RECHTBANK NOORD-HOLLAND Handel, Kanton en Insolventie locatie Haarlem Zaaknr./rolnr.: 9144164 \ CV EXPL 21-2452 Uitspraakdatum: 15 september 2021 Vonnis van de kantonrechter in de zaak van: [eiseres] wonende te [woonplaats] eiseres in conventie gedaagde in reconventie verder te noemen: [eiseres] procederend in persoon tegen [gedaagde] wonende te [woonplaats] gedaagde in conventie eiser in reconventie verder te noemen: [gedaagde] gemachtigde: mr. M. Waal (ARAG Rechtsbijstand) 1De zaak in het kort In deze zaak vordert verhuurder ontbinding van de huurovereenkomst wegens wanprestatie van de huurder, namelijk het niet regelmatig/jaarlijks laten schoonmaken van de schoorsteen. De vordering wordt afgewezen, omdat het beroep van huurder op het gezag van gewijsde van een eerder vonnis over dezelfde kwestie slaagt. De tegenvorderingen van huurder worden gedeeltelijk toegewezen. De verhoging van de dwangsom wordt gedeeltelijk toegewezen, omdat huurder voldoende heeft onderbouwd dat de eerder opgelegde dwangsom geen effect heeft. De vordering tot vervanging van de cv-ketel wordt afgewezen, omdat huurder niet heeft voldaan aan de in het vonnis van 26 juni 2019 genoemde voorwaarde van onderbouwing. De vorderingen om verklaringen voor recht af te geven met betrekking tot het verrichten van onderhoud aan de cv-ketel en de kosten daarvan, worden toegewezen, omdat dit onderhoud op grond van de wet voor rekening van verhuurder komt en daarvan in de huurovereenkomst niet kan worden afgeweken. 2Het procesverloop 2.1. [eiseres] heeft bij dagvaarding van 1 april 2021 een vordering tegen [gedaagde] ingesteld. [gedaagde] heeft schriftelijk geantwoord en daarbij een tegenvordering ingediend. 2.2. [eiseres] heeft hierop schriftelijk gereageerd, waarna [gedaagde] een schriftelijke reactie heeft gegeven. 2.3. Vervolgens is vonnis bepaald op heden. 3Feiten 3.1. [eiseres] is eigenaresse van de bovenwoning aan [adres] (hierna: de woning). 3.2. [gedaagde] huurt de woning met ingang van 1 maart 1999, eerst van de vader van [eiseres] en sinds juli 2006 van [eiseres] zelf (hierna: de huurovereenkomst). 3.3. De maandelijkse huur bedraagt per april 2021 € 419,22. 3.4. Artikel 11 lid 1 van de huurovereenkomst luidt: Huurder is verplicht het gehuurde (…) bij voortduring in goede staat van onderhoud te houden, de schoorstenen regelmatig voor zijn rekening te laten vegen (…). 3.5. Artikel 11 lid 5 van de huurovereenkomst luidt: De huurder is aansprakelijk voor het goed en vakkundig onderhoud en gebruik van de gehele verwarmings- en/of installatie, (…), waaronder begrepen het vernieuwen van radiatorkranen. 3.6. TOP Expertise heeft op 3 maart 2021 in opdracht van [gedaagde] een onderzoek uitgevoerd naar gebreken in de woning en haar bevindingen neergelegd in een ‘Rapport van Expertise’ van 2 april 2021 (hierna: het rapport). 3.7. Bij dagvaarding van 1 december 2018 heeft [eiseres] een vordering ingesteld tegen [gedaagde] . Onderdeel van die vordering was de stelling van [eiseres] dat [gedaagde] tekort zou zijn geschoten in de nakoming van de huurovereenkomst door geen onderhoud te laten uitvoeren aan CV-installatie en het haardkanaal in het gehuurde. [gedaagde] heeft zich in die procedure verweerd en een tegenvordering ingesteld. Bij vonnis van de kantonrechter van 26 juni 2019 (zaaknr./rolnr. 7411557 CV EXPL 18-11272) zijn alle vorderingen van [eiseres] afgewezen, is [eiseres] in de proceskosten veroordeeld en zijn de reconventionele vorderingen van [gedaagde] (gedeeltelijk) toegewezen. 3.8. Tegen het vonnis van 26 juni 2019 is geen hoger beroep ingesteld, zodat het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan. 4De vordering 4.1. [eiseres] vordert dat de kantonrechter, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de huurovereenkomst ontbindt op grond van artikel 11 lid 1 van de huurovereenkomst. Daarnaast vordert [eiseres] veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten. 4.2. Zij legt aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat [gedaagde] zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst tot het regelmatig/jaarlijks laten schoonmaken van de schoorsteen niet is nagekomen. 5Het verweer en de tegenvordering 5.1. [gedaagde] betwist de vordering. Hij voert aan dat [eiseres] niet ontvankelijk is en de vordering moet worden afgewezen. 5.2. [gedaagde] vordert bij wijze van tegenvordering dat de kantonrechter: de eerder opgelegde dwangsom bij het aanschrijven van [gedaagde] of gemachtigde van [gedaagde] verhoogt naar een bedrag van € 1.000,00 per keer, dan wel tot een in goede justitie te bepalen bedrag met een maximum van € 50.000,00; dat deze bedragen ook gelden ook wanneer [eiseres] een procedure start tegen [gedaagde] over een reeds eerder geschil waarover al een vonnis is gewezen; [eiseres] verplicht de cv-ketel vóór 1 september 2021, dan wel een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen datum, te laten vervangen voor een nieuwe cv-ketel van een zeer recent bouwjaar (2020 of 2021) waarbij de aanleg moet plaatsvinden door een erkend installateur en de keuze van de cv-ketel passend moet zijn bij de isolatievoorzieningen die op het moment van plaatsing aanwezig zijn op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag dat zij hiermee in gebreke blijft met een maximum van € 10.000,00; [eiseres] veroordeelt om over te gaan tot het herstellen van aanwezige gebreken in het gehuurde, binnen acht weken na vonnis, op straffe van een dwangsom van € 250,00 per dag dat zij hiermee in gebreke blijft met een maximum van € 50.000,00; De huur verlaagt tot een in goede justitie te bepalen bedrag met ingang van 20 november 2020 tot aan de dag van volledig herstel; [eiseres] veroordeelt tot terugbetaling van het vanaf 20 november 2020 tot datum vonnis teveel betaalde huur; voor recht verklaart dat de onderhoudskosten vanaf datum vonnis voor rekening van [eiseres] komen; voor recht verklaart dat als [eiseres] niet overgaat tot het (laten) uitvoeren van het onderhoud aan de cv-ketel, [gedaagde] na het sturen van een ingebrekestelling waarin [eiseres] een termijn van twee weken krijgt, [gedaagde] het onderzoek zelf mag (laten) uitvoeren en de kosten inhouden op de huur; [eiseres] veroordeelt tot betaling van de gemaakte expertisekosten van € 1.802,90; [eiseres] veroordeelt tot betaling van de wettelijke rente over het sub d en f gevorderde vanaf datum conclusie van antwoord tot aan de dag van volledige betaling; [eiseres] veroordeelt tot betaling van de proceskosten, waaronder begrepen het salaris voor gemachtigde; [eiseres] veroordeelt tot betaling van de nakosten te begroten op een half salarispunt met een maximum van € 100,00 met de bepaling dat indien deze kosten niet binnen twee weken na betekening van dit vonnis zijn betaald, [eiseres] daarover de wettelijke rente is verschuldigd vanaf dat moment tot aan de dag van algehele voldoening. 5.3. Hij legt aan de tegenvordering ten grondslag – kort weergegeven – dat: [eiseres] bij eerder vonnis is verboden om met [gedaagde] en zijn gemachtigde te corresponderen over het onderhoud van de huidige cv-installatie en het haardkanaal, maar de daarbij aan [eiseres] opgelegde dwangsom geen effect heeft; [eiseres] op grond van een eerdere rechterlijke uitspraak is verplicht de cv-ketel te vervangen; [eiseres] haar verplichting om op verlangen van de huurder gebreken aan de woning te verhelpen niet is nagekomen en het huurgenot van de woning als gevolg van de gebreken is verminderd; [gedaagde] heeft vermogensschade geleden door het moeten maken van de expertisekosten. 5.4. [eiseres] verzoekt de kantonrechter in haar antwoord in reconventie kennis te nemen van (letterlijk citaat): Onder nummer 7.4 van zaakrolnr.: 7411557 CV EXPL 18-11272 wordt [eiseres] veroordeeld tot het vervangen van de cv-installatie zodra [gedaagde] de noodzaak daarvan duidelijk heeft onderbouwd met een schriftelijke mededeling van de installateur die jaarlijks onderhoud aan de cv-installatie uitvoert (A) . Er is geen noodzaak voor ARAG voor het inschakelen van “TOP Expertise BV” Onder nummer 5.6 van zaakrolnr.: 8238231 CV EXPL 19-19732 “ [gedaagde] vordert in reconventie voorts dat het [eiseres] , op straffe van € 15.000,- per overtreding, wordt verboden om hem nogmaals in een juridische procedure te betrekken de betrekking heeft op feiten waarover de kantonrechter op 26 juni 2019 vonnis heeft gewezen. Hoewel [eiseres] hiertegen geen verweer heeft gevoerd althans de kantonrechter heeft zulks niet uit het betoog van [eiseres] kunnen opmaken), kan deze vordering niet worden toegewezen. De Grondwet garandeert in artikel 17 het recht op toegang tot de rechter en dat grondrecht kan niet met een verbod zoals door [gedaagde] wordt gevorderd, worden beperkt. De kantonrechter begrijpt dat het belastend is voor [gedaagde] om zich herhaaldelijk in rechte te moeten verweren tegen hetzelfde verwijt. Daarvoor staat hem echter een ander middel ten dienste, te weten het inroepen van het gezag van gewijsde, zoals in conventie gedaan. Als [gedaagde] bescherming wil tegen wat hij noemt intimiderend en inbreukmakend gedrag van de verhuurder, kan hij een daartoe strekkende vordering instellen, als dan niet met een dwangsom. Deze vordering is afgewezen.” (B 1) Op 10 februari 2014 heeft [gedaagde] geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid binnen acht weken na verzending van de uitspraak van de Huurcommissie een beslissing van de rechter te vorderen over het punt waarover de Huurcommissie om een uitspraak was verzocht (B 2) . Kern van de uitspraak: De woonruimte heeft op 1 juli 2013 geen gebreken die ernstig genoeg zijn om de huurprijs tijdelijk te verlagen. De huurprijs blijft € 230,25 per maand. Er is voor ARAG geen noodzaak tot inschakelen van “TOP Expertise BV” Tien geweigerde aangetekende brieven( binnen 2012 tot en met 2018) van verhuurder [eiseres] door huurder [gedaagde] . Voor Arag geen noodzaak tot inschakelen van “TOP Expertise BV” (C 1 t/m 10). Op 23 februari 2021 om 8:28 uur (D 1) schrijft TOP Expertise BV “In navolging van een opdracht van ARAG Rechtsbijstand om een onderzoek in te stellen naar mogelijk achterstallig onderhoud in en aan de woning gelegen aan [adres] …”. Antwoord op 23 februari 2021 om 10:13 uur (D 1) luidt: “Vandaag stuur ik u per aangetekende post, een per gewone en per aangetekende brief d.d. 27 januari 2021 (D 3) aan de heer [gedaagde] . Uit deze brief kunt u opmaken, dat ik als verhuurder, reeds jaren (sinds 2013!!) tracht een onderzoek in te stellen. Sinds 15 mei 2020 is hier correspondentie over gevoerd met de directie van Arag. Ook is mij geen enkele melding van de heer [gedaagde] bekend van mogelijk achterstallig onderhoud. Zo, ja, dan graag een kopie.” Op 2 april 2015 meldt de gemachtigde van [gedaagde] , dat hij op 13 maart 2015 kosten heeft gemaakt doordat hij werl met een aannemer aanwezig was …” (D 2). Hiermee vervalt de noodzaak voor ARAG om TOP Expertise BV een onderzoek in te laten stellen naar mogelijk achterstallig onderhoud in en aan de woning gelegen aan [adres] . 6De beoordeling de vordering 6.1. [eiseres] baseert haar vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst op het niet nakomen van de verplichting tot het regelmatig/jaarlijks laten schoonmaken van de schoorsteen. 6.2. Vast staat dat [eiseres] in de procedure die aan het vonnis van 26 juni 2019 voorafging, ontbinding van de huurovereenkomst vorderde, onder meer op grond van het niet regelmatig laten vegen van de schoorsteen, een vordering dus met (nagenoeg) gelijke grondslag en strekking. 6.3. [gedaagde] heeft als principaal verweer een beroep gedaan op het gezag van gewijsde van het vonnis van de kantonrechter van 26 juni 2019. Dit beroep slaagt nu tegen dit vonnis geen appel is ingesteld, zodat het in kracht van gewijsde is gegaan, en [eiseres] hetzelfde geschil in dezelfde rechtsbetrekking tussen dezelfde partijen in de onderhavige procedure nogmaals ter beoordeling heeft voorgelegd. Op grond van artikel 236 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) hebben de beslissingen in het vonnis van 26 juni 2019 bindende kracht tussen partijen. Eenmaal beslechte geschilpunten kunnen niet in een volgende procedure opnieuw ter discussie worden gesteld. De kantonrechter zal [eiseres] daarom niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering. 6.4. De proceskosten in conventie komen voor rekening van [eiseres] , omdat zij ongelijk krijgt. de tegenvordering 6.5. De kantonrechter merkt op dat het verweer van [eiseres] tegen de vordering in reconventie, dat hierboven in r.o. 5.4 letterlijk is weergegeven, bij woordelijke lezing tamelijk onbegrijpelijk is, temeer omdat [eiseres] niet of nauwelijks specificeert op welke manier de door haar aangehaalde citaten op haar verweer betrekking hebben. Voor zover de kantonrechter dit uit het verweer af kan leiden, neemt hij aan dat [eiseres] in sub A van haar verweer betwist dat de cv- installatie moet worden vervangen. Sub B van het verweer begrijpt de kantonrechter zo dat [eiseres] betwist dat [gedaagde] huurprijsvermindering kan vorderen. Het bij herhaling noemen dat er geen noodzaak is voor ARAG voor het inschakelen van TOP Expertise BV, begrijpt de kantonrechter zo dat [eiseres] betwist dat de woning gebreken in de zin van artikel 7:204 lid 2 BW heeft en [gedaagde] volgens [eiseres] geen (gegronde) reden heeft voor het laten opstellen van het rapport en dus (ook) de kosten daarvan niet in redelijkheid heeft gemaakt. Ten slotte citeert [eiseres] in sub D haar e-mail van 23 februari 2021 aan TOP Expertise BV, waarin staat dat ze met geen enkele melding van [gedaagde] van achterstallig onderhoud bekend is en om een kopie daarvan vraagt. Aangezien zij in het verweer zelf niet betwist dat zij de door [gedaagde] ingebrachte aangetekende brief van 20 november 2020 van de gemachtigde van [gedaagde] heeft ontvangen, wordt de ontvangst van deze brief als niet betwist beschouwd. Verhoging dwangsom 6.6. Bij eerder genoemd vonnis van 26 juni 2019 is [eiseres] in r.o. 7.5 het volgende verbod opgelegd: De kantonrechter: (…) verbiedt [eiseres] om met [gedaagde] en zijn gemachtigde te corresponderen over het onderhoud van de huidige cv-installatie en het haardkanaal, met uitzondering van de correspondentie waarin [eiseres] louter bevestigt de cv-installatie op haar kosten te vervangen, op straffe van een te verbeuren dwangsom van € 25,00 per bericht met een maximum van € 5.000,00, te verrekenen met de verschuldigde huur; 6.7. [gedaagde] vordert naast verhoging van de in genoemd vonnis van 26 juni 2019 opgelegde dwangsom - zo begrijpt de kantonrechter - dat de dwangsom ook moet gelden wanneer [eiseres] een procedure start tegen [gedaagde] over geschil waarover al een vonnis is gewezen. 6.8. Hoewel [eiseres] tegen deze vorderingen geen verweer heeft gevoerd (althans de kantonrechter heeft zulks niet uit het betoog van [eiseres] kunnen opmaken), kunnen deze vorderingen slechts gedeeltelijk worden toegewezen. 6.9. In een brief van 8 februari 2021 aan [gedaagde] schrijft [eiseres] onder meer: In reactie op mijn brief van 2 maart 2021, heb ik moeten constateren geen enkel verzoek van u voor het maken van een afspraak voor ondertekening voor ontvangst door mij van de originele factuur voor het schoorsteenvegen voor het jaar 2021, te hebben ontvangen. 6.10. In een brief van 24 april 2021 aan [gedaagde] schrijft [eiseres] onder meer: Bij deze stel ik u weer in de gelegenheid met mij een afspraak te maken voor het tekenen van ontvangst voor de originele factuur oor de verplichte jaarlijkse servicebeurt van de cv-installatie op de [adres] voor het jaar 2021. 6.11. De gemachtigde van [gedaagde] schrijft bij aangetekende brief op 13 april aan [eiseres] : De afgelopen periode heeft u meerdere brieven gestuurd aan [gedaagde] en/of aan mij als zijn gemachtigde te weten: (…) Cliënt zal derhalve bij betaling voor de maand mei 2021 een bedrag van € 325,00 (13 x € 25,00) inhouden op de maandhuur van € 419,22. Hij zal dus een betaling verrichten van € 94,22. 6.12. [eiseres] correspondeert in de e-mail respectievelijk brieven over het onderhoud van de cv-installatie en het haardkanaal en heeft daarmee het hiervoor in r.o. 6.6. geciteerde verbod overtreden. Nadat [eiseres] bij de hiervoor geciteerde brief van 13 april 2021 is gewezen op het feit dat [gedaagde] de dwangsom met de huur zal verrekenen, heeft [eiseres] nóg twee brieven aan [gedaagde] gestuurd. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [gedaagde] daarmee voldoende onderbouwd dat de eerder opgelegde dwangsom geen effect heeft. De gevorderde dwangsom van € 1.000,00 per bericht acht de kantonrechter echter niet in redelijke verhouding staan tot de overlast die een dergelijk bericht kan veroorzaken. De kantonrechter zal de vordering tot verhoging van de dwangsom daarom gedeeltelijk toewijzen, namelijk door de dwangsom te verhogen tot € 100,00 per bericht met een maximum van € 10.000,00. 6.13. De vordering om te bepalen dat de dwangsom ook geldt wanneer [eiseres] een procedure tegen [gedaagde] start over een geschil waarover al een vonnis is gewezen, kan niet worden toegewezen. Voor zover [gedaagde] al een verbod vordert (de kantonrechter heeft zulks niet uit het petitum van [gedaagde] kunnen opmaken), geldt dat de Grondwet in artikel 17 het recht op toegang tot de rechter garandeert, welk grondrecht niet met een verbod (of een dwangsom op overtreding van dat verbod) kan worden beperkt. Hoe belastend het ook voor [gedaagde] is om zich herhaaldelijk in rechte te moeten verweren tegen hetzelfde verwijt. Daarvoor staat hem een ander middel ten dienste, te weten het inroepen van het gezag van gewijsde, zoals [gedaagde] in conventie heeft gedaan. De vordering wordt dan ook afgewezen. Vervanging cv-ketel 6.14. De kantonrechter begrijpt het verweer van [eiseres] tegen vervanging van de cv-ketel zo dat zij een beroep doet op het feit dat [gedaagde] ‘de noodzaak daarvan niet duidelijk heeft onderbouwd met een schriftelijke mededeling van de installateur die jaarlijks onderhoud aan de cv-installatie uitvoert’. 6.15. In eerder genoemd vonnis van 26 juni 2019 is [eiseres] tot vervanging van de cv-ketel veroordeeld onder de voorwaarde van onderbouwing van de noodzaak daarvan met een schriftelijke mededeling van de installateur. Niet is gebleken dat [gedaagde] een dergelijke schriftelijke mededeling in het geding heeft gebracht. In het ingebrachte rapport - dat niet door een installateur, maar door TOP Expertise is opgesteld - staat vermeld: De levensduur van de cv-ketel bedraagt 10-15 jaar. De economische levensduur is inmiddels verstreken en de verwachting is dat de cv-ketel binnen een termijn van 5 jaar vervangen moet worden. 6.16. Uit het citaat van het rapport volgt dat de economische levensduur van de cv-ketel is verstreken, maar dat de verwachting is uitgesproken dat de cv-ketel binnen een termijn van 5 jaar vervangen moet worden. Daaruit blijkt dus niet de noodzaak om de cv-ketel op dit moment te vervangen. De vordering hiertoe zal dan ook worden afgewezen. Onderhoud en onderhoudskosten van de cv-ketel 6.17. [gedaagde] vordert een tweetal verklaringen voor recht met betrekking tot het verrichten van onderhoud aan de cv-ketel en de kosten van dat onderhoud. [gedaagde] stelt dat hij de cv-ketel op eigen kosten laat onderhouden, maar dat het onderhoud van de ketel voor rekening van [eiseres] dient te komen, omdat zij eigenaar van de ketel is. Hoewel [eiseres] deze vorderingen niet betwist, komt met een verklaring voor recht de rechtsverhouding tussen partijen onbetwistbaar vast te staan, zodat de kantonrechter deze vorderingen niet zonder een inhoudelijke toets kan toewijzen. 6.18. De kantonrechter overweegt dat hij het standpunt van [gedaagde] volgt dat de cv-ketel eigendom van [eiseres] is, maar om te kunnen bepalen voor wiens rekening de kosten van onderhoud zijn, dient naar de huurovereenkomst en de wet te worden gekeken. Op grond van artikel 11 lid 5 van de huurovereenkomst is [gedaagde] aansprakelijk voor het goed en vakkundig onderhoud van de gehele verwarmings- en/of warmwaterinstallatie. De huurovereenkomst is op dat punt ruimer geformuleerd dat waartoe een huurder op grond van artikel 7:240 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) en het Besluit kleine herstellingen verplicht is. De Bijlage bij het hiervoor bedoelde besluit schrijft in de (niet-limitatieve) opsomming sub i weliswaar voor dat het onderhouden en vervangen van onderdelen van technische installaties voor rekening van de huurder komt (waaronder in elk geval ontluchten en opnieuw opstarten na uitval van verwarmingsinstallaties), maar dat geldt alleen voor zover
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.