren bij de bepaling van de hoogte van de heffing van een registratiebelasting waarvan geen pendant bestaat in een andere lidstaat sluit een schending van artikel 110 VWEU dan ook niet uit. In dit verband wijst de rechtbank ook op de brief van de Staatsecretaris aan de Tweede Kamer van 19 oktober 2018 (kenmerk: 2018-0000177042) waarin hij aangeeft dat de omrekening aan de hand van Co2mpas zo is opgesteld dat ‘het in beginsel leidt tot dezelfde CO2-uitstoot als dit voertuig zou zijn getest overeenkomstig de NEDC’. Het gekozen wettelijk systeem leidt er dan ook toe dat de ‘historische BPM’ voor een nieuw geregistreerde auto voor 1 september 2017 ook met inachtneming van de gebruikelijke waardedaling door afschrijving een ander - en in veel gevallen lager - bedrag aan BPM laat zien dan de belasting die wordt geheven voor identieke auto die voor 1 september 2017 in een andere lidstaat is geregistreerd en eerst in 2018 in gebruikte staat in Nederland is geïmporteerd. 29. Gelet op het vorenstaande is verweerder niet in zijn bewijs geslaagd. Bij de huidige stand van de regelgeving is immers besloten om ook andere criteria (met name CO2-uitstoot) een rol te laten spelen dan alleen de historische BPM. Dat leidt in een aantal gevallen tot een hoger bedrag aan BPM voor een geïmporteerde auto dan het bedrag dat betaald is voor de auto die reeds bij eerste toelating in Nederland is geregistreerd en daarmee tot begunstiging van de handel in nationale gebruikte voertuigen op de binnenlandse markt. Strijd met het VWEU zou weliswaar kunnen worden ondervangen met toepassing van artikel 10b, eerste lid, Wet BPM, waarbij de overgang van NEDC 1.0 via NEDC 2.0 naar WLTP wordt aangemerkt als een gewijzigde maatstaf van heffing, maar dat ondervangen gebeurt in de praktijk niet. Ook is geen invulling gegeven aan de mogelijkheid van artikel 10b, tweede lid, Wet BPM om uitvoeringsregels te stellen op dit punt. 30. Dat aan het door eiseres in het geding gebrachte door KPMG opgestelde rapport niet de directe conclusie is te ontlenen dat de regeling in enige periode een verboden discriminatie van geïmporteerde gebruikte auto’s ten opzichte van als nieuw in Nederland geregistreerde auto’s heeft veroorzaakt doet daaraan, gelet op de bewijslastverdeling, niet af. Voorts blijkt wel uit het rapport dat de invoering van de WLTP als belastinggrondslag heeft geleid tot een toegenomen belastingopbrengst. Eveneens blijkt uit een in het rapport gemaakte vergelijking van 690 vergelijkbare voertuigen dat sprake is van een zogenaamd ‘WLTP-effect’, inhoudende dat gemiddeld genomen circa 28 à 29 gram per kilometer meer wordt gemeten dan bij het gebruik van de oude NEDC-waarde (NEDC 1.0), terwijl eerder een NEDC 2.0-effect zou optreden ter grootte van gemiddeld 7 tot 7,5 gram per kilometer. Ook het door partijen ter zitting genoemde rapport van TNO, opgesteld op verzoek van de minister van Financiën, laat een verschil in CO2-uitstoot zien tussen de NEDC 1.0 en NEDC 2.0 van gemiddeld 5,8 gram. Dat aldus in een aantal gevallen een verboden discriminatie optreedt acht de rechtbank dan ook zonder meer aannemelijk. 31. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de op aangifte voldane belasting mogelijk te hoog is geweest met betrekking tot de auto met een Datum Eerste Toelating op een tijdstip waarop de CO2-uitstoot op een andere wijze werd gemeten dan bij de aangifte bij invoer. De door eiseres aangedragen grief slaagt daarom. Echter eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt met hoeveel gram per kilometer aan CO2-uitstoot rekening gehouden dient te worden, dan wel wat deze verboden discriminatie tot gevolg heeft voor de verschuldigde BPM in het onderhavige geval. Gelet op de uitkomst van zowel het KPMG-rapport (verschil van 7 tot 7,5 gram per kilometer) als het rapport van TNO (verschil 5,8 gram per kilometer), bepaalt de rechtbank in goede justitie dat de CO2-uitstoot met 6 gram per kilometer verlaagd dient te worden. 32. Gelet op onderstaande berekening betreft de teruggave BPM ter zake van deze auto € 2.242 (€ 7.881 - € 5.639). HAA 19/3551 Volgens aangifte Verlaging CO2 met 6 gram per kilometer CO2 ((CO²-uitstoot 158 - 155 gr/
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.