← Nederland

ECLI:NL:RBNHO:2021:9372

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Bestuursrecht zaaknummer: HAA 20/6478 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 oktober 2021 in de zaak tussen [verzoekster], te [woonplaats], verzoekster (gemachtigde: mr. V.Y. Jokhan), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerhugowaard, verweerder. Procesverloop In het besluit van 21 juli 2020 (primair besluit) heeft verweerder de aanvraag om een urgentieverklaring afgewezen. In het besluit van 26 november 2020 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoekster ongegrond verklaard. Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft, hangende de beroepsprocedure, alsnog met urgentie een woning aan verzoekster toegewezen. Naar aanleiding hiervan heeft verzoekster het beroep ingetrokken met daarbij het verzoek verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten. De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek. Verweerder heeft de rechtbank meegedeeld dat het verzoek in de beroepsprocedure en het verzoekschrift in de reeds afgedane voorlopige voorziening (HAA 20/6505) identiek zijn aan elkaar. Een proceskostenveroordeling is reeds in de voorlopige voorziening toegewezen en dient in het beroep dan ook te worden afgewezen. Indien de rechtbank hier anders over oordeelt dan verzoekt verweerder de wegingsfactor bij te stellen naar 0,

  1. Overwegingen
  2. Nadat partijen zijn gewezen op hun recht ter zitting te worden gehoord en niet binnen de gestelde termijn hebben verklaard gebruik te willen maken van dat recht, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten. De rechtbank doet uitspraak met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
  3. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
  4. Gelet op de gedingstukken en het hiervoor weergegeven procesverloop is verweerder tegemoet gekomen aan het beroep van verzoekster.
  5. De rechtbank ziet aanleiding het verzoek om verweerder in de proceskosten te veroordelen toe te wijzen. Daartoe wordt overwogen dat tussen een beroep en een verzoek om een voorlopige voorziening geen samenhang bestaat als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van het Bpb. In dit artikel wordt slechts gerept over vergelijkbare bezwaren of beroepen. De voorzieningenrechter volgt in dit geval het standpunt van verweerder niet. Een beroep en een voorlopige voorziening zijn ongelijksoortige procedures die ieder met een eigen doel, te weten de vernietiging in beroep van het bestreden besluit enerzijds en de verkrijging van schorsende werking met het verzoek om een voorlopige voorziening anderzijds, zijn ingediend. Dat inhoudelijk gezien een verband bestaat tussen het beroep en de voorlopige voorziening maakt dat niet anders.
  6. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 748,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 748,-, met een wegingsfactor
  7. De rechtbank ziet onvoldoende reden om een andere wegingsfactor te gebruiken omdat de rechtsvraag en handelingen van verzoekster zich niet onderscheiden van die van andere rechtzoekenden. Omdat aan verzoekster een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.
  8. De rechtbank wijst erop dat verweerder op grond van artikel 8:41, zevende lid, van de Awb verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 178,- te vergoeden. Verzoekster zal zich hiervoor dan ook tot verweerder moeten wenden. Beslissing De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 748,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Jochem, rechter, in aanwezigheid van A.C. Karels, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 5 oktober
  9. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.