RECHTBANK NOORD-HOLLAND Handel, Kanton en Insolventie locatie Haarlem Zaaknr./rolnr.: 8537939 \ CV FORM 20-4481 Uitspraakdatum: 8 september 2021 Beschikking van de kantonrechter in de zaak van: 1 [passagier sub 1] pro se en in hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger voor zijn minderjarige kind [minderjarige] wonende te [woonplaats 1] 2. [passagier sub 2] 3. [passagier sub 3] beiden wonende te [woonplaats 2] (Verenigde Staten) verzoekende partij verder te noemen: de passagiers gemachtigde: mr. I.G.B. Maertzdorff tegen de vennootschap naar buitenlands recht Aegean Airlines SA – H.Q. gevestigd te Kifissia (Griekenland) verwerende partij verder te noemen: de vervoerder gemachtigde: mr. R.P. Verbeek en mr. J.J. Croon 1Het procesverloop Dit verloop blijkt uit: het vorderingsformulier (formulier A), ingekomen ter griffie op 18 mei 2020; het antwoordformulier (formulier C), ingekomen ter griffie op 22 december 2020. 2De feiten 2.1. Passagier sub 1 en zijn minderjarige kind hebben met de vervoerder een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan de vervoerder deze passagiers diende te vervoeren van Amsterdam-Schiphol naar Eleftherios Venizelos International Airport (Athene, Griekenland) en aansluitend naar I. Kapodistrias Airport (Corfu, Griekenland) op 18 mei 2018. De geplande aankomsttijd op laatstgenoemde luchthaven was om 22:40 uur lokale tijd. 2.2. Passagiers sub 2 en 3 hebben met de vervoerder een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan de vervoerder deze passagiers diende te vervoeren van Amsterdam-Schiphol naar Eleftherios Venizelos International Airport en aansluitend naar Thira Airport (Santorini, Griekenland) op 18 mei 2018. De geplande aankomsttijd op laatstgenoemde luchthaven was om 22:35 uur lokale tijd. 2.3. De vlucht van Amsterdam naar Eleftherios Venizelos International Airport (met vluchtnummer A3627) is vertraagd uitgevoerd. De passagiers hebben hun aansluitende vlucht gemist en zijn omgeboekt naar vervangende vluchten. 2.4. Passagier sub 1 en zijn minderjarige kind zijn uiteindelijk op 19 mei 2018 om 10:50 uur lokale tijd (12 uur en 10 minuten later dan oorspronkelijk gepland) op hun eindbestemming aangekomen. Passagiers sub 2 en 3 zijn op 19 mei 2018 om 06:00 uur lokale tijd op hun eindbestemming aangekomen (7 uur en 25 minuten later dan oorspronkelijk gepland). 2.5. De passagiers hebben compensatie van de vervoerder verzocht in verband met voornoemde vertraging. 2.6. De vervoerder heeft geweigerd tot betaling over te gaan. 3Het verzoek en het verweer 3.1. De passagiers verzoeken de vervoerder te veroordelen tot betaling van: - € 1.600,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 mei 2018 tot aan de dag van betaling van de hoofdsom; - primair € 363,00 subsidiair € 290,40 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 27 juli 2018 tot aan de dag van betaling van de kosten;- de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 27 juli 2018 tot aan de dag van betaling van de kosten; - de nakosten. 3.2. De passagiers baseren het verzoek op de Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van de verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: de Verordening) en de daarop betrekking hebbende rechtspraak van het Europese Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagiers stellen dat de vervoerder vanwege de vertraging van de vlucht gehouden is compensatie te betalen conform artikel 7 van de Verordening tot een bedrag van € 400,00 per passagier. Daarnaast maken de passagiers aanspraak op betaling door de vervoerder van de buitengerechtelijke kosten en de wettelijke rente. 3.3. De vervoerder betwist de verschuldigdheid en de hoogte van het verzochte. Op het verweer wordt - voor zover relevant - bij de beoordeling van het geschil ingegaan. 4De beoordeling 4.1. De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat de Nederlandse rechter in deze zaak bevoegd is om van het verzoek kennis te nemen. 4.2. De vervoerder heeft in zijn verweerschrift allereerst een incident opgeworpen strekkende tot zekerheidsstelling voor proceskosten als bedoeld in artikel 224 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). De kantonrechter overweegt dat de passagiers met het indienen van het verzoekschrift een procedure zijn gestart als bedoeld in de Verordening 861/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 tot vaststelling van een Europese procedure voor geringe vorderingen (hierna: EPGV) en dat de onderhavige procedure ook onder het toepassingsbereik van deze verordening valt. De EPGV heeft als uitgangspunt een vereenvoudigde en snelle regeling van geringe grensoverschrijdende vorderingen. Gelet op deze strekking van de EPGV, zal de kantonrechter de passagiers niet eerst in de gelegenheid stellen om op de incidentele vordering van de vervoerder te reageren, nu deze vordering zal worden afgewezen. Daartoe wordt als volgt overwogen. Op grond van artikel 224 lid 2 sub a Rv is er geen verplichting tot het stellen van zekerheid indien dit voortvloeit uit een Verdrag of uit een EG-verordening. Vast staat de passagiers sub 2 en 3 woonplaats hebben in de VS. Dit heeft tot gevolg dat zij niet verplicht kunnen worden tot het stellen van zekerheid. Tussen Nederland en de VS geldt namelijk het op 27 maart 1956 gesloten Verdrag van Vriendschap, Handel en Scheepvaart, Trb. 1956, 40, (hierna: het Verdrag). Uit artikel V lid 1 van dit verdrag in verbinding met artikel 5 van het bij het verdrag behorend protocol vloeit voort dat onderdanen en vennootschappen van de Verenigde Staten in Nederland vrijgesteld zullen zijn van het storten van een waarborgsom voor proceskosten. De incidentele vordering is daarom niet toewijsbaar. 4.3. Ten aanzien van passagier sub 1 wordt als volgt overwogen. Voor zover passagier sub 1 in deze procedure namens zijn minderjarige kind als wettelijk vertegenwoordiger optreedt, dient hij te beschikken over een machtiging van de kantonrechter als bedoeld in artikel 1:253k in verbinding met artikel 1:349 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Een dergelijke machtiging is niet overgelegd. De kantonrechter zal daarom passagier sub 1 in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van zijn minderjarige kind niet ontvankelijk verklaren in zijn verzoek. Ten aanzien van het verzoek van passagiers sub 1 pro se en passagiers 2 en 3, overweegt de kantonrechter als volgt. 4.4. Vast staat dat de passagiers met een vertraging van meer dan drie uur zijn aangekomen op de eindbestemming, zodat de vervoerder in beginsel gehouden is de compensatie als bedoeld in de Verordening te voldoen. Dit is anders indien de vervoerder kan aantonen dat de vertraging het gevolg is van buitengewone omstandigheden als bedoeld in artikel 5 lid 3 van de Verordening. 4.5. In punt 15 van de considerans staat dat omstandigheden als bedoeld in artikel 5 lid 3 van de Verordening zich onder meer kunnen voordoen wanneer een besluit van de luchtverkeersleiding voor een specifiek toestel op een specifieke dag een langdurige vertraging, een vertraging van een nacht of de annulering van één of meer vluchten van dat vliegtuig veroorzaakt. 4.6. De vervoerder heeft aangevoerd dat de vertraging is veroorzaakt door een drietal oorzaken, te weten een (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.