RECHTBANK NOORD-HOLLAND Bestuursrecht zaaknummer: HAA 21/4286 uitspraak van de voorzieningenrechter van 21 oktober 2021 in de zaak tussen [verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker (gemachtigde: mr. P.A.M. van Hoef), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zaanstad, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 26 augustus 2021 (primaire besluit) heeft verweerder aan verzoeker een omzettingsvergunning als bedoeld in de Huisvestingsverordening gemeente Zaanstad 2021 (de Huisvestingsverordening) verleend voor het pand op adres [adres 1] . Verzoeker heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting. Overwegingen
- De met het primaire besluit verleende vergunning strekt ertoe mogelijk te maken dat het pand op adres [adres 1] , dat werd verhuurd aan 9 personen, mag worden verhuurd aan maximaal 6 personen. Daarbij is bepaald dat verzoeker de feitelijke situatie binnen twee jaar na afgifte van de vergunning in overeenstemming dient te brengen met het bepaalde in artikel 3.3.1a, tweede lid, onder b, van de Huisvestingsverordening. Daarin is bepaald dat er maximaal aan 4 personen per pand mag worden verhuurd. Voorts is bepaald dat de feitelijke verhuur aan meer dan 4 personen gedurende genoemde periode van 2 jaar mag voortduren, maar ook dat verzoeker als er huurders vertrekken geen nieuwe huurders (meer) mag toelaten, zolang (nog) niet aan de eis van maximaal 4 huurders is voldaan.
- Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt en een voorlopige voorziening gevraagd.
- Op grond van artikel 8:81 van de Awb kan de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Uitgangspunt daarbij is dat alleen een voorlopige voorziening wordt getroffen indien de uitkomst van de bezwaar- of beroepsprocedure niet kan worden afgewacht.
- Een financieel belang vormt op zichzelf in beginsel onvoldoende grond om een spoedeisend belang als hiervoor bedoeld aan te nemen, tenzij door de bestreden besluitvorming een financiële noodsituatie dreigt.
- De rechtbank heeft verzoeker bij brief van 6 oktober 2021 in dit verband verzocht om aan te geven wat zijn spoedeisend belang is bij de gevraagde voorlopige voorziening.
- Verzoeker heeft hierop gereageerd bij brief van 13 oktober
- Daarin heeft hij gesteld dat het pand via [bedrijf 1] wordt verhuurd aan kamerbedrijf [bedrijf 2] en dat [bedrijf 2] vanwege opzeggingen van meerdere huurders voornemens is om de huur op te zeggen. Dit omdat de vrijgekomen kamers nu niet meer (opnieuw) verhuurd mogen worden. Voorts heeft verzoeker gesteld dat hij voor zijn inkomen afhankelijk is van de huurinkomsten uit het pand en van de inkomsten ook de hypotheek moet betalen die op het pand rust. Verzoeker heeft als bijlage bij zijn reactie van 13 oktober 2021 een aantal bijlagen gevoegd, te weten: - Een huurovereenkomst tussen [bedrijf 3] B.V. en door [bedrijf 1] i.o Eigenaar [verzoeker] . Deze overeenkomst betreft een pand aan de [adres 2] ; Een huurovereenkomst tussen [bedrijf 2] B.V. en [bedrijf 1] i.o Eigenaar [verzoeker] . Deze overeenkomst betreft het pand aan de [adres 1] ; Een mail van 8 oktober 2021 waarin [naam 1] (voorletter is niet vermeld) door [bedrijf 1] wordt gewaarschuwd voor teruglopende huuropbrengsten en mogelijke opzeggingen; Een bankafschrift op naam van [verzoeker] met een afschrijving van € 1274,24; Een mail van [naam 2] aan [verzoeker] waarin wordt opgezegd per 1 september; Een mail van dezelfde afzender gedateerd 16 juli 2021 (in het Engels) waarin ook wordt opgezegd, maar nu per eerdere datum; Een print met belastinggegevens van [verzoeker] betreffende inkomstenbelasting
- Het betreft een concept-aangiftebiljet. Aangegeven is een dat een aanslag van nihil is te verwachten; Een aangifte inkomstenbelasting van [verzoeker] over
- Uit de aangifte blijkt dat een negatief belastbaar inkomen is gesteld. Een huurafrekening opgesteld door [bedrijf 1] , gericht aan [naam 3] , met daarop onder meer de vermelding van adres [adres 3] en de vermelding van een bedrag te ontvangen van € 3.988,64; Een uitdraai van de betaalrekening van [naam 3] over de periode van 1 augustus 2021 tot 12 oktober 2021 met daarop onder meer te zien dat het hiervoor genoemde bedrag op deze rekening is gestort.
- De voorzieningenrechter ziet in hetgeen verzoeker naar voren heeft gebracht en in de overgelegde stukken geen aanwijzingen die duiden op een (dreigende) financiële noodsituatie. Het is weliswaar aannemelijk dat de besluitvorming zal leiden tot een (tijdelijke) inkomensachteruitgang, maar er is geen enkele aanwijzing die erop duidt dat verzoeker als gevolg van het bestreden besluit in een financiële noodsituatie verkeert of zal komen te verkeren als hij de uitkomst van de bezwaarprocedure moet afwachten. Voor het treffen van een voorlopige voorziening ziet de voorzieningenrechter daarom geen aanleiding. Ook de stelling dat de schade die verzoeker door de besluitvorming lijdt zich achteraf moeilijk laat vaststellen, wat hier ook van zij, acht de voorzieningenrechter daarvoor onvoldoende.
- De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr.drs. J.H.A.C. Everaerts, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E. Degen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 21 oktober
- griffier Voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.