RECHTBANK NOORD-HOLLAND Handel, Kanton en Insolventie locatie Haarlem Zaaknr./rolnr.: 9592853 \ CV EXPL 21-8624 Uitspraakdatum: 7 december 2022 Vonnis van de kantonrechter in de zaak van: de rechtspersoon naar buitenlands recht AirHelp Germany GmbH gevestigd te Berlijn (Duitsland) eiser hierna te noemen: Airhelp gemachtigde: mr. D.E. Lof tegen de rechtspersoon naar buitenlands recht Finnair OYj gevestigd te Helsinki (Finland) gedaagde hierna te noemen: de vervoerder gemachtigde: mr. T. Teke 1Het procesverloop 1.
- Airhelp heeft bij dagvaarding van 7 december 2021 een vordering tegen de vervoerder ingesteld. De vervoerder heeft schriftelijk geantwoord. 1.
- Airhelp heeft hierop schriftelijk gereageerd, waarna de vervoerder een schriftelijke reactie heeft gegeven. 2De feiten 2.
- [betrokkene] (hierna: de passagier) heeft met de vervoerder een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan de vervoerder hem diende te vervoeren van Helsinki-Vantaa (Finland) naar Amsterdam Schiphol Airport met vlucht AY1305 op 4 juli 2020, hierna: de vlucht. 2.
- De vlucht is geannuleerd. 2.
- Airhelp heeft compensatie van de vervoerder gevorderd in verband met voornoemde annulering. 2.
- De vervoerder heeft geweigerd tot betaling over te gaan. 3De vordering en het verweer 3.
- Airhelp vordert dat de vervoerder bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis veroordeeld zal worden tot betaling van:- € 400,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 4 juli 2020 tot aan de dag der algehele voldoening; - de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente. 3.
- Airhelp heeft aan de vordering ten grondslag gelegd de Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van de verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: de Verordening) en de daarop betrekking hebbende rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). Airhelp stelt dat de vervoerder vanwege de annulering van de vlucht gehouden is te compenseren conform artikel 7 van de Verordening tot een bedrag van € 400,
- 3.
- De vervoerder betwist de vordering. Op zijn verweer wordt – voor zover relevant – bij de beoordeling van het geschil ingegaan. 4De beoordeling 4.
- De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat de Nederlandse rechter in deze zaak bevoegd is om van de vordering kennis te nemen. 4.
- De vervoerder heeft primair aangevoerd dat geen sprake is van een rechtsgeldige cessie van de vordering van de passagier aan Airhelp en dat Airhelp daarom niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vordering. 4.
- De kantonrechter overweegt als volgt. Een rechtsgeldige cessie dient onder verwijzing naar artikel 3:94 lid 1 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) aan twee constitutieve vereisten te voldoen: een akte van cessie en een mededeling daarvan aan de debiteur. Aan het mededelingsvereiste is in ieder geval voldaan toen de cessie in deze procedure, zo niet bij dagvaarding dan wel bij repliek, ter kennis van de vervoerder is gebracht. Niet vereist is dat een cessie al voltooid is op het moment van de dagvaarding. Uit artikel 3:94 BW volgt voorts dat een cessie niet tweezijdig hoeft te zijn. Voldoende is een enkel door de vervreemder ondertekende akte. Zij hoeft niet te doen blijken van de verklaring van de cessionaris dat hij de levering aanvaardt. 4.
- De stelling van Airhelp in de conclusie van repliek dat de passagier zijn vorderingsrecht op 17 januari 2020 aan Airhelp Limited zou hebben overgedragen, is niet met enige stukken onderbouwd. Naar het oordeel van de kantonrechter is uit het “Assignment Form” echter wel voldoende gebleken dat de passagier zijn vorderingsrecht op 9 juli 2020 aan Airhelp (GmbH) heeft gecedeerd. De vervoerder heeft in de conclusie van antwoord opgemerkt dat het “Assignment Form” alleen door de passagier is ondertekend, terwijl voor een rechtsgeldige cessie is vereist dat de akte zowel door de cedent als door de cessionaris is ondertekend. Daarbij heeft de vervoerder verwezen naar een vonnis van deze rechtbank van 24 november 2021 (ECLI:NL:RBNHO:2021:11380). Anders dan in dat vonnis, is de kantonrechter thans echter van oordeel dat de akte (in ieder geval) door de vervreemder van de vordering (in dit geval: de passagier) moet zijn ondertekend. Hieraan is in dit geval voldaan. Weliswaar heeft de vervoerder - eerst bij dupliek - de echtheid van de handtekening van de passagier betwist, maar de vervoerder heeft niet toegelicht waarom hij dit verweer niet al in de conclusie van antwoord naar voren heeft kunnen brengen. De kantonrechter is van oordeel dat de vervoerder in strijd heeft gehandeld met de in artikel 128 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) neergelegde vereiste concentratie van verweer, zodat dit verweer tardief is. 4.
- De vervoerder heeft verder nog aangevoerd dat hij op 7 september 2020 een verzoek tot betaling van compensatie namens de passagier heeft ontvangen. Dit is volgens de vervoerder niet verenigbaar met de stelling van Airhelp dat de vordering van de passagier op 17 januari 2020 zijn overgedragen aan Airhelp. De kantonrechter overweegt als volgt. Airhelp heeft onvoldoende gemotiveerd betwist dat de aanmaning van 7 september 2020 namens de passagier is verstuurd, waarbij mr. D.E. Lof (destijds) van Lof Advocatuur handelde namens de passagier. De omstandigheid dat de e-mail is verstuurd vanaf een algemeen Airhelp-adres doet daar niets aan af. Voorts staat vast dat mr. D.E. Lof daartoe niet gemachtigd was omdat Airhelp op dat moment eigenaar was van het vorderingsrecht. Het voorgaande betekent dat de aanmaning door de verkeerde partij aan de vervoerder is verzonden. Dit kan er echter niet toe leiden dat Airhelp niet-ontvankelijk is in zijn vordering. De conclusie is dat het niet-ontvankelijkheidsverweer van de vervoerder faalt. Wel kan hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van de wijze waarop de vervoerder is aangemaand, gevolgen hebben voor de beantwoording van de vraag voor wiens rekening de proceskosten moeten komen in deze zaak. Daarop zal hierna onder 4.9 nader worden ingegaan. 4.
- De vervoerder betwist dat hij gehouden is de compensatie te betalen en heeft in dit verband aangevoerd dat hij de passagier tijdig, namelijk op 26 juni 2020, over de annulering van de vlucht heeft geïnformeerd. De kantonrechter overweegt dat op grond van artikel 5 lid 1 sub c onder ii van de Verordening geen recht op compensatie bestaat in het geval dat de annulering tussen de twee weken en zeven dagen voor de geplande vertrekdatum aan de passagier wordt meegedeeld en dat aan de passagier een andere vlucht naar de overeengekomen eindbestemming wordt aangeboden die niet eerder dan twee uur voor de geplande vertrektijd vertrekt en niet meer dan vier uur later dan de oorspronkelijk geplande aankomsttijd op de overeengekomen eindbestemming aankomt. Op 26 juni 2020 heeft de vervoerder vlucht AY1301 van Helsinki naar Amsterdam als vervangende vlucht aan de passagier aangeboden die gepland stond om acht uur eerder dan de oorspronkelijk geboekte vlucht te vertrekken. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep op de disculpatiegrond van artikel 5 lid 1 sub c onder ii van de Verordening faalt en de vervoerder in beginsel gehouden is om de compensatie als bedoeld in de Verordening te voldoen. Dit is anders indien de vervoerder kan aantonen dat de annulering het gevolg is geweest van buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen hadden kunnen worden. 4.
- De kantonrechter overweegt als volgt. Wat er ook zij van eventuele buitengewone omstandigheden, niet is gebleken dat de vervoerder alle redelijke maatregelen heeft genomen om de vertraging op de eindbestemming als gevolg van de annulering te voorkomen dan wel te beperken. De passagier heeft de vervangende vlucht AY1301 geweigerd en is vervolgens omgeboekt naar vlucht AY1305 van Helsinki naar Amsterdam, door de vervoerder uit te voeren op 5 juli 2020 met vertrektijd 16.15 uur (lokale tijd) en 17.45 uur (lokale tijd). Vlucht AY1301 voldoet niet aan artikel 5 lid 1 sub c onder ii van de Verordening, zodat het aanbieden van deze vlucht geen redelijke maatregel vormt. Ten aanzien van vlucht AY1305 op 5 juli 2020 overweegt de kantonrechter als volgt. Uit het arrest van het Hof van 11 juni 2020 (C-74/19) volgt dat, indien de passagier met een door de vervoerder zelf uitgevoerde alternatieve vlucht de dag na de oorspronkelijk vastgestelde dag aankomt dit in beginsel geen redelijke maatregel vormt. Hierbij gaat de kantonrechter voor de interpretatie van het hiervoor genoemde woord ‘dag’ uit van een tijdruimte en voor de uitleg ervan wordt aangesloten bij de algemeen geaccepteerde uitleg, zijnde een tijdsduur van 24 uur. De passagier is omgeboekt naar een vlucht waarmee hij exact 24 uur later dan oorspronkelijk gepland op de overeengekomen eindbestemming is aangekomen. Het is onder deze omstandigheden aan de vervoerder om te stellen en te bewijzen dat er geen eerdere vluchten beschikbaar waren bij andere luchtvaartmaatschappijen. Dit heeft de vervoerder nagelaten. De conclusie is dat niet is gebleken dat de alternatief aangeboden vlucht op 5 juli 2020 een redelijke maatregel vormde. 4.
- Nu de vervoerder voor het overige geen verweer heeft gevoerd zal de vordering tot betaling van de hoofdsom worden toegewezen. De gevorderde wettelijke rente over de hoofdsom is als onvoldoende gemotiveerd weersproken toewijsbaar. 4.
- Het had op de weg van Airhelp gelegen om de vervoerder een (juiste) aanmaning namens de (juiste) eisende partij te sturen voordat de gerechtelijke procedure werd opgestart. De kantonrechter oordeelt dat Airhelp door zijn werkwijze en proceshouding, waarbij Airhelp op geen enkele wijze heeft getracht om eerst op een minnelijke wijze tot beëindiging van het geschil te komen, de vervoerder niet in de gelegenheid heeft gesteld om de zaak (eventueel) buiten rechte te kunnen afdoen. De kantonrechter ziet gelet op het voorgaande aanleiding om de proceskosten te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt. 5De beslissing De kantonrechter: 5.
- veroordeelt de vervoerder tot betaling aan Airhelp van € 400,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 4 juli 2020 tot aan de dag der algehele voldoening; 5.
- compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt; 5.
- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad; 5.
- wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier. De griffier De kantonrechter