RECHTBANK NOORD-HOLLAND Bestuursrecht zaaknummer: HAA 21/2402 uitspraak van de voorzieningenrechter van 11 oktober 2021 in de zaak tussen [naam] B.V., te [woonplaats] , verzoekster (gemachtigde: mr. R. van der Hooft), en de burgemeester van de gemeente Bergen, verweerder. Procesverloop In het besluit van 28 mei 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder aan verzoekster een last onder dwangsom opgelegd en gelast om herhaling van de overtreding van het bepaalde in artikel 58h, eerste lid, van de Wet publieke gezondheid (Wpg) in samenhang gelezen met artikel 4.4, eerste lid, van de Tijdelijke regeling maatregelen covid-19 (Trm) te voorkomen. Verzoekster heeft op 1 juni 2021 tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Tevens heeft zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Verweerder heeft op 2 juni 2021 een verweerschrift en de op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend. Verweerder heeft tevens bij e-mailbericht van 2 juni 2021 kenbaar gemaakt dat de last alleen tot 5 juni 2021 geldig is omdat er vanaf die datum weer versoepelingen zijn in de geldende coronamaatregelen ten aanzien van terrassen. In het besluit van 30 juni 2021 heeft verweerder het primaire besluit ingetrokken, omdat de last onder dwangsom geen werking meer kent of zal verkrijgen. Verweerder merkt hierbij op dat dit niet tot met zich mee brengt dat de last onder dwangsom in kwestie onrechtmatig was of tot de conclusie zou moeten leiden dat de op basis van het primair besluit verbeurde dwangsom niet meer kan worden ingevorderd of daarvan zou moeten worden afgezien. Naar aanleiding hiervan heeft verzoekster het verzoek op 7 juli 2021 ingetrokken met daarbij het verzoek verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten. De voorzieningenrechter heeft verweerder in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek. Verweerder heeft gereageerd. Nadat partijen zijn gewezen op hun recht ter zitting te worden gehoord en niet binnen de gestelde termijn hebben verklaard gebruik te willen maken van dat recht, heeft de voorzieningenrechter het onderzoek gesloten. De voorzieningenrechter doet uitspraak met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Awb. Overwegingen
- De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Die wetsartikelen zijn op grond van artikel 8:84, vijfde lid, van de Awb ook van toepassing op de voorlopige-voorzieningenprocedure. Als een verzoek om voorlopige voorziening wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzoekschrift is tegemoet gekomen, kan de voorzieningenrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
- Verweerder heeft in reactie op het verzoek om veroordeling in de proceskosten aangevoerd dat het primaire besluit uitsluitend is ingetrokken op verzoek van de voorzieningenrechter en omdat de desbetreffende last onder dwangsom na 5 juni 2021 geen werking meer kende of kon krijgen. Verweerder stelt dat het verzoek is ingetrokken op andere gronden dan aangevoerd namens verzoekster in haar verzoek om voorlopige voorziening. Verweerder merkt op dat de bezwaren van verzoekster tegen de last onder dwangsom en het besluit tot invordering van de op basis van die last verbeurde dwangsom nog in behandeling zijn.
- De voorzieningenrechter begrijpt het besluit van 30 juni 2021 aldus dat verweerder daarbij het primaire besluit met ingang van 5 juni 2021 heeft ingetrokken. Tot 5 juni 2021 is het primaire besluit in stand gebleven. Met het verzoek om voorlopige voorziening werd beoogd het primaire besluit met onmiddellijke ingang te laten schorsen. De voorzieningenrechter stelt vast dat artikel 4.4., eerste en vijfde lid, van de Trm met ingang van 5 juni 2021 zijn gewijzigd. Verzoekster kon dan ook na 5 juni 2021 niet (langer) de aan het primaire besluit ten grondslag liggende bepalingen overtreden. Onder deze omstandigheden kan niet worden geoordeeld dat verweerder met het besluit van 30 juni 2021 aan verzoekster tegemoet is gekomen.
- Het verzoek wordt als kennelijk ongegrond afgewezen. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om proceskostenveroordeling af. Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Jochem, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van M. van der Elst, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 11 oktober
- griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.