← Nederland

ECLI:NL:RBNHO:2021:8973

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Bestuursrecht zaaknummer: HAA 21/3416 uitspraak van de voorzieningenrechter van 19 oktober 2021 in de zaak tussen [verzoekers] , te [woonplaats] , verzoekers, en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Purmerend, verweerder. Procesverloop In het besluit van 16 december 2020 (primair besluit I) heeft verweerder aan verzoekers een last onder dwangsom opgelegd vanwege het zonder omgevingsvergunning bouwen van erfafscheidingen en een stallingsruimte op het perceel [het perceel] . In het besluit van 16 december 2020 (primair besluit II) heeft verweerder aan verzoekers een last onder dwangsom opgelegd vanwege het zonder omgevingsvergunning bouwen van een steiger op het perceel [het perceel] . Verzoekers hebben tegen de primaire besluiten I en II bezwaar gemaakt. In het besluit van 3 februari 2021 heeft verweerder het primaire besluit I in zoverre gewijzigd dat de kadastrale aanduiding [kadastrale aanduiding] is uitgebreid. In de beslissing op bezwaar van 22 juli 2021 (bestreden besluit) heeft verweerder besloten de primaire besluiten te handhaven. De opgelegde lasten onder dwangsom blijven hiermee in stand. Verzoekers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld (HAA 21/3472). Tevens hebben zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Overwegingen

  1. Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter uitspraak doen zonder partijen uit te nodigen om op een zitting te verschijnen indien de voorzieningenrechter kennelijk onbevoegd is of het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond.
  2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist.
  3. Wil een voorlopige voorziening getroffen kunnen worden dan is onverwijlde spoed vereist. Er kan dan niet gewacht worden met de afhandeling van het geschil in de hoofdzaak. De spoedeisendheid heeft als regel betrekking op de onmogelijkheid om de eventuele gevolgen van het besluit nog te herstellen.
  4. De voorzieningenrechter is van oordeel dat in het onderhavige geval geen sprake is van een dergelijke situatie. Nu verweerder middels de brief van 31 augustus 2021 kenbaar heeft gemaakt de begunstigingstermijn die aan de lasten zijn verbonden te verlengen tot 6 weken na verzenddatum van de uitspraak van de rechtbank in de beroepsprocedure is er geen sprake is van spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening.
  5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
  6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Jochem, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van M. van der Elst, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.