RECHTBANK NOORD-HOLLAND Team Straf, zittingsplaats Haarlem Meervoudige strafkamer Parketnummer: 13/085392-21 (P) Uitspraakdatum: 27 september 2021 Tegenspraak Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 13 september 2021 in de zaak tegen: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1976 te [geboorteplaats] , zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, thans gedetineerd in de [detentieadres] . De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M. Duin en van hetgeen de verdachte naar voren heeft gebracht. 1Tenlastelegging Aan de verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat: Feit 1 Primair hij op of omstreeks 26 maart 2021 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, immers heeft verdachte een stoel tegen de (rechter)schouder, althans tegen het lichaam, van die [slachtoffer 1] gegooid, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; Subsidiair hij op of omstreeks 26 maart 2021 te Amsterdam [slachtoffer 1] heeft mishandeld door een stoel tegen de (rechter)schouder, althans tegen het lichaam, van die [slachtoffer 1] te gooien; Feit 2 Primair hij op of omstreeks 26 maart 2021 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 2] opzettelijk van het leven te beroven, een armklem om de nek/keel van die [slachtoffer 2] aan te leggen en/of (vervolgens) die armklem (met kracht) aan te trekken en/of aangetrokken te houden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; Subsidiair hij op of omstreeks 26 maart 2021 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, een armklem om de nek/keel van die [slachtoffer 2] heeft aangelegd en/of (vervolgens) die armklem (met kracht) heeft aangetrokken en/of aangetrokken gehouden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; Feit 3 ( parketnummer 13/084110-21 t.t.z. gev. RolMK van 5 juli 2021 ) hij op of omstreeks 25 maart 2021 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk een deur en/of (bijbehorend) deurslot, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander, te weten aan Politie Eenheid Amsterdam (gevestigd aan de [adres] ) toebehoorde, heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt. 2Voorvragen De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. 3Beoordeling van het bewijs 3.1 Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder feit 1 primair, feit 2 primair en feit 3 ten laste gelegde feiten. 3.2 Standpunt van de verdediging De verdachte, die zelf zijn verdediging voert, heeft zich op het standpunt gesteld dat de beschuldigingen vals zijn. Hiertoe heeft hij het volgende aangevoerd. Hij is na zijn eerdere illegale deportatie naar GrootBrittannië vervolgens op 25 maart 2021 onrechtmatig aangehouden door de vreemdelingenpolitie, omdat de gerechtelijke procedure tegen zijn uitzetting naar GrootBrittannië nog niet was afgerond. Daarmee is hij twee keer voor hetzelfde feit aangehouden. Dit is in strijd met fundamentele rechtsbeginselen. De insluiting op het politiebureau in Amsterdam was daarom ook onrechtmatig net als de voorgeleiding bij de rechter-commissaris. Deze context brengt mee dat geen sprake is of kan zijn van strafwaardige gedragingen. Immers, als hij niet onrechtmatig zou zijn aangehouden en ingesloten, had hij het onder 3 ten laste gelegde feit niet kunnen plegen, was hij nooit voorgeleid aan de rechter-commissaris en had hij nooit de andere gedragingen gepleegd die hem zijn ten laste gelegd. Ten aanzien van feit 1 primair en feit 2 primair heeft de verdachte zich daarnaast op het standpunt gesteld dat zijn gedragingen niet kunnen worden gekwalificeerd als een poging tot zware mishandeling respectievelijk een poging tot doodslag. Hiertoe heeft hij het volgende aangevoerd. De verwondingen van de advocaat zijn niet ernstig, het gaat om een simpele mishandeling. De stoel heeft hij alleen maar een paar meter verderop gegooid, hij had de stoel ook naar een andere persoon kunnen gooien. 3.3 Oordeel van de rechtbank 3.3.1 Redengevende feiten en omstandigheden De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder feit 1 primair, feit 2 primair en onder feit 3 ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat. 3.3.2 Bewijsoverwegingen ten aanzien van de feiten 1 en 2 Juridisch kader De rechtbank is van oordeel dat uit het dossier niet is gebleken dat de verdachte vol opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij aangeefster [slachtoffer 1] en evenmin op de dood van aangeefster [slachtoffer 2] . De vraag die dan beantwoord moet worden is of sprake is van voorwaardelijk opzet. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is aanwezig, indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg bewust heeft aanvaard. Ten aanzien van feit 1 primair De rechtbank stelt ten aanzien van feit 1 primair op basis van de bewijsmiddelen het volgende vast. De verdachte bevond zich ter voorgeleiding aan de rechter-commissaris in een zaal van de rechtbank Amsterdam op ongeveer 3 meter afstand van de rechter-commissaris. Uit het proces-verbaal waarin de camerabeelden van de voorgeleiding beschreven staan volgt dat de advocaat haar dossier dichtklapt, dat de verdachte naar de rechter-commissaris kijkt, dat hij iets zegt tegen de rechter-commissaris en dat hij ongeveer 10 seconden later een stoel met kracht gooit in de richting van aangeefster. Omdat zij wegdook, werd niet haar hoofd, maar haar schouder geraakt door een stoelpoot, aldus aangeefster. Ook getuige [slachtoffer 2] verklaart dat de aangeefster de stoel probeerde te ontwijken maar op haar schouder werd geraakt. Als gevolg hiervan heeft aangeefster een grote (bloedende) schaafwond op haar schouder opgelopen. Ter hoogte van de plek waar aangeefster ten tijde van de voorgeleiding zat, wordt een pit in de muur waargenomen. Door van korte afstand en met kracht een dergelijke stoel te gooien in de richting van het hoofd van aangeefster, heeft de verdachte naar het oordeel van de rechtbank een naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk te achten kans in het leven geroepen dat bij aangeefster als gevolg daarvan zwaar lichamelijk letsel zou worden toegebracht. Het is een feit van algemene bekendheid dat het hoofd, de hals en het gezicht (zeer) kwetsbare en vitale delen van het lichaam zijn. De rechtbank is van oordeel dat de bovenomschreven gedragingen van de verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm te oordelen zozeer op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel zijn gericht dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat aangeefster als gevolg daarvan zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. De rechtbank is niet gebleken van aanwijzingen voor het tegendeel. Gelet op het bovenstaande komt de rechtbank tot de conclusie dat de verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij aangeefster. De rechtbank acht het onder feit 1 primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen. Ten aanzien van feit 2 primair De rechtbank stelt ten aanzien van feit 2 primair op basis van de bewijsmiddelen het volgende vast. De verdachte heeft zich na het gooien van de stoel met kracht en met snelheid richting aangeefster [slachtoffer 2] , destijds de advocaat van de verdachte, begeven. Hij heeft haar vervolgens met zijn arm bij de nek/keel vastgegrepen en haar in een wurggreep dicht naar zich toe getrokken. Vervolgens zijn de verdachte en aangeefster naar achteren gevallen en op de grond terecht gekomen. De verdachte lag bovenop aangeefster en liet zijn arm niet los. Tevergeefs werd geprobeerd de arm van de verdachte om de nek van het slachtoffer los te trekken en hem van haar af te krijgen. Aangeefster heeft verklaard dat zij door het handelen van de verdachte geen lucht meer kreeg; zij probeerde zich te ontworstelen aan de greep van de verdachte maar voelde dat de verdachte steeds meer kracht uitoefende. Uit het proces-verbaal waarin de camerabeelden worden beschreven blijkt dat aangeefster, terwijl zij in de armklem werd gehouden, rood aanliep, haar mond open had en haar ogen dichtkneep. Eerst nadat de verdachte meermalen met een wapenstok was geslagen, liet de verdachte los. Op basis van de camerabeelden kan worden vastgesteld dat er 18 seconden zijn verstreken tussen het moment dat de verdachte aangeefster bij de nek heeft vastgegrepen en aangeefster onder hem vandaan kruipt. Het is een feit van algemene bekendheid dat bij het uitoefenen van geweld op de nek of keel, zoals bij het klemmen van een arm rond de nek, de kans aanwezig is dat iemand geen adem meer kan halen en hierdoor kan komen te overlijden. In het onderhavige geval was de door de verdachte toegepaste nekklem zodanig stevig dat men de arm van de verdachte eerst niet loskreeg en drie personen meermaals geweld hebben moeten toepassen voordat de verdachte zijn arm losliet en aangeefster, 18 seconden later, onder hem vandaan kon kruipen. De rechtbank komt gelet op het voorgaande tot het oordeel dat sprake is geweest van een naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk te achten kans dat aangeefster als gevolg van de door de verdachte bij haar aangelegde armklem om de nek zou komen te overlijden. De rechtbank is gelet op hetgeen hiervoor is overwogen verder van oordeel dat de gedragingen van de verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm moeten worden aangemerkt als zozeer op de dood van aangeefster te zijn gericht dat het niet anders kan zijn geweest dan dat de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat aangeefster als gevolg daarvan zou overlijden. De rechtbank is niet gebleken van aanwijzingen voor het tegendeel. Gelet op het bovenstaande komt de rechtbank tot de conclusie dat de verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van aangeefster. De rechtbank acht het onder feit 2 primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen. 3.4 Bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat Feit 1 Primair hij op 26 maart 2021 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, een stoel tegen de rechterschouder van die [slachtoffer 1] heeft gegooid, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; Feit 2 Primair hij op 26 maart 2021 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 2] opzettelijk van het leven te beroven, een armklem om de nek/keel van die [slachtoffer 2] heeft aangelegd en vervolgens die armklem met kracht heeft aangetrokken en aangetrokken gehouden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; Feit 3 hij op 25 maart 2021 te Amsterdam opzettelijk en wederrechtelijk een deur, die aan een ander, te weten aan Politie Eenheid Amsterdam, toebehoorde, heeft vernield. De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging. Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. 4Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten Het bewezenverklaarde levert op: Feit 1 Primair poging tot zware mishandeling; Feit 2 Primair poging tot doodslag; Feit 3 opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen. Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar. Wat de verdachte heeft aangevoerd over de door hem gestelde onrechtmatigheid van zijn aanhouding en insluiting, kan geen rechtvaardigingsgrond opleveren. 5Strafbaarheid van de verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar. 6Motivering van de sanctie 6.1 Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren, met aftrek van de tijd die de verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. De eis is bepaald door de feiten gepleegd op 26 maart
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.