RECHTBANK NOORD-HOLLAND Team Straf, locatie Alkmaar Meervoudige strafkamer Parketnummer: 15/810354-16 (P) Uitspraakdatum: 5 oktober 2021 Tegenspraak Vonnis Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 20 en 21 september 2021 in de zaak tegen: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres: [adres 1] . De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. G. Visser en van hetgeen de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. M.N. de Bruijn, advocaat te Almere, naar voren hebben gebracht. 1Tenlastelegging Aan de verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering (Sv), ten laste gelegd dat: Feit 1 hij in of omstreeks de periode van l mei 2014 tot en met 19 december 2016 te Alkmaar, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal telkens met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [benadeelde 1] (zaak 2) en/of [benadeelde 2] (zaak 3) en/of [benadeelde 3] (zaak 4) en/of [benadeelde 4] (zaak 5) en/of [benadeelde 5] (zaak 6) en/of [benadeelde 6] (zaak 8) en/of [benadeelde 7] (zaak 9) en/of [benadeelde 8] (zaak 10) en/of [benadeelde 9] (zaak 11) en/of [benadeelde 10] (zaak 12) en/of [benadeelde 11] (zaak 13) en/of [benadeelde 12] (zaak 14) en/of [benadeelde 13] en/of [benadeelde 14] (zaak 15) en/of [benadeelde 15] (zaak 16) en/of [benadeelde 16] (zaak 17) en/of [benadeelde 17] (zaak 18) en/of [benadeelde 18] (zaak 19) en/of [benadeelde 19] (zaak 20) en/of [benadeelde 20] (zaak 21) en/of [benadeelde 21] en/of [benadeelde 21] (zaak 22) en/of [benadeelde 22] (zaak 23) en/of [benadeelde 23] (zaak 24) heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten diverse geldbedragen en/of het aangaan van een schuld, te weten een of meerdere koopcontracten voor stukken grond, hierin bestaande dat, hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) met vorenomschreven oogmerk – zakelijk weergegeven – opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid: voornoemd(
(682570)een contant geldbedrag van € 135,- dienen te worden teruggegeven aan de verdachte. 9Vordering benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregel 9.1 Vordering benadeelde partij [benadeelde 1] De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 27.675,- ingediend tegen de verdachte wegens materiële schade die hij als gevolg van het onder 1 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde materiële schade bestaat uit het bedrag dat door de benadeelde partij aan de verdachte is betaald voor de aankoop van grond. De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade rechtstreeks voortvloeit uit het onder 1 bewezen verklaarde feit. De vordering zal dan ook worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 19 december 2016 tot aan de dag der algehele voldoening. 9.2 Vordering benadeelde partij [benadeelde 2] De benadeelde partij [benadeelde 2] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 8.800,- ingediend tegen de verdachte wegens materiële schade die zij als gevolg van het onder 1 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde materiële schade bestaat uit het bedrag dat door de benadeelde partij aan de verdachte is betaald voor de aankoop van grond. De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade rechtstreeks voortvloeit uit het onder 1 bewezen verklaarde feit. De vordering zal dan ook worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 19 december 2016 tot aan de dag der algehele voldoening. 9.3 Vordering benadeelde partij [benadeelde 3] De benadeelde partij [benadeelde 3] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 5.078,- ingediend tegen de verdachte wegens materiële schade die hij als gevolg van het onder 1 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde materiële schade bestaat uit het bedrag dat door de benadeelde partij aan de verdachte is betaald voor de aankoop van grond. De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de verdachte een bedrag van € 1.500,- zou hebben terugbetaald aan de benadeelde partij. Zij heeft verzocht de vordering in zoverre af te wijzen. Deze stelling is door de raadsvrouw verder niet onderbouwd met stukken. De rechtbank merkt op dat uit bijlage 1 bij het proces-verbaal van bevindingen financieel onderzoek van 7 maart 2017 blijkt dat de benadeelde partij een bedrag van € 1.000,- heeft ontvangen afkomstig van de rekening op naam van [naam 5] (de ex-vriendin van de verdachte). De rechtbank merkt deze betaling aan als een terugbetaling van de verdachte aan de benadeelde partij en zal de benadeelde partij in zoverre niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De rechtbank is van oordeel dat een bedrag van € 4.078,- aan materiële schade rechtstreeks voortvloeit uit het onder 1 bewezen verklaarde feit. In zoverre zal de vordering dan ook worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 19 december 2016 tot aan de dag der algehele voldoening. 9.4 Vordering benadeelde partij [benadeelde 5] De benadeelde partij [benadeelde 5] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 18.950,- ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die zij als gevolg van het onder 1 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde materiële schade van € 17.950,- bestaat uit het bedrag dat door de benadeelde partij aan de verdachte is betaald voor de aankoop van grond. De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade rechtstreeks voortvloeit uit het onder 1 bewezen verklaarde feit. In zoverre zal de vordering dan ook worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 19 december 2016 tot aan de dag der algehele voldoening. De gestelde immateriële schade van € 1.000,- komt echter niet voor vergoeding in aanmerking. De rechtbank overweegt daarover het volgende. De vraag die hier voorligt is, of de benadeelde partij op andere wijze in zijn persoon is aangetast in de zin van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW). Van de in dat artikel bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de benadeelde partij onvoldoende concrete feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit het bestaan van de aantasting in zijn persoon kan worden vastgesteld, althans waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval de schade is ontstaan. Daarbij merkt de rechtbank op dat in onderhavige zaak niet het geval zich voordoet dat de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Dit betekent dat de vordering van de benadeelde partij voor wat betreft de immateriële schade niet-ontvankelijk wordt verklaard. 9.5 Vordering benadeelde partij [benadeelde 6] De benadeelde partij [benadeelde 6] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 7.000,- ingediend tegen de verdachte wegens materiële schade die hij als gevolg van het onder 1 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde materiële schade bestaat uit het bedrag dat door de benadeelde partij aan de verdachte is betaald voor de aankoop van grond. De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade rechtstreeks voortvloeit uit het onder 1 bewezen verklaarde feit. De vordering zal dan ook worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 19 december 2016 tot aan de dag der algehele voldoening. 9.6 Vordering benadeelde partij [benadeelde 7] De benadeelde partij [benadeelde 7] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 9.074,50 ingediend tegen de verdachte wegens materiële schade die hij als gevolg van het onder 1 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde materiële schade bestaat uit het bedrag dat door de benadeelde partij aan de verdachte is betaald voor de aankoop van grond. De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade rechtstreeks voortvloeit uit het onder 1 bewezen verklaarde feit. De vordering zal dan ook worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 19 december 2016 tot aan de dag der algehele voldoening. 9.7 Vordering benadeelde partij [benadeelde 8] De benadeelde partij [benadeelde 8] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 16.732,35 ingediend tegen de verdachte wegens materiële schade die hij als gevolg van het onder 1 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde materiële schade bestaat uit het bedrag dat door de benadeelde partij aan de verdachte is betaald voor de aankoop van grond. De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade rechtstreeks voortvloeit uit het onder 1 bewezen verklaarde feit. De vordering zal dan ook worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 19 december 2016 tot aan de dag der algehele voldoening. 9.8 Vordering benadeelde partij [benadeelde 9] De benadeelde partij [benadeelde 9] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 10.684,- ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van het onder 1 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde materiële schade van € 10.000,- bestaat uit het bedrag dat door de benadeelde partij aan de verdachte is betaald voor de aankoop van grond. De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade rechtstreeks voortvloeit uit het onder 1 bewezen verklaarde feit. In zoverre zal de vordering dan ook worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 19 december 2016 tot aan de dag der algehele voldoening. De gestelde immateriële schade van € 684,- komt echter niet voor vergoeding in aanmerking en de rechtbank verklaart de benadeelde partij in zoverre niet-ontvankelijk in de vordering. De rechtbank verwijst voor wat betreft het van toepassing zijnde toetsingskader naar hetgeen hierover bij de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 5] onder 9.4 is overwogen. De benadeelde partij [benadeelde 9] heeft de vordering voor wat betreft de immateriële schade onvoldoende onderbouwd. 9.9 Vordering benadeelde partij [benadeelde 10] De benadeelde partij [benadeelde 10] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 4.559,87 ingediend tegen de verdachte wegens materiële schade die zij als gevolg van het onder 1 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde materiële schade bestaat uit het bedrag dat door de benadeelde partij aan de verdachte is betaald voor de aankoop van grond. De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade rechtstreeks voortvloeit uit het onder 1 bewezen verklaarde feit. De vordering zal dan ook worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 19 december 2016 tot aan de dag der algehele voldoening. 9.10 Vordering benadeelde partij [benadeelde 11] De benadeelde partij [benadeelde 11] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 3.650,- ingediend tegen de verdachte wegens materiële schade die hij als gevolg van het onder 1 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde materiële schade bestaat uit het bedrag dat door de benadeelde partij aan de verdachte is betaald voor de aankoop van grond. De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade rechtstreeks voortvloeit uit het onder 1 bewezen verklaarde feit. De vordering zal dan ook worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 19 december 2016 tot aan de dag der algehele voldoening. 9.11 Vordering benadeelde partij [benadeelde 12] De benadeelde partij [benadeelde 12] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 14.765,- ingediend tegen de verdachte wegens materiële schade die zij als gevolg van het onder 1 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde materiële schade bestaat voor € 9.975,80 uit het bedrag dat door de benadeelde partij aan de verdachte is betaald voor de aankoop van grond en voor een bedrag van € 4.789,20 uit misgelopen rendement. De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade voor een bedrag van € 9.975,80 rechtstreeks voortvloeit uit het onder 1 bewezen verklaarde feit. De vordering zal dan ook in zoverre worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 19 december 2016 tot aan de dag der algehele voldoening. Ten aanzien van het door de benadeelde partij gevorderde misgelopen rendement van € 4.789,20 zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De rechtbank is van oordeel dat op basis van de beschikbare stukken niet dan wel in onvoldoende mate kan worden vastgesteld of het gaat om schade die rechtstreeks voortvloeit uit het onder 1 bewezen verklaarde feit, te weten de oplichting. Dit zou een nader onderzoek vergen en daarmee een onevenredige belasting van de strafprocedure opleveren. De vordering kan desgewenst bij de civiele rechter worden aangebracht. 9.12 Vordering benadeelde partij [benadeelde 13] De benadeelde partij [benadeelde 13] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 16.960,- ingediend tegen de verdachte wegens materiële schade die hij als gevolg van het onder 1 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gevorderde materiële schade is opgebouwd uit vier posten, telkens zijnde een geldbedrag wat aan de verdachte is overgemaakt en waarvan de benadeelde partij telkens 50% vordert, omdat de overboekingen zijn gedaan vanaf een gezamenlijke rekening (en/of rekening) die de benadeelde heeft met de hierna onder 9.13 vermelde benadeelde [benadeelde 14] . Ten aanzien van twee van deze posten, te weten de overboekingen op 13 november 2016 ter hoogte van € 4.500,- en op 23 november 2016 ter hoogte van € 2.977,- (ook hiervan vordert de benadeelde partij dus telkens 50%), is de rechtbank van oordeel dat deze bedragen niet kunnen worden aangemerkt als materiële schade die rechtstreeks voortvloeit uit het onder 1 bewezen verklaarde feit. Uit het dossier volgt namelijk dat deze geldbedragen aan de verdachte zijn overgemaakt, omdat hij op dat moment in de financiële problemen zat zodat deze bedragen geen rechtstreeks verband houden met de aankoop van (niet geleverde) grond, waarop de oplichting betrekking heeft. In zoverre zal de benadeelde partij dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering. De overige gestelde materiële schade van € 13.221,50 bestaat uit het bedrag (50%) dat door de benadeelde partij aan de verdachte is betaald voor de aankoop van grond. De rechtbank is van oordeel dat dit deel van de gestelde materiële schade rechtstreeks voortvloeit uit het onder 1 bewezen verklaarde feit. De vordering zal in zoverre dan ook worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 19 december 2016 tot aan de dag der algehele voldoening. 9.13 Vordering benadeelde partij [benadeelde 14] De benadeelde partij [benadeelde 14] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 16.960,- ingediend tegen de verdachte wegens materiële schade die zij als gevolg van het onder 1 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gevorderde materiële schade is opgebouwd uit vier posten, telkens zijnde een geldbedrag wat aan de verdachte is overgemaakt en waarvan de benadeelde partij telkens 50% vordert omdat de overboekingen zijn gedaan vanaf een gezamenlijke rekening (en/of rekening) met de hiervoor genoemde benadeelde partij [benadeelde 13] . Ten aanzien van twee van deze posten, te weten de overboekingen op 13 november 2016 ter hoogte van € 4.500,- en op 23 november 2016 ter hoogte van € 2.977,- (ook hiervan vordert de benadeelde partij dus telkens 50%), is de rechtbank van oordeel dat deze bedragen niet kunnen worden aangemerkt als materiële schade die rechtstreeks voortvloeit uit het onder 1 bewezen verklaarde feit. Uit het dossier volgt dat deze geldbedragen aan de verdachte zijn overgemaakt omdat hij op dat moment in de financiële problemen zat zodat deze bedragen geen rechtstreeks verband houden met de aankoop van (niet geleverde) grond, waarop de oplichting betrekking heeft. In zoverre zal de benadeelde partij dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering. De overige gestelde materiële schade van € 13.221,50 bestaat uit het bedrag (50%) dat door de benadeelde partij aan de verdachte is betaald voor de aankoop van grond. De rechtbank is van oordeel dat dit deel van de gestelde materiële schade rechtstreeks voortvloeit uit het onder 1 bewezen verklaarde feit. De vordering zal in zoverre dan ook worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 19 december 2016 tot aan de dag der algehele voldoening. 9.14 Vordering benadeelde partij [benadeelde 16] De benadeelde partij [benadeelde 16] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 4.383,- ingediend tegen de verdachte wegens materiële schade die hij als gevolg van het onder 1 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde materiële schade bestaat uit het bedrag dat door de benadeelde partij aan de verdachte is betaald voor de aankoop van grond. De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade rechtstreeks voortvloeit uit het onder 1 bewezen verklaarde feit. De vordering zal dan ook worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 19 december 2016 tot aan de dag der algehele voldoening. 9.15 Vordering benadeelde partij [benadeelde 17] De benadeelde partij [benadeelde 17] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 12.900,- ingediend tegen de verdachte wegens materiële schade die hij als gevolg van het onder 1 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde materiële schade bestaat uit het bedrag dat door de benadeelde partij aan de verdachte is betaald voor de aankoop van grond. De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade rechtstreeks voortvloeit uit het onder 1 bewezen verklaarde feit. De vordering zal dan ook worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 19 december 2016 tot aan de dag der algehele voldoening. 9.16 Vordering benadeelde partij [benadeelde 18] De benadeelde partij [benadeelde 18] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 17.685,- ingediend tegen de verdachte wegens materiële schade die hij als gevolg van het onder 1 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde materiële schade bestaat voor € 13.500,- uit het bedrag dat door de benadeelde partij aan de verdachte is betaald voor de aankoop van grond en voor een bedrag van € 4.185,- uit misgelopen rendement. De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade voor een bedrag van € 13.500,- rechtstreeks voortvloeit uit het onder 1 bewezen verklaarde feit. De vordering zal dan ook in zoverre worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 19 december 2016 tot aan de dag der algehele voldoening. Ten aanzien van het door de benadeelde partij gevorderde misgelopen rendement van € 4.185,- zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De rechtbank is van oordeel dat op basis van de beschikbare stukken niet dan wel in onvoldoende mate kan worden vastgesteld of het gaat om schade die rechtstreeks voortvloeit uit het onder 1 bewezen verklaarde feit, te weten de oplichting. Dit zou een nader onderzoek vergen en daarmee een onevenredige belasting van de strafprocedure opleveren. De vordering kan desgewenst bij de civiele rechter worden aangebracht. 9.17 Vordering benadeelde partij [benadeelde 20] De benadeelde partij [benadeelde 20] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 47.787,- ingediend tegen de verdachte wegens materiële schade die hij als gevolg van het onder 1 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde materiële schade bestaat uit het bedrag dat door de benadeelde partij aan de verdachte is betaald voor de aankoop van grond. De raadsvrouw heeft aangevoerd dat een deel van het gevorderde bedrag, te weten € 1.195,-, niet kan worden toegewezen, omdat onvoldoende is onderbouwd dat dit schade is die de benadeelde partij heeft geleden door het ten laste gelegde feit. Anders dan de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dit bedrag materiële schade is die rechtstreeks voortvloeit uit het onder 1 bewezen verklaarde feit. Ter onderbouwing hiervan is bij de vordering gevoegd een ondertekende kwitantie waaruit volgt dat een zekere [naam 3] van de [bedrijf 2] bv op 2 december 2016 een bedrag van € 1.195,- in ontvangst heeft genomen van de benadeelde partij. Het rechtstreekse verband is door de benadeelde partij daarmee voldoende onderbouwd. Dat de verdachte stelt [naam 3] niet te kennen doet daaraan niet af. Ook voor het overige is de rechtbank van oordeel dat het bedrag aan gevorderde materiële schade rechtstreeks voortvloeit uit het onder 1 bewezen verklaarde feit. De vordering zal dan ook worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 19 december 2016 tot aan de dag der algehele voldoening. 9.18 Vordering benadeelde partij [benadeelde 21] De benadeelde partij [benadeelde 21] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 4.220,- ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van het onder 1 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. Daarnaast heeft de benadeelde partij een bedrag aan proceskosten gevorderd van € 103,-, bestaande uit reiskosten. De gestelde materiële schade van € 2.300,- bestaat uit het bedrag dat door de benadeelde partij aan de verdachte is betaald voor de aankoop van grond. De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade rechtstreeks voortvloeit uit het onder 1 bewezen verklaarde feit. In zoverre zal de vordering dan ook worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 19 december 2016 tot aan de dag der algehele voldoening. De gestelde immateriële schade van € 1.920,- komt echter niet voor vergoeding in aanmerking en de rechtbank verklaart de benadeelde partij in zoverre niet-ontvankelijk in de vordering. De rechtbank verwijst voor wat betreft het geldende toetsingskader naar hetgeen hierover bij de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 5] onder 9.4 is overwogen. De benadeelde partij [benadeelde 21] heeft de vordering voor wat betreft de immateriële schade onvoldoende onderbouwd. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat gevorderde proceskosten, bestaande uit reiskosten, niet voor vergoeding in aanmerking komen. Uit de vordering volgt dat de reiskosten zijn gemaakt door anderen dan de benadeelde partij zelf. Door de benadeelde partij is onvoldoende onderbouwd dat hij degene is geweest die door het maken van die reiskosten schade heeft geleden. De rechtbank wijst de vordering in zoverre af. 9.19 Vordering benadeelde partij [benadeelde 23] De benadeelde partij [benadeelde 23] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 4.000,- ingediend tegen de verdachte wegens materiële schade die hij als gevolg van het onder 1 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde materiële schade bestaat uit het bedrag dat door de benadeelde partij aan de verdachte is betaald voor de aankoop van grond. De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade rechtstreeks voortvloeit uit het onder 1 bewezen verklaarde feit. De vordering zal dan ook worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 19 december 2016 tot aan de dag der algehele voldoening. 9.20 Kosten gemaakt door de benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregel De verdachte dient ten aanzien van alle hiervoor genoemde benadeelde partijen te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen hebben gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moeten maken. De tot op heden door de benadeelde partijen gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil. De rechtbank ziet als gevolg van het handelen van de verdachte zoals onder feit 1 is bewezen verklaard, kort gezegd: oplichting, aanleiding ter zake van de vorderingen van de benadeelde partijen de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f Sr op te leggen. Wat betreft de hoogte van de op te leggen schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 7] , overweegt de rechtbank nog het volgende. Op de terechtzitting is aan de orde gekomen dat [benadeelde 7] een bedrag van € 880,- contant heeft betaald voor de aankoop van grond. Dit volgt ook uit de aangifte van de benadeelde partij. De benadeelde partij heeft dit bedrag niet opgenomen in zijn vordering, omdat hij deze betaling niet kon onderbouwen met stukken en hij daarom niet de verwachting heeft dat zijn schade ooit zal worden vergoed. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat op de terechtzitting genoegzaam is komen vast te staan dat de verdachte ook voor dit bedrag naar burgerlijk recht jegens de benadeelde partij aansprakelijk is. De rechtbank zal daarom de hoogte van de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 7] bepalen op € 9.074,50 + € 880,- = € 9.954,
- Ingevolge artikel 36f, vijfde lid, Sr in verbinding met artikel 6:4:20 Sv kan bij het opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat worden bepaald dat bij gebreke van betaling en verhaal gijzeling wordt toegepast. De duur beloopt ten hoogste één jaar. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank naar evenredigheid, gelet op de hoogte van de toegewezen vorderingen van de benadeelde partijen, de gijzeling toepassen tot hoogtes waardoor het maximum van in totaal 365 dagen niet wordt overschreden. 10Toepasselijke wettelijke voorschriften De volgende wetsartikelen zijn van toepassing: artikelen 22c, 22d, 33, 33a, 36f, 45, 57, 63 en 326 van het Wetboek van Strafrecht. 11Beslissing De rechtbank: Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder feit 1 als zaak 5 en zaak 16 is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij. Verklaart bewezen dat de verdachte de (verder) onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven. Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij. Bepaalt dat de onder 1 en 2 bewezen verklaarde feiten de hierboven onder
- vermelde strafbare feiten opleveren. Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 195 (honderdvijfennegentig) dagen. Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Veroordeelt de verdachte tot het verrichten van 240 uren taakstraf die bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid, bij het niet of niet naar behoren daarvan verrichten te vervangen door 120 dagen hechtenis. Vordering benadeelde partij [benadeelde 1] Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade tot een bedrag van € 27.675,-, bestaande uit vergoeding voor materiële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 19 december 2016 tot aan de dag der algehele voldoening. Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken. Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [benadeelde 1] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 27.675,-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 44 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 december 2016 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op. Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij. Vordering benadeelde partij [benadeelde 2] Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade tot een bedrag van € 8.800,-, bestaande uit vergoeding voor materiële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 19 december 2016 tot aan de dag der algehele voldoening. Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken. Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [benadeelde 2] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 8.800,-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 14 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 december 2016 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op. Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij. Vordering benadeelde partij [benadeelde 3] Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade tot een bedrag van € 4.078,-, bestaande uit vergoeding voor materiële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 19 december 2016 tot aan de dag der algehele voldoening. Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken. Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering. Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [benadeelde 3] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 4.078,-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 6 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 december 2016 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op. Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij. Vordering benadeelde partij [benadeelde 5] Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade tot een bedrag van € 17.950,-, bestaande uit vergoeding voor materiële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 19 december 2016 tot aan de dag der algehele voldoening. Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken. Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering. Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [benadeelde 5] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 17.950,-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 28 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 december 2016 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op. Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij. Vordering benadeelde partij [benadeelde 6] Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade tot een bedrag van € 7.000,-, bestaande uit vergoeding voor materiële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 19 december 2016 tot aan de dag der algehele voldoening. Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken. Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [benadeelde 6] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 7.000,-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 11 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 december 2016 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op. Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij. Vordering benadeelde partij [benadeelde 7] Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade tot een bedrag van € 9.074,50, bestaande uit vergoeding voor materiële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 19 december 2016 tot aan de dag der algehele voldoening. Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken. Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [benadeelde 7] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 9.954,50, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 16 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 december 2016 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op. Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij. Vordering benadeelde partij [benadeelde 8] Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade tot een bedrag van € 16.732,35, bestaande uit vergoeding voor materiële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 19 december 2016 tot aan de dag der algehele voldoening. Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken. Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [benadeelde 8] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 16.732,35, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 26 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 december 2016 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op. Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij. Vordering benadeelde partij [benadeelde 9] Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade tot een bedrag van € 10.000,-, bestaande uit vergoeding voor materiële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 19 december 2016 tot aan de dag der algehele voldoening. Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken. Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering. Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [benadeelde 9] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 10.000,-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 16 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 december 2016 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op. Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij. Vordering benadeelde partij [benadeelde 10] Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade tot een bedrag van € 4.559,87, bestaande uit vergoeding voor materiële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 19 december 2016 tot aan de dag der algehele voldoening. Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken. Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [benadeelde 10] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 4.559,50 , bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 7 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 december 2016 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op. Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij. Vordering benadeelde partij [benadeelde 11] Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade tot een bedrag van € 3.650,-, bestaande uit vergoeding voor materiële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 19 december 2016 tot aan de dag der algehele voldoening. Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken. Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [benadeelde 11] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 3.650,-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 6 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 december 2016 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op. Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij. Vordering benadeelde partij [benadeelde 12] Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade tot een bedrag van € 9.975,80, bestaande uit vergoeding voor materiële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 19 december 2016 tot aan de dag der algehele voldoening. Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken. Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de civiele rechter. Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [benadeelde 12] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 9.975,80 , bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 16 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 december 2016 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op. Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij. Vordering benadeelde partij [benadeelde 13] Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade tot een bedrag van € 13.221,50, bestaande uit vergoeding voor materiële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 19 december 2016 tot aan de dag der algehele voldoening. Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken. Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering. Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [benadeelde 13] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 13.221,50 , bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 21 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 december 2016 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op. Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij. Vordering benadeelde partij [benadeelde 14] Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade tot een bedrag van € 13.221,50, bestaande uit vergoeding voor materiële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 19 december 2016 tot aan de dag der algehele voldoening. Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken. Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering. Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [benadeelde 14] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 13.221,50 , bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 21 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 december 2016 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op. Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij. Vordering benadeelde partij [benadeelde 16] Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade tot een bedrag van € 4.383,-, bestaande uit vergoeding voor materiële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 19 december 2016 tot aan de dag der algehele voldoening. Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken. Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [benadeelde 16] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 4.383,-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 7 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 december 2016 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op. Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij. Vordering benadeelde partij [benadeelde 17] Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade tot een bedrag van € 12.900,-, bestaande uit vergoeding voor materiële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 19 december 2016 tot aan de dag der algehele voldoening. Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken. Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [benadeelde 17] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 12.900,-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 20 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 december 2016 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op. Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij. Vordering benadeelde partij [benadeelde 18] Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade tot een bedrag van € 13.500,-, bestaande uit vergoeding voor materiële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 19 december 2016 tot aan de dag der algehele voldoening. Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken. Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de civiele rechter. Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [benadeelde 18] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 13.500,-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 21 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 december 2016 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op. Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij. Vordering benadeelde partij [benadeelde 20] Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade tot een bedrag van € 47.787,-, bestaande uit vergoeding voor materiële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 19 december 2016 tot aan de dag der algehele voldoening. Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken. Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [benadeelde 20] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 47.787,-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 75 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 december 2016 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op. Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij. Vordering benadeelde partij [benadeelde 21] Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade tot een bedrag van € 2.300,-, bestaande uit vergoeding voor materiële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 19 december 2016 tot aan de dag der algehele voldoening. Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken. Verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering wat betreft de gevorderde immateriële schade. Wijst af de gevorderde proceskosten. Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [benadeelde 21] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 2.300,-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 4 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 december 2016 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op. Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij. Vordering benadeelde partij [benadeelde 23] Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade tot een bedrag van € 4.000,-, bestaande uit vergoeding voor materiële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 19 december 2016 tot aan de dag der algehele voldoening. Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken. Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [benadeelde 23] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 4.000,- , bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 6 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 december 2016 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op. Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij. Gelast de teruggave aan de verdachte van: Computer KI: wit HP notebook