RECHTBANK NOORD-HOLLAND Team Straf, locatie Alkmaar Meervoudige strafkamer Parketnummer: 15/710035-17 (ontneming) (P) Uitspraakdatum : 5 oktober 2021 vonnis ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht Deze beslissing heeft betrekking op de vordering van de officier van justitie d.d. 17 augustus 2021 ten aanzien van de feiten in de zaak onder bovenstaand parketnummer, strekkende tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e lid 2 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) in de zaak tegen: [betrokkene] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , wonende te [adres] , verder te noemen betrokkene. 1De vordering De officier heeft bij vordering van 17 augustus 2021 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, Sr zal vaststellen op € 6.750,- en dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling aan de Staat van dat bedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De officier van justitie baseert de vordering op de strafbare feiten waarvoor de betrokkene is gedagvaard om op 20 en 21 september 2021 te verschijnen voor de meervoudige strafkamer in deze rechtbank. 2Het verloop van de procedure De officier van justitie heeft bovengenoemde vordering aanhangig gemaakt met de oproeping van de betrokkene om te verschijnen op de terechtzittingen van deze rechtbank op 20 en 21 september
- Het onderzoek heeft plaatsgevonden op 20 en 21 september
- Daarbij zijn gehoord de betrokkene, zijn raadsman mr. D.W.H.M. Wolters, advocaat te Hoofddorp, en de officier van justitie. Vervolgens is het onderzoek gesloten en is de uitspraak bepaald op 5 oktober
- 3Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft ter terechtzitting de vordering voorgedragen en gepersisteerd bij de vordering. 4Het standpunt van de betrokkene en haar raadsman De raadsman heeft aangevoerd dat de vordering moet worden afgewezen, nu hij zich in de met deze ontnemingszaak samenhangende strafzaak op het standpunt heeft gesteld dat de betrokkene dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde. 5De beoordeling van de rechtbank Bij separaat vonnis van heden van deze rechtbank is de betrokkene vrijgesproken van het hem in de met deze ontnemingszaak samenhangende strafzaak onder 1 ten laste gelegde oplichting (in 3 zaken) en de onder 2 ten laste gelegde poging tot oplichting. Artikel 36e, eerste lid, Sr houdt in dat op vordering van het Openbaar Ministerie bij een afzonderlijke rechterlijke beslissing aan degene die is veroordeeld wegens een strafbaar feit, de verplichting kan worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Uit het wettelijk systeem, meer in het bijzonder uit artikel 511e, eerste lid, in verbinding met artikel 348 van het Wetboek van Strafvordering, moet op grond van vaste rechtspraak van de Hoge Raad worden afgeleid dat het ontbreken van een veroordeling wegens een strafbaar feit aan de ontvankelijkheid van een ontnemingsvordering in de weg staat (zie HR 17 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG4258). De rechtbank zal het Openbaar Ministerie daarom niet ontvangen in de vordering. 6Beslissing De rechtbank: verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum Dit vonnis is gewezen door: mr. M. Hoendervoogt, voorzitter, mr. M. Mateman en mr. A. Buiskool, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier mr. A.C. ten Klooster, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 5 oktober 2021.