← Nederland

ECLI:NL:RBNHO:2021:7003

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Handel, Kanton en Insolventie locatie Haarlem Zaaknr./rolnr.: 7838509 \ CV FORM 19-8294 Uitspraakdatum: 18 augustus 2021 Beschikking van de kantonrechter in de zaak van: 1 [passagier sub 1]

  1. [passagier sub 2] beiden pro se en in hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordigers voor hun minderjarige kinderen [minderjarige 1] [minderjarige 2] en [minderjarige 3] allen wonende te [woonplaats]
  2. [passagier sub 3] wonende te [woonplaats]
  3. [passagier sub 4] wonende te [woonplaats] verzoekende partij verder te noemen: de passagiers gemachtigde: mr. I.G.B. Maertzdorff en mr. M.J.R. Hannink (EUclaim B.V.) tegen de rechtspersoon naar buitenlands recht Air Canada statutair gevestigd te Saint-Laurent (Canada) verwerende partij verder te noemen: de vervoerder gemachtigde: P. Frühling 1Het procesverloop Dit verloop blijkt uit: de tussenbeschikking van 3 maart 2021; de akte van de passagiers van 28 april 2021; de antwoordakte van de vervoerder van 23 juni
  4. 2De verdere beoordeling 2.
  5. De passagiers betogen dat de onderhavige zaak binnen het toepassingsbereik van de EPGV valt. Zij hebben in dit verband gewezen op de beschikking van deze rechtbank van 22 augustus 2018 (ECLI:NL:RBNHO:2018:7425). Net als in die beschikking, stelt de kantonrechter vast dat ook in de onderhavige zaak de Nederlandse rechter, meer in het bijzonder de kantonrechter te Haarlem, bevoegd is van het geschil kennis te nemen. In de beschikking van 2018 is de kantonrechter er (impliciet) vanuit gegaan dat de EGPV van toepassing was. Daarbij is aangenomen dat de vervoerder woonplaats had in België, zoals in de kop van die beschikking is vermeld. In de onderhavige zaak is echter niet in geschil dat de statutaire zetel van de vervoerder in Canada is gelegen. De passagiers hebben opgemerkt dat de vervoerder tevens kantoor houdt in Duitsland, maar zij hebben niet onderbouwd dat de vervoerder een statutaire zetel, hoofdbestuur of hoofdvestiging heeft in Duitsland dan wel een andere lidstaat, zoals bedoeld in artikel 3 lid 2 EPGV, in samenhang met artikel 63 van de Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken. De passagiers hebben daarnaast gesteld dat de EPGV van toepassing is, omdat de vervoerder woonplaats heeft gekozen op het kantoor (te Brussel) van zijn gemachtigde. Zoals ook de vervoerder heeft opgemerkt, oordeelt de kantonrechter dat deze domiciliekeuze van de vervoerder de passagiers niet kan baten, gelet op artikel 3 lid 3 van de EPGV. 2.
  6. Van een grensoverschrijdende zaak zoals bedoeld in artikel 3 EPGV is gelet op het voorgaande geen sprake. Nu de passagiers het verzoek niet hebben ingetrokken, zal de kantonrechter bepalen dat de procedure conform artikel 4 lid 3 Uitvoeringswet en artikel 69 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) wordt voortgezet in de stand waarin zij zich bevindt, volgens de regels van de dagvaardingsprocedure. Daarom zal een dag worden bepaald waarop de zaak op de rol zal komen voor het wijzen van vonnis. 2.
  7. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden. 3De beslissing De kantonrechter: 3.
  8. bepaalt dat de procedure dient te worden voortgezet volgens de regels die gelden voor de dagvaardingsprocedure; 3.
  9. bepaalt dat de zaak op de rol zal komen van 15 september 2021 voor vonnis; 3.
  10. houdt iedere verdere beslissing aan. Deze beschikking is gegeven door mr. S.N. Schipper, kantonrechter, en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier. De griffier De kantonrechter

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.